Intensieve toepassing
Wie vaker artikelen op deze website leest, kent inmiddels mijn voorkeur voor beduimelde middeleeuwse boeken. Hoe zwaarder gehavend, hoe mooier ik het vind. In de abdijbibliotheek van Sankt Gallen bevindt zich een dergelijk beschadigd getijdenboekje (Codex Sang. 470). Uit allerlei sporen blijkt dat het veelvuldig is gebruikt. Vroegere eigenaars raakten het bijvoorbeeld geregeld aan, voegden objecten toe, schreven teksten bij en ‘beschadigden’ zo het boek. Toch is het juist deze intensieve toepassing waaraan het object zijn bijzondere charme dankt. Hierdoor zien we namelijk hoe opeenvolgende bezitters het boek voor persoonlijk gebruik geschikt maakten. Iedere eigenaar deed dat vervolgens op heel eigen wijze.

Veronica
In de catalogus van de Stiftsbibliothek gaat de aandacht vooral naar de spaarzame verluchting van het boek, in het bijzonder naar een initiaal met een voorstelling van Veronica.
The miniature on p. 24, representing St. Veronica with the veil, is particularly noteworthy. Christ’s face was later damaged.
– e-codices – Virtual Manuscript Library of Switzerland
De vrouw Veronica houdt een wit laken omhoog met daarop een portret van Jezus. Met dat stuk textiel had hij zijn bezwete gelaat gedept, toen hij onderweg was naar de berg Golgotha om daar gekruisigd te worden. Toen Veronica de geleende lap terugkreeg, had Jezus daarop een afdruk van zijn gezicht achtergelaten. Al in de middeleeuwen bewaarde men in Rome een weefsel waarvan men geloofde dat het de Veronicadoek was. Na enkele omzwervingen zou het in de eeuwige stad terechtgekomen zijn. Natuurlijk was die doek een geliefd reliek. Nog steeds kunnen pelgrims het in de Sint-Pieter bezoeken als een voorstelling van Jezus die niet door mensen gemaakt is, maar door Jezus zelf tot stand gebracht.

Afbeeldingen van dedoek brachten dus de lijdensweg van Jezus in herinnering. Op dat moment was het reliek immers ontstaan, althans de afdruk van Jezus’ gelaat erop. Tegelijkertijd wees de voorstelling van Jezus’ gezicht vooruit naar het Laatste Oordeel. Het deed de beschouwer denken aan de confrontatie met Christus in het hiernamaals, als hij zijn oordeel over de mensen zou uitspreken. Dan zou hij zijn gelaat wel of niet afwenden en zo zijn oordeel kenbaar maken. Al deze associaties – met lijdensweg en Laatste Oordeel – maakte het gelaat van Christus tot een betekenisvolle en religieus beladen beeltenis die graag in gebedenboeken werd afgebeeld.
Slijtage
De slijtagesporen aan de initiaal bevinden zich bijna uitsluitend op Christus’ gezicht. Een eigenaar raakte het zo vaak aan dat de verf van ogen, voorhoofd en wangen van Christus zijn verdwenen. Ook het goud waarmee het kruis achter het hoofd is geschilderd, ging links en rechts bijna helemaal verloren. Daarentegen bleef Veronica, die de doek ophoudt, gespaard.
De sporen laten zien dat een boekeigenaar – of meerdere eigenaars – de schildering veelvuldig aangeraakt zal hebben. Deze was daarbij volledig gericht op het gelaat van Christus. Door het gezicht te beroeren, hoopte deze mogelijk ook spiritueel met hem in contact te komen.
Maar dit zijn uiteraard niet alle sporen van gebruik die we in het boek vinden.
Insignes
Aan het einde van het boek zit een lege pagina, gevuld met kleine doorboringen. Kennelijk was hier ooit iets op het perkament vastgenaaid.

Afdrukken zijn vooral zichtbaar aan de bovenzijde van de pagina.
Hoewel de afdrukken van reliëf licht zijn, durf ik te stellen dat het om gestanste insignes ging. Allereerst zitten de naaigaatjes op dusdanige manier verspreid over de pagina dat het wel meerdere objecten moeten zijn geweest. Bovendien zitten de gaatjes veelal twee aan twee, één binnen en één buiten de rand van de objecten die er nu niet meer zijn. In combinatie met lichte afdrukken van reliëf blijkt dat het om vijf ronde voorwerpen ging en één langwerpig. Die vormen wijzen op gestanste insignes. De vastgezette insignes waren voorzien van gaatjes waar de draad doorheen kon, zoals te zien is bij ingenaaide insignes in een getijdenboek voor Angers.

Ten slotte hadden de objecten stuk voor stuk afmetingen die voor insignes gebruikelijk zijn, variërend tussen 15 en 35 mm in doorsnede.
Gestanste insignes waren meestal rond, zoals die van Notre Dame du Chemin. Immers, deze vorm was makkelijk te produceren in de stanstechniek. Slechts één van de insignes had een afwijkende vorm. In tegenstelling tot de anderen was deze langwerpig met een afgeronde of spitse bovenkant. ook deze vorm is wel bekend van gestanste tekens, vooral van insignes van de heilige Adrianus van Geraardsbergen.
Meer gebruikssporen
Naast de initiaal en de insignes bevat het boek nog meer sporen van intensieve toepassing. Deze verraden dat het boek lang in gebruik bleef.

Een van de opvallendste toevoegingen is het satorvierkant. Dit is een palindroom met vóórchristelijke wortels waaraan in de vroege middeleeuwen ook een christelijke uitleg werd gegeven. Aan de woorden werd een zelfde krachtige werking toegekend als bijvoorbeeld aan de woorden van het Johannesevangelie, dat op een prominente plaats voor in het boek aanwezig is.
Charmant zijn tot slot de talrijke verwijzingen naar andere folio’s. Zo schreef een eigenaar bij de rode woorden steeds een folionummer. Die korte teksten in rood zijn ‘rubrieken’, van het Latijnse woord ruber dat rood betekent. Hiermee werden allerlei afgekorte antifonen, verzen en gebeden aangekondigd, die de lezer vervolgens uit het hoofd moest aanvullen.
Met het toegevoegde folionummer verwees een latere boekeigenaar naar de plaats in dit boek waar de uitgeschreven tekst te vinden is. Ter illustratie, op folio 43 (nu p. 108, zie hieronder) staat achter de rubrieken een verwijzing naar de folionummers met de volledige teksten van antifoon, vers en gebeden (oratio, alia en alia), namelijk folio 34 (nu p. 90) en folio 38 (nu p. 97).

Met de kruisverwijzingen kon de gebruiker nu snel heen en weer in het getijdenboek zonder eindeloos te hoeven bladeren. De folionummers zijn daarmee heel praktische toevoegingen. Kortom, de eigenaar paste het boek aan, zodat het makkelijk in gebruik werd.
Omzwervingen
Het boek werd gemaakt in Noord-Frankrijk of Brabant. Indicatief is de met rood geaccentueerde feestdag van de heilige Nicasius (14 december) die wijst op gebruik in het bisdom Doornik. Na het evangelie volgen drie gebeden tot vrouwelijke heiligen: Barbara, Margareta en Anna. Mogelijk wijst dit op een vrouwelijke opdrachtgever, al staat dit geenszins vast. In ieder geval was Margareta geliefd als patroon van zwangere vrouwen en werd ze vaak aangeroepen door vrouwen met een kinderwens. Anna, moeder van Maria en grootmoeder van Jezus, stond vooral bekend als beschermster van gezinnen.
Sporen van meerdere gebruikers uit de 15de en 16de eeuw laten zien dat het handschrift lang een intensieve toepassing gekend heeft, te beginnen met de initiaal van Veronica. Deze is versleten door veelvuldige aanraking. Daarmee verraadt het een nauwe band tussen de gebruiker en deze voorstelling.
Bovendien bevestigde een eigenaar rond 1500 6 insignes aan een lege pagina. Mogelijk nam deze de insignes mee van zelf ondernomen bedevaarten. Misschien waren het geschenken. De toevoeging aan het boek zorgden er in ieder geval voor dat de fragiele (want gestanste, niet gegoten) insignes bewaard bleven. De bevestiging aan de pagina beschermde ze tegen verlies en beschadiging. Althans, totdat een latere eigenaar ze weer verwijderde.
Rommelig en geliefd
Het resultaat van de intensieve toepassing, die zeker tot in de 16de eeuw voortduurde, is een boek dat op het eerste gezicht nogal rommelig aandoet. Desalniettemin verraden de talrijke beschadigingen veel over de manier waarop opeenvolgende eigenaars het boek gretig toepasten. Om de beurt koesterden ze het boek, enerzijds vanwege reeds aanwezige onderdelen, zoals de Veronica-miniatuur, anderzijds door nieuwe toevoegingen die het boek beter lieten aansluiten bij de veranderende religieuze wensen.
Meer lezen?
- Beat Matthias von Scarpatetti, Die Handschriften der Stiftsbibliothek St. Gallen, deel 2, afl. III/2: Codices 450-546: Liturgica, Libri precum, deutsche Gebetbücher, Spiritualia, Musikhandschriften 9.-16. Jahrhundert (Wiesbaden 2008), pp. 63-66.
- Hanneke van Asperen, Silver Saints: Prayers and Badges in Late Medieval Books (Turnhout 2021), vooral pp. 27-47 en 52-56.