Kleine toevoeging, grote betekenis
De naam Anna Sibilla Sieberink enkele malen voor in de bevolkingsregisters van Nijmegen. Omdat ze samenwoont met kunstschilder Henricus Franciscus Wiertz is zij te identificeren als Anna Sibilla Siemerink die in 1834 met Wiertz trouwt. Al de tijd dat het echtpaar samen is, staat in de Nijmeegse registers vermeld dat hij kunstschilder is. Wanneer het echtpaar een pand aan de Ganzenheuvel betrekt, wordt in de kolom beroep de afkorting “id.” toegevoegd aan haar naam. Het is een kleine toevoeging, maar wel één van grote betekenis, want de afkorting, afkomstig van het Latijnse idem (“hetzelfde”) duidt er namelijk op dat ook zij kunstschilder is.
Wiertz-Siemerink
Volgens de Nijmeegse bevolkingsregisters is Siemerink geboren in Amsterdam in 1790. Dat klopt waarschijnlijk niet helemaal: de katholieke Anna Sibilla Siemerink wordt namelijk op 1 mei 1791 gedoopt, zo blijkt uit het doopboek van de Mozes-en-Aäronkerk te Amsterdam.[1] Getuigen daarbij zijn Antoni Baan en Anna Sibilla Plagge. Laatstgenoemde is de moeder van Gerardus Joannes Siemerink, zo blijkt uit de huwelijksakte van Siemerink en Baan waarbij moeder ook aanwezig is.[2] Anna Sibilla Siemerink wordt dus vernoemd naar haar oma.

Wanneer het huwelijk tussen Wiertz en Siemerink plaatsvindt, is hij weduwnaar.[3] Hij is namelijk eerder getrouwd geweest met Jacoba Kok. Wanneer Wiertz in 1810 trouwt met Kok woont hij “in d’Amstelstraat by de blauwbrug” in Amsterdam. In datzelfde jaar exposeert Wiertz ook voor de eerste maal op een tentoonstelling van levende meesters in Amsterdam.[4] Dan staat bij zijn naam tevens een adres: “in de Amstelstraat, by den Binnen-Amstel, No. 46”.
Binnen niet al te lange tijd na hun bruiloft verlaat het echtpaar Wiertz-Kok Amsterdam echter en trekt het naar het oosten van het land. Bij zijn volgende deelname aan een tentoonstelling van levende meesters in Amsterdam, in 1816, woont de schilder immers in Nijmegen.[5]
Omstreken van Nijmegen
Vanaf dat moment exposeert Wiertz geregeld Gelderse landschappen, bijvoorbeeld in Amsterdam 1818 en in Amsterdam 1820. In Den Haag 1821 exposeert de schilder “Een gezigt in den omtrek van Nijmegen” en “een gezigt van een gedeelte der Stads Wal”, ook in Nijmegen. In 1826 exposeert Wiertz bovendien vier werken in Amsterdam, twee maal een “Gezigt in de ommestreken van Nijmegen” en twee maal een “Geldersch landschap” volgens de catalogus.[6]

Ook ontwerpt Wiertz een vignet met de Nijmeegse Barbarossakapel dat de titelpagina siert van Ten Hoets Het Geldersch Lustoord of beschrijving van de stad Nijmegen en derzelver omstreken, uitgegeven in 1825. Wiertz’ tekeningen vinden dus gretig aftrek in zijn nieuwe woonplaats en Nijmegen en omgeving gaan zelfs hoofdrol in zijn werk spelen.
Twee kunstschilders
Kort na de verhuizing naar Nijmegen overlijdt Wiertz’ eerste vrouw, op 26 juni 1818 en in 1834 hertrouwt Wiertz dus met Anna Sibilla Siemerink.[7] Het echtpaar Wiertz-Siemerink gaat eerst wonen op het adres Grootestraat 268.[8] Daar staat Siemerink dan nog vermeld zonder beroep. Samen verhuist het koppel vervolgens naar Ganzenheuvel 480 waar Siemerink voor het eerst (en laatst) als kunstschilder in de registers wordt opgevoerd met de afkorting “id”, dat “hetzelfde” betekent. Met andere woorden, zij heeft hetzelfde beroep als haar man.
Wiertz zet zijn artistieke productie ondertussen onverminderd voort. Van 1818 tot 1848 is zijn werk bijvoorbeeld op elk van de tweejaarlijkse tentoonstelling van levende meesters in Amsterdam te vinden, met uitzondering van de jaren 1834 en 1838. Ook in Den Haag is zijn werk geregeld te vinden. Meer dan dat, na zijn huwelijk met Siemerink lijkt de productie van Wiertz zelfs toe te nemen. Vanaf dat moment gaat hij ook veelvuldig buiten Den Haag en Amsterdam exposeren wat hij voor die tijd nog nauwelijks doet. In Amsterdam en Den Haag is zijn werk met afstand het vaakst te vinden, maar daarnaast exposeert Wiertz in Rotterdam (1840, 1850), Utrecht (1841, 1843, 1848), Nijmegen (1841, 1846), Zwolle (1842, 1844) en Groningen (1845, 1849).[9] Siemerink is echter op al deze tentoonstellingen niet aanwezig.
Eigen schilderijen
De toevoeging dat ook Siemerink kunstschilder is, lijkt erop te wijzen dat zij een actieve rol speelt in het schildersatelier aan de Ganzenheuvel. Een tweede schilder op het adres past in het plaatje, want Wiertz kan een extra paar gekwalificeerde handen waarschijnlijk goed gebruiken om zijn productie op peil te houden. Dat Wiertz’ echtgenote daaraan bijdraagt, ligt voor de hand, want uit recent onderzoek is meermaals gebleken dat vrouwen vaak een helpende hand toestaken in het familiebedrijf.[10]
Dat Siemerink kunstschilder genoemd wordt, net als haar echtgenoot, duidt echter op een grotere verantwoordelijkheid dan die van assistente. Het is goed mogelijk, zelfs waarschijnlijk, dat Siemerink haar eigen schilderijen en tekeningen maakt en die ook verkoopt. Daarmee rijst het vermoeden van een dubbelatelier waarin Wiertz en Siemerinck als gelijke partners samenwerken.
Weduwe
Na een verhuizing naar de Korenmarkt overlijdt Wiertz, op 7 juli 1858.[11] Dan laat Anna Sibilla Siemerink een overlijdensadvertentie plaatsen waarin ze spreekt van “eene gelukkige Echtvereeniging van bijna 24 jaren.” In die 24 jaar, waarin Wiertz als kunstschilder bijzonder productief is, werken Wiertz en Siemerink waarschijnlijk zij aan zij als kunstenaars, ook al is daarvan bijna niets terug te vinden in de archieven.

Kort erna later verlaat Siemerink het adres aan de Korenmarkt. In september van dat jaar woont er namelijk een gepensioneerd ambtenaar met zijn gezin op haar oude adres. Siemerink verhuist dan naar de Korte Burchtstraat 9 waar ze intrekt bij Margaretha van der Voren, weduwe van de Nijmeegse schilder Gerrit Arnoldus van Merkensteijn.[12] Dit is waarschijnlijk Gerardus van Merkensteijn van wie er op 9 april 1852 een schilderstuk met de voorstelling van een dorpsschool bij kaarslicht verloot wordt. Het schilderij is “gunstig bij kunstkenners bekend” volgens Provinciaal Geldersche en Nijmeegsche courant (10 april 1852).
Laatste wil
Vijf jaar na Wiertz’ overlijden verschijnt Siemerink voor notaris Aldus met een document “welk papier zij verklaarde dat haren eigenhandig geschreven en geteekenden uitersten wil bevat”.[13] De wilsbeschikking, met drie lakzegels gesloten, bevat enkele opdrachten: aan haar schoonzus laat Siemerink tweehonderd gulden en ook haar kleren. Aan een neef schenkt ze eveneens tweehonderd gulden, net als aan haar schoonzus. Aan een andere neef schenkt ze bovendien twee familieportretten die zich “ter mijnen huize” bevinden, het zilverwerk, een vuurscherm en een pendule.
Van de familieportretten wordt niet vermeld wie de maker is. Ze kunnen van de hand van Siemerink zijn, maar evengoed van iemand anders. Naast de portretten laat Siemerink geen schilderijen of andere kunstwerken na. Wel laat de wilsbeschikking zien dat Anna Sibilla Siemerink niet onbemiddeld is.


Tot slot bevat het document een laatste clausule met betrekking tot de weduwe Van Merkensteijn. Als Siemerink tot haar dood bij de weduwe mag blijven wonen, krijgt deze de vloerkleden, de gordijnen en de kachel. Het betekent waarschijnlijk dat Siemerink nog vijf jaar aan de Korte Burchtstraat verblijft, tot haar sterfdag op 28 januari 1868.[14]
Alomtegenwoordig en onzichtbaar
Behalve uit die kleine toevoeging van twee letters “id” aan de ene akte blijkt verder uit niets dat Anna Sibilla Siemerink een opleiding heeft gehad als kunstschilder of als zodanig werkzaam is geweest. Toch doet de afkorting sterk vermoeden dat Siemerink een zelfstandige carrière als kunstschilder heeft. Het is zelfs waarschijnlijk dat Siemerink ook schilderijen maakt.
Ondanks het feit dat de speurtocht naar de schilderkunstige activiteiten van Siemerink (nog) geen werk heeft opgeleverd dat aan haar kan worden toegeschreven, geeft de opmerking in de archieven dat zij kunstschilder is, wel een signaal. Hieruit blijkt wederom hoe weinig soms gedocumenteerd is over de rol van vrouwen in de dagelijkse beroepspraktijk, ook al zijn ze alomtegenwoordig. Twee kleine lettertjes ontsnappen snel aan de aandacht. Toch kan zoiets kleins ook een eyeopener zijn.
Het blijft dus zoeken: naar acndere vrouwen die onder de radar bleven. Bovendien circuleren er mogelijk nog ergens schilderijen met de signatuur van Siemerink. Wellicht dat we na deze ontdekking van Siemerink als kunstschilderes zelfs anders naar het werk van Wiertz moeten kijken. Misschien circuleren er schilderijen van hem waaraan ook zijn echtgenote heeft gewerkt. Is daarin wellicht iets van haar terug te zien?
Noten
[1] Stadsarchief Amsterdam (hierna: SA), archief 5001, inv.nr. 313, 1 mei 1791, DTB Dopen, aktenr. DTB 313, p. 140 (folio 71v), nr.4 [scan SA].
[2] SA, archief 5001, inv.nr. 758, 23 april 1790, Ondertrouwregister, p.110 [scan SA].
[3] Gelders Archief te Arnhem (hierna: GA), archief 0207, inv.nr. 1091.03, aktenr. 136: 26-11-1834 [scan GA].
[4] Voor de ondertrouwakte, zie SA, archief 5001, inv.nr. 659, p. 528: 17 augustus 1810 [scan SA]. Cat. Amsterdam, Lijst der kunstwerken van nog in leven zynde Hollandsche Meesters, welke tot de Algemeene Tentoonstelling van 1810 zyn toegelaten (Amsterdam: H. van Munster en Zoon, 1810), p. 5, nr. 35 [RKD Library].
[5] Cat. Amsterdam, Lijst der kunstwerken van nog in leven zijnde Nederlandsche meesters, welke zijn toegelaten tot de tentoonstelling van den jare 1816 ([Amsterdam], 1816), p. 17, nrs. 195-196 [RKD Library]. Op deze tentoonstelling exposeert ook Cornelia Maria Haakman over wie ik eerder de post ‘Verlies voor de kunst’ schreef.
[6] Cat. Amsterdam, Lijst der kunstwerken van nog in leven zijnde Nederlandsche meesters, welke zijn toegelaten tot de tentoonstelling van den jare 1818 ([Amsterdam], 1818), p. 31, nr. 295. [RKD Library]; cat. Amsterdam, Lijst der kunstwerken van nog in leven zijnde Nederlandsche meesters, welke zijn toegelaten tot de tentoonstelling, van den jare 1820 ([Amsterdam], 1820), p. 24, nr. 428 [RKD Library]; Cat. Den Haag, Lijst der schilder- en kunstwerken van nog in leven zijde meesters en kunstliefhebbers, welke zijn toegelaten tot de tentoonstelling in ’s Gravenhage gedurende de Maand October 1821 (Den Haag: Susan en Zoon, 1821), z.p., nrs. 472-473 [RKD Library]; cat. Amsterdam, Lijst der kunstwerken van nog in leven zijnde Nederlandsche meesters, welke zijn toegelaten tot de tentoonstelling van den jare 1826 ([Amsterdam], 1828), p. 24, nrs 472-475 [RKD Library].
[7] Voor de overlijdensakte, zie GA, archief 0207, inv.nr. 1266.03, aktenr. 215: 26-06-1818 [scan GA].
[8] Zie achtereenvolgens: Regionaal Archief Nijmegen (hierna: RAN), archief 679, inv.nr. 32869, 1850, Wijk D, deel 4, huisnummers 257 – 364, folio 25 [scan RAN]; RAN, inv.nr. 32873, 1850, Wijk D, deel 8, huisnummers 677 – 735, schippers, vervolgbladen, folio 95 [scan RAN].
[9] Werk van Wiertz wordt bijvoorbeeld vermeld in de volgende tentoonstellingscatalogi:
- Cat. Rotterdam, Tentoonstelling van schilder- en kunstwerken van levende Meesters, te Rotterdam voor den Jare 1840 ([Rotterdam], 1840), p. 12, nr. 275. [RKD Library]
- Cat. Nijmegen, Tentoonstelling van kunstwerken van levende meesters te Nijmegen 1841 (Nijmegen: C.A. Vieweg, 1841), p. 11, nrs. 121-123. [RKD Library]
- Cat. Utrecht, Doorloopende Tentoonstelling van Schilderijen, Teekeningen en andere voorwerpen van Beeldende Kunst. Singel Lr. I. Nr. 235-238 ([Utrecht], 1841), p. 13, nr. 72. [RKD Library]
- Cat. Zwolle, Lijst der schilder- en kunstwerken door nog in leven zijnde Nederlandsche meesters vervaardigd, welke zijn toegelaten tot de tentoonstelling te Zwolle, van den jare 1842 (Zwolle: J.J. Tijl, 1842), p. 16, nr. 171. [RKD Library]
- Cat. Nijmegen, Tentoonstelling van schilderijen van levende meesters te Nijmegen, 1843 (1843).
- Cat. Zwolle, Lijst der schilder- en kunstwerken door nog in leven zijnde Nederlandsche meesters vervaardigd, welke zijn toegelaten tot de tentoonstelling te Zwolle, voor den jare 1844 (Zwolle: J.J. Tijl, 1844), p. 18, nr. 200. [RKD Library]
- Cat. Groningen, Lijst van schilderijen van levende Nederlandsche meesters, waarvan de tentoonstelling zal plaats hebben te Groningen, van wege het Kunstlievend Genootschap, ter aanmoediging en bevordering van teeken- en schilderkunst, onder den naam: Pictura te Groningen (Groningen: Wedw M. van Heijningen Bosch en Zoon, 1845), p. 19, nr. 250. [RKD Library]
- Cat. Utrecht, Tentoonstelling van schilderijen van levende meesters te Nijmegen, 1846 (1846); cat. Utrecht, Tentoonstelling van schilder- en kunstwerken van levende meesters, te Utrecht, in 1848 (Utrecht: L.E. Bosch en Zoon, 1848), p. 30, nr. 296. [RKD Library]
- Cat. Groningen, Lijst van schilderijen van levende Nederlandsche meesters, waarvan de tentoonstelling zal plaats hebben van wege het kunstlievend genootschap ter aanmoediging en bevordering van teeken- en schilderkunst, onder den naam: Pictura, te Groningen (Groningen: P.W. van Heijningen Bosch, 1949), p. 23, nrs. 255-257. [RKD Library en Google Books]
- Cat. Rotterdam, Tentoonstelling van schilder- en kunstwerken van levende Meesters, te Rotterdam voor den Jare 1850 ([Rotterdam], 1850), p. 19, nrs. 375-376. [RKD Library]
[10] Lees bijvoorbeeld Marleen Puyenbroek, ‘Dynamic Partnership. The work of married women in Dutch seventeenth-century artists’ households.’ In Women. Female Roles in Art and Society of the Netherlands, 1500-1950, ed. Judith Noorman, Thijs Weststeijn en Elizabeth Alice Honig (Leiden: Brill, 2024), p. 106-133 [PDF].
[11] Van de Ganzenheuvel verhuist het echtpaar naar de Korenmarkt 329. Zie RAN, inv.nr. 32873, 1850, Wijk D, deel 8, huisnummers 677 – 735, schippers, vervolgbladen, folio 107 [scan RAN]. Voor de overlijdensakte, zie GA, archief 0207, inv.nr. 1282.03, 07-06-1858, Nijmegen, Overlijdensregister, aktenr. 337 [scan GA].
[12] RAN, archief 679, inv.nr. 32841: Wijk A, deel 1, huisnummers 1 – 90, folio 16 [scan RAN].
[13] Voor het testament, zie RAN, archief 439: Notaris C. Aldus, Nijmegen 1856-1871, inv.nr. 43, aktenr. 181, 10/12/1863 [scan RAN].
[14] GA, archief 0207, inv.nr. 1286.03, 28-01-1868, Nijmegen, Overlijdensregister, aktenr. 56 [scan GA].