Over
Door archiefmateriaal te bevragen en visuele bronnen opnieuw te interpreteren, zoek ik naar alternatieve geschiedenissen die de dominante verhalen uitdagen en verrijken. In de loop der jaren zijn mijn interessegebieden gegroeid en is mijn blikveld verruimd. Mijn werk beweegt zich inmiddels tussen vrouwen in de kunstgeschiedenis en middeleeuwse insignes, steeds gedreven door een fascinatie voor wat buiten het blikveld valt.
Vrouwelijke kunstenaars
In de 19de eeuw waren veel vrouwen actief als kunstenaar. Ze schilderden, tekenden of beeldhouwden, exposeerden en verkochten hun werk. Sommige van hen waren geliefd bij kopers en critici. Toch zijn de meeste weer vergeten, terwijl ze niet onderdeden voor hun mannelijke collega’s. Hun werk is niet of nauwelijks te vinden in musea en openbare collecties, al komt daar gelukkig verandering in.

Kaart van de Rotterdamse schilderes Jacoba A. de Graaff, bewijs van deelname aan tentoonstelling in Amsterdam 1883. Bron: Rotterdams Archief
Ik schreef over de Rotterdamse kunstenares Jacoba de Graaf in ‘Moeder der Rotterdamse schilders’.
Op deze website probeer ik deze vrouwelijke stemmen en verhalen te laten horen. Daarbij leg ik een uitgesproken voorkeur aan de dag voor diegenen die buiten de canon vallen. De canon is namelijk geen neutraal geheel, maar een zichzelf bevestigend systeem dat uitsluiting in de hand werkt. Daarom zoek ik bewust in de marges. Door niet-vertelde verhalen op te schrijven, wil ik bijdragen aan een inclusievere en eerlijkere representatie van kunstenaars.
Ondertussen geniet ik ervan om onderbelichte kunstenaars een podium te geven. Zo wist ik bijvoorbeeld tekeningen van de jong gestorven Hendrika van der Tand en de eveneens onbekende Dina Antonetta Soomer te achterhalen. Ook kon ik de naam van de Haarlemse kunstenares Jacoba Bosscha koppelen aan anonieme illustraties in populaire jeugdboeken. Daarnaast schreef ik over uiterst succesvolle kunstenaressen die mijns inziens te weinig aandacht krijgen in de huidige tijd, onder andere Adriana van Ravenswaay, Marie Wuytiers en Maria Zubli-van den Berch van Heemstede. Het liefst zou ik ze hier allemaal noemen, maar daarvoor schiet de ruimte tekort.
Met artikelen over deze creatieve vrouwen wil ik niet alleen hun werk opnieuw zichtbaar te maken. Ik hoop ook beter te begrijpen welke mechanismes ertoe hebben geleid dat veel van hen sneller in de vergetelheid raakten dan hun mannelijke collega’s. Bovendien, en belangrijker nog, leveren hun geschiedenissen een ander beeld van kunst en kunstenaarschap dan die van hun mannelijke collega’s en daardoor ontstaat vanzelf een rijker en genuanceerder perspectief op de kunstgeschiedenis.
Over bedevaarten en insignes

Aan mijn liefde voor vrouwelijke kunstenaars is veel vooraf gegaan. Na mijn studie kunstgeschiedenis in Nijmegen begon ik mijn professionele loopbaan als wetenschappelijk medewerker aan Kunera, een database van middeleeuwse insignes en ampullen. Deze digitale verzameling projecteert vind- en herkomstplaatsen op geografische kaarten, en maakt zo zichtbaar hoe insignes zich verspreidden, waar pelgrims vandaan kwamen en hoe ver zij reisden voor een cultus. Kortom, Kunera toont de dynamiek van de middeleeuwse wereld, een onderwerp waarover ik recent nog schreef in Camino de Santiago in 101 voorwerpen (2026).
In 2009 promoveerde ik aan de Radboud Universiteit in Nijmegen op ingenaaide bedevaartsouvenirs en religieuze insignes in laatmiddeleeuwse boeken. Over dit onderwerp verscheen onlangs mijn Engelstalige monografie Silver Saints.
Pelgrimstekens blijven een belangrijk onderdeel van mijn werk. Ik schrijf met plezier over exemplaren uit Scheut bij Brussel, Aardenburg of Aarschot. Mijn interesse reikt echter verder dan bedevaartsouvenirs. Ook andere middeleeuwse insignes trekken mijn aandacht en vormen een bron van inspiratie.
Over liefde en liefdadigheid
Na mijn promotie in 2009 zocht ik verbreding, dus ging ik aan de slag als postdoc onderzoeker bij de Universiteit van Tilburg. Daar verdiepte ik me in voorstellingen van liefde en liefdadigheid vanaf de late middeleeuwen tot in de 19e eeuw. Onder andere schreef ik over de caritasfiguur in het wereldberoemde fresco Allegorie van Goed Bestuur, geschilderd door Ambrogio Lorenzetti in Siena (1337-1339). De vrouwelijke personificatie van naastenliefde speelt een centrale rol in de compositie, maar wordt naar mijn idee vaak over het hoofd gezien. Ten onrechte, want haar prominente aanwezigheid is essentieel voor het morele en politieke programma van het fresco.
In een ander artikel richtte ik bijvoorbeeld me op de beeldtaal van façades van weeshuizen in de Nederlandse Republiek. Daarin onderzocht ik hoe de bestuurders hun stad presenteerden als zorgzame moeder, verantwoordelijk voor haar behoeftige inwoners.

Gebeeldhouwde decoratie met caritasfiguur boven de ingang van het voormalige Heilige Geestweeshuis aan de Hooglandse Kerkgracht in Leiden. Bron: Erfgoed Leiden.
Over rampen en natuurgeweld
De stap van liefde en liefdadigheid naar rampen en natuurgeweld was klein. Daarom sloot ik me als postdoc onderzoeker aan bij het NWO Vici-project ‘Dealing with Disasters: The Shaping of Local and National Identities in the Netherlands, 1421-1890’ van prof. dr. Lotte Jensen. Binnen dit interdisciplinaire onderzoek richtte ik me op visuele representaties van rampen die door natuurgeweld werden veroorzaakt of verergerd. Het visuele materiaal, de kunstwerken, staat daarbij altijd centraal. Er valt zo veel te ontdekken door ‘gewoon’ goed te kijken.
Kunstwerken zijn nooit objectieve ooggetuigenverslagen. Ze bieden altijd een gekleurde, vaak symbolisch geladen blik op historische gebeurtenissen. Juist die subjectieve verbeelding maakt ze waardevol voor een beter begrip van collectieve verwerking en identiteitsvorming. Mijn nieuwe interpretaties van zowel beroemde als minder bekende rampvoorstellingen laten zien hoe gemeenschappen omgingen met ingrijpende gebeurtenissen die hun sociale en morele fundamenten op de proef stelden.
Meester van de Heilige Elisabeth-Panelen, De Sint-Elisabethsvloed (detail), olie op paneel, ca. 1490-1495. Amsterdam, Rijkmuseum. Bron: Rijksstudio.

Binnen het project bestudeerde ik uiteenlopende visuele representaties van rampen, waaronder stadsbranden en overstromingen, zoals de panelen van de Sint-Elisabethsvloed. Klik hier voor een grote afbeelding. Ook voorstellingen van epidemieën trokken mijn aandacht. Zo analyseerde ik het schilderij dat Theodoor van der Schuer in 1682 maakte voor het pesthospitaal in Leiden. Hoewel dit werk vaak wordt geïnterpreteerd als een interieurbeeld, betoogde ik in Journal of Historians of Netherlandish Art dat het in feite een gelaagde allegorie is over menselijke afhankelijkheid en kwetsbaarheid.
Naast geschilderde werken onderzocht ik ook prenten, zoals die over de Allerheiligenvloed in 1675 en die van de brand in de Amsterdamse schouwburg in 1772. Beide beelden bevatten meer dan op het eerste gezicht lijkt. Over deze prenten schreef ik afzonderlijke artikelen: het eerste verscheen in Dutch Crossing, het tweede in Visual Resources.
Een centrale vraag was steeds: waarom de ramp is afgebeeld zoals deze is afgebeeld? Wat was de functie van de voorstelling en hoe beïnvloedde die functie het visuele karakter van het werk?
Wil je meer lezen?

https://orcid.org/0000-0001-9932-4758
Kijk ook eens op mijn pagina met publicaties. Deze update ik regelmatig. Van sommige artikelen is via de site een pdf te downloaden, of je vindt een link naar een online versie. Mocht die er niet zijn, mag je altijd contact met me opnemen zodat ik je aan een tekst kan helpen. Bij de opsomming van mijn optredens in de media vind je onder andere interviews voor NRC en Vox, korte filmpjes en een podcast over de Sint Elisabethsvloed.

Volg me ook op Instagram @hanneke_vanasp voor geregelde updates.