Lichtpuntjes na een ramp

Wat heeft een enorme runderschedel gemeen met de ijzeren krammen die middeleeuwse ambachtslieden gebruikten om de Notre-Dame in Parijs te bouwen? Allereerst zijn het beide toevalsvondsten die werden gedaan nadat er een grote ramp had plaatsgevonden, de eerste in 1825 en de andere in 2019. Daarnaast zijn het allebei voorbeelden hoe ontdekkingen van wetenschappelijk belang kunnen bijdragen aan de verwerking van een ramp. Tijd heelt alle wonden, zo gaat het gevleugelde gezegde, maar ook lichtpuntjes na een ramp helpen een gemeenschap om een dramatische gebeurtenis beter te kunnen hanteren, zelfs jaren na dato. De geschiedwetenschap speelt daarin zeker ook een rol.

Historische verbanden

Op 15 april is het exact 4 jaar geleden dat de kathedraal Notre-Dame in Parijs ten prooi viel aan een verwoestende brand. De meeste mensen zullen zich nog de dramatische beelden herinneren van het moment dat de vieringtoren van de Notre-Dame in de vlammenzee stortte. Mijn adem stokte. Het duurde enkele dagen voor ik me ertoe kon zetten om de beelden van de verzengende vuurzee te herbekijken. Inmiddels zijn er bijna 4 jaar verstreken. Het klopt dat het bekijken van de beelden me nu makkelijker af gaat en dat is niet alleen om er tijd verstreken is.

Verwoestende brand Notre-Dame van uur tot uur, verslaglegging door NU.nl, 16 april 2019. Bron: YouTube

Sedert de brand in Parijs zijn er al geregeld verbanden gelegd met historische branden waaraan kerken ten onder gingen.

In het verleden vielen kerkelijke monumenten vaak ten prooi aan vlammen. Er zijn talloze voorbeelden. Immers, kerken met hun hoge spitsen en houten dakconstructies waren altijd brandgevoelig. Geregeld vonden er blikseminslagen plaats, maar branden waren ook – en nog steeds – vaak het gevolg van onzorgvuldig handelen tijdens werkzaamheden aan de kerk, van gebrekkig onderhoud of van vandalisme.

De Nieuwe Lutherse Kerk in Amsterdam bijvoorbeeld brandde in 1822 helemaal uit, waarschijnlijk door onvoorzichtigheid van loodgieters.

Handgekleurde prent van de brand in de Nieuwe Lutherse Kerk in 1822
A. Lutz naar Hendrik Greeven, Brand in de Nieuwe Lutherse Kerk in 1822, handgekleurde ets en aquatint. Amsterdam, Rijksmuseum, RP-P-OB-87.421. Bron: Rijksstudio

Collectieve omgang

Iedere kerk vervult een symbolische waarde, of zelfs meerdere, zo zou je kunnen zeggen. Kerken hebben immers meerdere functies, als stedelijk herkenningspunt, als verzamelplaats, als huis van God, als monument. Meestal gaat het om gebouwen met grote betekenis voor een kleine gemeenschap. Dit laatste is anders voor de Notre-Dame. Dit kerkgebouw kennen immers heel veel mensen, van een vroeger verblijf in Parijs, van foto’s van anderen, van het journaal, van geschiedenislessen. Daarom heeft het gebouw betekenis voor een grote gemeenschap die nationale grenzen overschrijdt. Anders gezegd, ze maakt deel uit van de collectieve herinnering van een groep mensen die verschillende waarden hechten aan de Notre-Dame.

Omdat de Notre-Dame deel uitmaakt van collectieve herinnering, is er ook sprake van collectieve omgang met de brand die eveneens nationale grenzen overstijgt. De vraag naar de oorzaak is meestal één van de eerste reacties na een ramp, zo ook na de brand in de Notre-Dame. Het artikel van Waldemar Kamer in Tableau is daar een voorbeeld van.

Maar daarnaast kent de collectieve omgang met de brand nog andere elementen die van belang zijn voor verwerking. Behalve de zoektocht naar de achterliggende oorzaken is het nodig dat er aandacht is voor wat verloren ging. Die aandacht voor verlies zien we vaker terug in afbeeldingen van grote branden in het verleden, na de brand van de Amsterdamse schouwburg in 1772 bijvoorbeeld. Velen zagen de schouwburg als het hart van Amsterdam, zoals ook de Notre-Dame wordt gezien als het hart van Parijs.

Illustratie van Melanie Philippi-Decker na de brand in de Notre-Dame getiteld Burning heart of Paris
Melanie Philippi-Decker, Burning heart of Paris, gemonogrammeerd en gedateerd 15.04.19, 2019. (c) Phantagrafie. Bron: Twitter

Wat verloren ging

Wat precies verloren ging, verschilt per ramp. Bij de schouwburgbrand in 1772 lag veel nadruk op het verlies van het culturele hart van de stad. Daarover schreef ik enkele jaren terug nog een blogartikel ‘Verlies van het culturele hart‘. Wat verloren ging kan ook verschillen per groep mensen, zelfs al gaat het over een en hetzelfde gebouw. Dat bleek bij uitstek na de brand in de Notre-Dame.

Enerzijds zijn er de mensen die het Parijse monument vooral zien als een kerk en dus als een plek waar mensen samenkomen om godsdienst te belijden. Voor die mensen heeft de Notre-Dame bovenal een religieuze waarde. Daarnaast is er een grote groep die de Notre-Dame koestert om haar historische waarde, als een uniek voorbeeld van gotische bouwkunst. Voor anderen is het bovenal een toeristische trekpleister met een economisch belang voor de stad Parijs.

Weer anderen zullen juist benadrukken dat het met de ramp wel meeviel. Er vielen immers geen menselijke slachtoffers: “uiteindelijk zijn het maar stenen en hout”. Anderen relativeren de ramp door te benadrukken dat De Notre-Dame altijd aan verandering onderhevig is geweest. Lees bijvoorbeeld het artikel van kunsthistoricus Stefan de Vries voor RTL Nieuws.

Uiteraard zijn de groepen niet strikt gescheiden. Integendeel, ze overlappen. Toch is het voor de verwerking van het verlies belangrijk dat er erkenning is voor wat er met de Notre-Dame verloren ging.

De verschillende meningen daarover komen duidelijk tot uitdrukking in de controverse rond de restauratie van de Notre-Dame. Immers, elke groep zal iets anders willen terugzien in de nieuw opgebouwde kerk.

Wat gered werd

Ten slotte helpen verhalen van grote en kleine reddingen te midden van ellende om het drama te verzachten. Ook dat is namelijk een manier om met verlies om te gaan: zoeken naar verhalen over wat de ramp heeft overleefd. Het kindje in de wieg dat wordt gered, tijdens welke watersnood dan ook, is hiervan een uitstekend voorbeeld.

Portret van Johanna van Beek die in werd gered na enkele dagen rondgedobberd te hebben
Portret van Johanna van Beek, frontispiece van in Ribbius, Johanna van Beek, wonderdadig gered uit den watersnood (1861). Bron: Google books

Typerend is ook het relaas van H.C. Ribbius, predikant te Druten, die de redding van de 7-jarige Johanna (Hanneke) van Beek tijdens de watersnood van 1861 tot het belangrijkste onderwerp maakte van zijn beschrijving:

Het is aandoenlijk te hooren, hoe sommigen, na in de bangste en dreigendste gevaren te hebben verkeerd, op het onverwachtst gered zijn en bij het leven gespaard bleven. Niets overtreft echter de buitengewone en wondervolle bewaring van JOHANNA VAN BEEK wier portret en facsimilé hierbij gevoegd is.

– Ribbius in Johanna van Beek, wonderdadig gered uit den watersnood, 2de druk (Tiel 1861), p. 7

Het bleef niet bij Ribbius. Ook tekenaar, schilder en lithograaf Carel Christiaan Antony Last portretteerde Johanna van Beek in zijn lithografie van de watersnood. Hij combineerde daarin diverse scènes van overstroomde dorpen en doorgebroken dijken, maar de gelijkenis van Johanna prijkt prominent bovenaan. Zij is illustratief voor wat gered werd, te midden van alle verliezen.

Wat bewaard bleef

Een brand is iets anders dan een overstroming. Desalniettemin benadrukt men ook bij kerkbranden graag ‘reddingen’, ook als er geen mensen in gevaar zijn geweest. Na branden benadrukken verslaggevers bijvoorbeeld wat er nog resteert van het gebouw, en wat dus gelukkig niet verloren ging. Zo kopte de NOS na de brand in de Notre-Dame: “Grote torens lijken gered”. En RTL Nieuws berichtte: “Structuur en torens Notre-Dame lijken gered van totale verwoesting.” Andere artikelen zijn weer gewijd aan kerkschatten en relieken die de brand overleefden.

Een recenter voorbeeld is de brand op 1 januari 2023 die de oude congregatiekapel in Veghel in de as legde. Toen kopte Omroep Brabant met woorden van gelijke strekking: “Brand verwoest kerk in Veghel, monumentale gevel staat nog wel overeind.”

Foto van de brandende congregatiekapel in Veghel op 1 januari 2023
Brandende congregatiekapel in Veghel, 1 januari 2023. Foto: Sander van Gils / SQ Vison. Bron: Omroep Brabant

Journalisten van De Volkskrant begonnen hun berichtgeving over dezelfde brand met de opmerking dat de wind Veghel goedgezind was. “Bij noordenwind was vrijwel zeker een van de eerste grote werken van architect Pierre Cuypers in vlammen opgegaan.” Nu bleef het ‘slechts’ bij de naastgelegen congregatiekapel. Het zijn allemaal voorbeelden waarin verslaggevers accentueren wat gelukkig bewaard bleef, al zijn er verliezen te betreuren.

Bijzondere vondst

Ook wetenschap kan hierbij een belangrijke rol vervullen. Die zoektocht naar de positieve kanten van een rampverhaal houden immers niet op met het doven van de vlammen of het wijken van het water. Dat blijkt wel uit een gedenkboek over de watersnood van 1825 dat een jaar na die ramp verscheen. Daarin beschreef Remonstrants predikant Nicolaas Swart wat er gebeurde in februari 1825, toen op verschillende plaatsten dijken braken.

Aangekomen bij Overijssel doet Swart melding van een bijzondere ontdekking waarbij

een jongen, wel eene maand na den storm hier rondzoekende, of nog het een of andere van de goederen zijner ouders ware te vinden, op het land, in de nabijheid eener dijkbreuk, onder de gemeente Genemuiden, den kop van een runderbeest vond, van verwonderlijke grootte.

– Swart in Historisch tafereel van den zwaren watersnood (1826), p. 169

De schedel was van zulke afmetingen dat men snel doorhad dat het om een uitgestorven dier ging. Het bleek te gaan om een oeros, een voorouder van het gedomesticeerde rund. De laatste daarvan stierf uit in de 7de eeuw. Daarom schonk de stadssecretaris de schedel aan het universiteitsmuseum Leiden. Nu bevindt het zich in de collectie van Naturalis Biodiversity Center.

Prent van de runderschedel die werd gevonden na de dijkdoorbraak bij Genemuiden in 1825
Daniël Veelwaard naar Haatje Pieters Oosterhuis, Schedelkop gevonden in de buurt van Genemuiden in de buurt van de doorgebroken dijk, 1825-1826, ets en gravure. Amsterdam, Rijksmuseum, RP-P-OB-87.447. Bron: Rijksstudio

De vondst – zo luidt de strekking van het gedenkboek uit 1826 – was niet aan het licht gekomen zonder de dijkdoorbraak. De beschrijving gaat zelfs gepaard met een prent. Daarmee legden de samenstellers van het boek nog meer nadruk op deze bijzondere wetenschappelijke ontdekking binnen het relaas over de watersnood. In eerste instantie kwam de prent van de schedel me wat vreemd voor binnen de talrijke verhalen over rampspoed, maar eigenlijk is de prent dus uitstekend op zijn plaats als voorbeeld van een lichtpuntje na een ramp.

In het gedenkboek is aandacht voor grote verliezen én voor bijzondere reddingen. De vondst na de dijkdoorbraak bij Genemuiden is eveneens een lichtpuntje na de watersnood, maar dan één met wetenschappelijke consequenties.

Wetenschap als rampverwerking

De restauratie van de Notre-Dame is nog steeds in volle gang. In het populair-wetenschappelijk tijdschrift New Scientist verscheen op 15 maart 2023 een artikel over een bijzondere wetenschappelijke ontdekking tijdens de werkzaamheden. Uit delen van de constructie blijkt dat middeleeuwse ambachtslieden gebruikt maakten van metalen krammen die de stenen van de kerk bij elkaar hielden. Voor zover we nu weten, is de Notre-Dame het eerste gebouw waar bouwers deze techniek toepasten.

Niet alleen is in New Scientist aandacht voor het wetenschappelijk belang van de ontdekking. Ook wordt de ontdekking direct gekoppeld aan de brand, met de kop: “Notre Dame fire revealed cathedral’s innovative use of iron”. Vervolgens werd dat bericht gretig op andere populair-wetenschappelijke platforms overgenomen. Kort erna kopte het Nederlandstalige tijdschrift Wetenschap in beeld: “Restauratie Notre-Dame onthult verrassende bouwtechniek”:

Na de verwoestende brand in 2019 blijkt uit delen van de blootgelegde constructie hoe de ambachtslieden een kerk wisten te bouwen die eeuwen bleef staan.

– Sune Navntoft, ‘Restauratie Notre Dame onthult verrassende bouwtechniek‘, Wetenschap in beeld (18 maart 2023)

Als consequentie van de brand is “een van de geheimen van het indrukwekkende bouwwerk … nu aan het licht gekomen” voegde de journalist van Wetenschap in beeld toe. Inmiddels werden al meer meldingen gemaakt van ontdekkingen, bijvoorbeeld onder de vloerplaten van de Notre-Dame. Het zijn wetenschappelijk treffers die het leed van de brand enigszins verzachten.

Wetenschappelijke lichtpuntjes

Na rampen speuren mensen naar lichtpuntjes als gewenste tegenhangers voor de talrijke negatieve gevolgen. Anders gezegd, mensen zoeken naar het ‘geluk bij een ongeluk’ om een ramp beter te kunnen verwerken. Ook wetenschap kan daaraan een bijdrage leveren. Nicolaas Swart liet met de vondst van de runderschedel zien dat de grote verwoestingen tijdens de overstromingen in 1825 – hoe dramatisch ook – tegelijkertijd kunnen leiden tot een bijzondere ontdekking. De krammen die tijdens de restauratie van de Notre-Dame aan het licht kwamen, zijn ook zo’n bijzondere vondst. Het is daarmee niet alleen een ontdekking van wetenschappelijk belang, maar tegelijkertijd een mogelijkheid tot troost na een ramp die een grote gemeenschap trof.

De artikelen in New Scientist en in Wetenschap in beeld waarin wetenschappers uitleggen hoe bijzonder de ontdekking is voor de hedendaagse kennis van middeleeuwse bouwtechnieken, benadrukken ook de rol van de dramatische kerkbrand bij de vondst. De persberichten zijn daarmee recente voorbeelden van de blijvende zoektocht, ook in de wereld van de wetenschap, naar lichtpuntjes na een ramp, zelfs jaren na dato. Ook al gaat het om relatief kleine geluksmomenten die gevoelens van verlies na een verwoestende ramp niet kunnen uitdoven, dergelijke berichten over het wetenschappelijk belang helpen zeker bij collectieve rampverwerking.

De wetenschappelijke gemeenschap die zeker ook zelf hard getroffen is door de kerkbrand, bedient met de vondsten deels zichzelf, maar ook een bredere internationale gemeenschap die troost vindt in de ontdekkingen. De verwerking stopt immers niet na het doven van de vlammen. Die begint dan pas.


Meer lezen?

  • Siegfried Evens, ‘Hebben we dan niks geleerd uit branden uit vorige eeuwen? Brand Notre Dame in historisch perspectief’, VRT NWS: nieuws (20 april 2019). [online]
  • Waldemar Kamer, ‘Het verhaal achter de brand in de Notre-Dame’, Tableau Fine Arts Magazine. [online]
  • Stefan de Vries, ‘Waarom de brand in de Notre-Dame geen drama is’, RTL Nieuws (22 april 2019). [online]
  • Sune Navntoft, ‘Restauratie Notre Dame onthult verrassende bouwtechniek’, Wetenschap in beeld (18 maart 2023). [online]
  • Nicolaas Swart, Historisch tafereel van den zwaren watersnood, op den 3den, 4den en 5den Februarij 1825, een groot deel van ons vaderland hebbende getroffen (Amsterdam 1826). [Google books]

Lees ook mijn blogartikel ‘Verlies van het culturele hart’ waarin ik de reacties op de Amsterdamse schouwburgbrand in 1772 koppel aan de gevolgen van de recente coronacrisis. Branden in het verleden zijn vaker onderwerp van artikelen op deze website. Zie ook ‘Hostie in de vlammen’ of ‘Brand in de illuminatiekast’.

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Back to Top