De overstroming en het kind in de wieg

Dit jaar is een jubileum voor de Sint-Elisabethsvloed, precies 600 jaar geleden. Dordrechts Museum viert de herdenking bijvoorbeeld met een tentoonstelling getiteld Elisabeth en de Vloed (vanaf 3 oktober te zien). De ruime aandacht voor de Sint-Elisabethsvloed zal niemand verbazen. In De geschiedenis van Nederland in 100 oude kaarten bestempelden Marieke van Delft en Reinder Storm de Sint-Elisabethsvloed als de “bekendste middeleeuwse overstroming”. Maar ons beeld van de overstroming is sterk gekleurd door de manier waarop ze in de 19de eeuw is verbeeld. Met de hernieuwde interesse in de nationale geschiedenis groeide ook de populariteit van deze vloed als thema in de kunst. En het verhaal van het kind in de wieg vormde het nieuwe middelpunt.

Herinneringen aan de overstroming

De Sint-Elisabethsvloed trof vooral de Grote Waard bij Dordrecht. Daar kreeg de Sint-Elisabethsvloed altijd veel aandacht, maar niet alleen daar. Zichtbare overblijfselen, zoals de Biesbosch, zorgden ervoor dat de herinnering aan de vloed levend bleef en aandacht bleef genereren. Het zoetwatergetijdengebied ontstond feitelijk pas later, maar was wel in gedachten gekoppeld aan de overstroming van 1421. En het bleef gekoppeld. Daarmee werd de Biesbosch een imposant relict van de Sint-Elisabethsvloed. Bovendien waren daar de panelen van de Sint-Elisabethsvloed, nu in het Rijksmuseum. Deze gedetailleerde voorstelling van de overstroomde Grote Waard inspireerde andere kunstenaars tot nieuwe afbeeldingen. Al die zichtbare overblijfselen hielden de gedachten aan de overstroming levend.

Met het ontstaan van het nationalisme aan het einde van de 18de eeuw groeide de behoefte om de geschiedenis van de natie uit te zoeken en te verbeelden. Ook de Sint-Elisabethsvloed van 1421 werd graag nationaal herdacht. Deze herdenkingen waren steevast aanleiding om nieuwe visuele beelden en teksten aan het bestaande repertoire van voorstellingen toe te voegen. Bovendien bracht men bij recente overstromingen vaak de middeleeuwse Sint-Elisabethsvloed in herinnering. Na de ramp van Nieuwkuijk in 1881 stond in De Noord-Brabanter te lezen:

Met den St. Elisabethsvloed in 1421 kan de ramp [van Nieuwkuijk] nog het best vergeleken worden. En waarom? Omdat het onheil dit bijzonder karakter draagt, dat de watersnood niet duurt een of twee dagen, maar zoo lang tot de doorbraak beringd is.

Noord-Brabanter 1881, zoals geciteerd in Dagblad van Zuidholland en ‘s-Gravenhage, 7 januari 1881 (geraadpleegd op Delpher, 9 april 2021)

Omdat het zo lang duurde eer de dijk gerepareerd was, dacht de schrijver in 1881 aan de overstroming in 1421.

Relicten van de vloed

Daarnaast functioneerden voorwerpen als relicten van de inmiddels mythisch geworden vloed. Zo kocht het Rijkmuseum in 1884 een bloedkoralen collier. Een baby’tje had het bij zich, toen het gered werd uit de golven, zo luidde althans het verhaal. Een kat had het kind, slapend in een wieg, op wonderlijke wijze voor de verdrinkingsdood behoed door het mandje in balans te houden, terwijl het op de golven dobberde.

Deze anekdote speelde eerder slechts een kleine rol in de verhalen over de Sint-Elisabethsvloed. In de 19de eeuw werd het echter zo populair dat het de Sint-Elisabethsvloed ging kentekenen. De aankoop van de bloedkoralen snoer kreeg dan ook veel publiciteit:

Naar de N. R. Ct. mededeelt, is een bloedkoralen collier van het geredde kind uit den St. Elisabethsvloed voor f 115 aangekocht voor ’s Rijks-Museum.

Twentsche Courant, 29 oktober 1884 (geraadpleegd op Delpher, 9 april 2021)

Zelfs overzeese kranten, zoals Bataviaasch Handelsblad, besteedden ruime aandacht aan de aanschaf. Kritischer was de Arnhemsche courant die schreef dat de bloedkoralen ketting dan wel oud was, maar zeker niet ouder dan de 16de eeuw. Overigens stond in die krant een bedrag van 125 gulden als aankoopsom.

Naast relicten gebruikte men graag (oudere) afbeeldingen om opnieuw te herinneren aan de waterramp. In februari 1916 bijvoorbeeld werd naar aanleiding van recente overstromingen een kunsttentoonstelling ingericht in het Panoramagebouw in Amsterdam. Een van de eerste voorstellingen, daar te zien, was een oude kopergravure van de Sint-Elisabethsvloed, zo staat vermeld in een lovende recensie van N. H. Wolf in het artistiek tijdschrift De Kunst.

Bovendien vervaardigden kunstenaars veelvuldig nieuwe voorstellingen. Daarin stond – in lijn met de toenmalige esthetische en thematische voorkeuren – het menselijke drama centraal. Geschilderde scènes van de Sint-Elisabethsvloed toonden dan ook families in nood, mannen met hun wegkwijnende echtgenoten, moeders met hun gestorven kinderen en families met hun noodlijdende grootouders.

Johannes Canta, Sint-Elisabethsvloed, gesigneerd en gedateerd 1849, olie op doek, 115,8 x 93,9 cm. Onbekende privécollectie. Afbeelding in het publieke domein

Het kind in de wieg

Het kind in de wieg speelde eerder slechts een marginale rol in de verhalen rond de Sint-Elisabethsvloed. Sterker nog, een wiegje dobberend op de golven kwam in de meeste overstromingsverhalen voor. Het was zeker niet uniek voor de Sint-Elisabethsvloed. Dit veranderde in de 19de eeuw.

Schilders die de Sint-Elisabethsvloed als onderwerp kozen, legden eveneens een voorliefde aan de dag voor het verhaal van het geredde kind. Tussen 1850 en 1854 werkte Johannes Egenberger (1822 – 1897) met Jacob de Vos aan diens Historische Galerij. Tot de gekozen onderwerpen behoorde ook de Sint-Elisabethsvloed. Hiervoor schetste Egenberger een scène met het kind in de wieg. Specifiek koos hij voor het moment dat de wieg met kind en kat uit de golven wordt gevist. Op de achtergrond proberen anderen het vege lijf te redden.

Johannes Hinderikus Egenberger, Sint-Elisabethsvloed, olieverfschets op doek, 1850-54, 40 x 55 cm. Amsterdam Museum, SA 4894. Bron: Amsterdam Museum

Ook Sir Lawrence Alma Tadema (1836 – 1912) schilderde een kind in een wieg. Als The Inundation of 1421 staat het doek genoteerd op een lijst van werken die de schilder zelf bijhield. Uit de gekozen titel blijkt dat de Sint-Elisabethsvloed is voorgesteld. Het wiegje – bij Alma Tadema meer een klein houten ledikant dan een wieg – vult bijna het totale oppervlak van het doek. Verder is er vooral water en een donkere dreigende lucht.

Sir Lawrence Alma Tadema, Sint-Elisabethsvloed (Opus 5: The Inundation of 1421), 1856, olie op doek, 55,8 x 66 cm. Privé-collectie. Afbeelding in het publieke domein

Alma Tadema schilderde de Sint-Elisabethsvloed als een Bijbelse zondvloed waarbij bijna nergens meer land te zien is. Alleen in de verte is een streepje land te ontwaren. Het bedje dobbert als een ark met slechts twee opvarenden rond op de golven. Het slapende kind wordt zo representatief voor alle ellende gedurende de overstroming. Alleen het licht dat gloort aan de horizon, wijst vooruit naar de goede afloop.

De Sint-Elisabethsvloed in Dordrecht

De Sint-Elisabethsvloed speelde uiteraard een belangrijke rol in de geschiedschrijving van de stad Dordrechtzelf. En ook daar richt men zich vanaf de 19de eeuw vooral op het geredde kind. Vanaf dat moment gaat de scène met het wiegje op verschillende prominente plekken in de stad figureren. Zo doneerde de familie Stoop in 1909 drie gebrandschilderde ramen aan de Grote Kerk. Op het raam met de Sint-Elisabethsvloed zien we het kind in de wieg op de voorgrond.

Sint-Elisabethsvloed, gebrandschilderd raam, in 1909 gedoneerd aan de Grote Kerk, Dordrecht. Bron: Flickr

Rond dezelfde tijd kreeg Reinier Willem Kennedy (1881 – 1960) een opdracht voor de decoratie van het stadhuis van Dordrecht. Daarvoor schilderde hij een monumentale afbeelding van de Sint-Elisabethsvloed. De scène heeft een centrale plaats in de vestibule, tussen een schildering over de handel en een ander over de industrie in Dordrecht.

Reinier Willem Kennedy, Sint-Elisabethsvloed, 1914-15, olieverf op doek, 230 x 568 cm. Dordrechts Museum, DM/921/233. Bron: Dordrechts Museum

Op de voorgrond van de watersnoodscène is een groep mensen afgebeeld. Door hun ogen kijken we naar het ondergelopen landschap. De dramatische gebaren van de levensgrote figuren duiden erop dat er zich voor hun ogen een tragedie afspeelt. Alle blikken zijn gericht op een punt rechts van het midden. Als we beter kijken zien we daar een wiegje drijven, omgeven door een groep witte meeuwen die het mandje vergezellen.

Het silhouet van de stad

Kennedy maakte een eerste ontwerp in 1914, waarna een adviescommissie oordeelde ‘dat de partijen van boom, schepen en landschap ook in de uitvoering geslaagd mogen heeten …’ De commissie opperde ook nog wat kleine verbeterpunten. Ze maakte onder andere de opmerking:

dat de silhouët der stad Dordrecht aan den horizon scherper afgeteekend mag worden.

Kennedy beeldde Dordrecht weinig prominent af. Bij Egenberger en Alma Tadema herinnerde zelfs niets meer aan de stad. Maar voor een schildering in het stadhuis van Dordrecht verdiende het silhouet van de stad meer nadruk, zo oordeelden de commissieleden.

De keuze van Kennedy laat zien dat het niet langer voor de hand lag om Dordrecht een prominente rol toe te bedelen. Menselijk drama verdiende de nadruk, niet de plaats waar de ramp zich afspeelde.

Het kind en de verbeeldingskracht

Het verhaal van de miraculeuze redding van het kind in de wieg is een legende die vleugels kreeg dankzij de verbeeldingskracht van schilders en schrijvers in de 19de eeuw. Dordrecht was niet langer dominant in deze voorstellingen, en soms zelfs volledig afwezig. Een silhouet duidde hooguit globaal de locatie aan waar de vloed had plaatsgevonden. Dordrecht is meestal slechts een stip aan de horizon.

Het kind in de wieg werd een pars pro toto voor de Sint-Elisabethsvloed. Meer dan feiten voedden de geschreven en verbeelde verhalen de herinnering aan de overstroming. Daarvóór was het kind in de wieg altijd een narratief element geweest dat eender welke vloed kon vertegenwoordigen. In de 19de eeuw werd dit verhaal uniek voor de Sint-Elisabethsvloed. Tegenwoordig is het kind in de wieg daarom eerder een geschikt symbool voor de mythevorming rond deze “bekendste middeleeuwse overstroming” dan voor de historische gebeurtenis zelf.


Meer lezen?

Bij de tentoonstelling Elisabeth en de Vloed verschijnt een bundel met artikelen over de Sint-Elisabethsvloed in de culturele verbeelding, getiteld De grote en vreeselike vloed (2021).

Zie ook:

  • Marieke van Delft en Reinder Storm, De geschiedenis van Nederland in 100 oude kaarten (Tielt 2019).
  • Judith Pollman, “Of Living Legends and Authentic Tales: How to Get Remembered in Early Modern Europe.” Transactions of the RHS 23 (2013): 103-25, vooral pp. 108-115. [jstor]
  • J. Treuherz, “The cat and the cradle.” The Journal of The Warburg and Courtauld Institutes 46 (1983): 240-42. [jstor]
  • J.M. de Groot en J.J. Heij, Dordrecht in voor- en tegenspoed: de wandschilderingen van Reinier Kennedy in het Raadhuis te Dordrecht (Dordrecht 1976).
  • H. van de Waal, Drie eeuwen vaderlandsche geschied-uitbeelding, 1500-1800: een iconologische studie (Den Haag 1952), vooral pp. 255-58 [dbnl]

Ik schreef vaker artikelen over de Sint-Elisabethsvloed op deze website, zoals ‘De betekenis van de Sint-Elisabethsvloed‘ en ‘Naastenliefde na de Sint-Elisabethsvloed‘. Ook waren andere overstromingen onderwerp van blogposts, zoals die in het rivierengebied in de winter van 1740-41 en in 1860.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Back to Top