Avond te Gorssel

Deze blogpost kwam tot stand in samenwerking met gastauteur Dr. Lesley A. Robertson FRSB van het Departement of Biotechnologie en de universiteitsbibliotheek van de Technische Universiteit Delft. De transcripties van Henriëttes dagboekfragmenten zijn van David Yarrow.

In Delft, waar ze van 1898 tot 1921 woont, leidt Henriëtte Wilhelmina Beijerinck (1847-1937) een druk sociaal leven. Allereerst is ze actief voor verschillende commissies. Daarnaast exposeert ze haar geschilderde en getekende werk met de leden van de Delftsche Kunstkring. Op de eerste van een reeks tentoonstellingen ligt onder andere een getekende voorstelling met de titel Avond te Gorssel. Het is “een prettige teekening”, schrijft een journalist van de Delftsche courant (16 mei 1907) daarover. De titel heeft bovendien een profetische waarde: Henriëtte brengt namelijk haar laatste levensjaren door in Gorssel waar ze in 1921 met haar broer en zus naartoe verhuist.

Laboratorium

In 1895 wordt Martinus Beijerinck aangesteld als hoogleraar aan de Polytechnische School te Delft (nu TU Delft). Ook dan maakt Henriëtte platen die als beeldmateriaal dienen bij de colleges en lezingen van haar broer. Sommigen ervan zijn nu in Rijksmuseum Boerhaave, maar verschillende zijn nog in het archief van Delft School of Microbiology van de TU Delft.[1]

Daarnaast levert Henriëtte ook teken- en schilderingen aan anderen dan haar broer. Bijvoorbeeld maakt ze een aquarel bij een artikel over een nieuw soort appel, genaamd de Yellow Transparent, in Tijdschrift voor Tuinbouw.[2] Arthur Ide, directeur van de G.A. van Swieten Tuinbouwschool te Frederiksoord, beschrijft de Amerikaanse appel die boomkwekers in De Bilt hebben ingevoerd. In Fredriksoord wordt de boom weer tot bloei gebracht.

H.W. Beijerinck, Yellow Transparent, gesigneerd met initialen en gedateerd in de de plaat: H W B 8/95′ (rechtsonder), steendruk, afgedrukt in Tijdschrift voor Tuinbouw 1 (1896), pl. III. Bron: Google Books

Op de “fraaie naar een teekening van mej Beyerinck vervaardigde lithografie in kleuren” wordt dan nog expliciet de aandacht gevestigd door een boekrecensent van het dagblad Limburger koerier (22 januari 1896).

Vrouwententoonstelling

In het jaar 1898, nadat ze naar Delft is verhuisd, neemt Henriëtte plaats in het plaatselijke comité der vrouwententoonstelling die dat jaar in Den Haag gehouden gaat worden.[3] De plaatselijke commissies dragen zorg voor de inzendingen uit de stad of regio, maar Henriëtte neemt niet alleen deel aan de organisatie. Ook is haar eigen werk is ook op de tentoonstelling aanwezig. Over haar tekeningen verschijnen aardige recensies, bijvoorbeeld in Belang en recht waar een journalist in lovende bewoordingen schrijft:

Onder glas wordt geëxposeerd een 3-tal waterverfteekeningen, natuurgetrouw planten weergevend, en in gebruik bij het universitair onderwijs. Mej. Beyerink is er wonderwel in geslaagd ook voor niet-ingewijden eene afbeelding te leveren, die aangenaam aandoet en een blijvenden indruk maakt.

– H. in Belang en recht 2, nr. 44 (1898) [Delpher]

Behalve de waarde als onderwijsmateriaal springt dus ook de artistieke kwaliteit van de tekening in het oog. Ook een recensent die ondertekent met de initialen J.S., waarschijnlijk te identificeren als het Amsterdamse schoolhoofd Jacob Stamperius, schrijft in Het nieuwe schoolblad:

Van mej. Beyerink liggen er eenige bijzonder fraaie teekeningen naar de natuur van wild groeiende planten; voor ’t lager onderwijs zijn deze echter minder geschikt.

– J.S. [Jacob Stamperius] in Het nieuwe schoolblad 16, nr. 34 (1898), p. 1 [Delpher]

Stamperius’ opmerking dat Henriëtte Beijerincks tekeningen niet geschikt zijn voor de lagere school wekt de indruk dat ze wel als zodanig worden gepresenteerd, maar dat is niet het geval. De tekeningen zijn immers gemaakt voor universitaire doeleinden, zoals de journalist van Belang en recht eerder terecht opmerkt. De aantekening van Stamperius zegt dus meer over het lezerspubliek van Het nieuwe schoolblad dan over de beperkingen van Henriëttes tekeningen.

Onderwijsplaten

Welke tekeningen van Henriëtte Beijerinck op de Haagse tentoonstelling liggen, of wat ze voorstellen, blijft echter een vraag. Ze worden namelijk niet genoemd in de tentoonstellingscatalogus. Wel zijn er in de collectie van TU Delft enkele gekleurde tekeningen van Henriëtte die het jaartal 1898 dragen en het is denkbaar dat deze op de expositie te zien zijn geweest.

Uit de recensies blijkt ten slotte dat Henriëttes werk op de afdeling Onderwijs ligt. Daar ligt het naast lesmateriaal van tekendocent en kunstenares Anna Adriana van Prooijen aan wie eerder al eens enkele posts op deze website gewijd waren.[4] Van Prooijen toont er proeven van haar lesmethode in het tekenonderwijs aan jonge vrouwen. Specifiek gaat het om vlakversieringen naar eigen ontwerp van haar leerlingen, zoals aan bod kwam in de blogpost ‘Kunst boven de natuur’.[5]

Henriëttes botanische onderwijsplaten, waarschijnlijk gemaakt voor het onderwijs van haar broer Martinus, liggen er dus naast gestileerde ontwerpen van decoratieve motieven, gemaakt door de leerlingen van Van Prooijen. Het getoonde werk van Henriëtte Beijerinck en Van Prooijen verschilt dus behoorlijk. Die van Henriëtte zijn het werk van haarzelf, terwijl Van Prooijen het werk van haar leerlingen toont. Henriëtte exposeert natuurgetrouwe nabootsingen van de natuur, Van Prooijen decoratieve motieven. Ten slotte zijn Henriëttes tekeningen onderwijsondersteunend, die van Van Prooijen zijn juist resultaten van onderwijs. Desalniettemin heeft het werk van beiden een directe relatie met het onderwijs.

Bacteriologisch Laboratorium

Henriëtte blijft in de jaren daarna platen voor onderwijsdoeleinden maken. Zo bevat de Kluyver Laboratorium Collectie van Technische Universiteit Delft bijvoorbeeld een aantal tekeningen die Henriëtte voorzien heeft van signatuur en latere datum, zoals een prachtige gekleurde tekening waarop de verschillende onderdelen en stadia van een aardbeiplant te zien zijn. Deze heeft Henriëtte voorzien van de datering “juni 1906”.

Henriëtte Wilhelmina Beijerinck, botanische onderwijsplaat met afbeeldingen van een aardbeiplant (Fragaria), gesigneerd en gedateerd ‘Juni 1906 HWB’ (rechtsonder), gekleurde tekening op papier. Technische Universiteit Delft, Kluyver Laboratorium Collectie, TUD452. Bron: Het Geheugen

Het blijft niet bij botanica. Naarmate haar broer zich meer gaat verdiepen in de microbiologie, gaat Henriëtte meer tekeningen maken van microscopische beelden. Dat blijkt bijvoorbeeld uit een opmerking in een gepubliceerde lezing over lichtbacteriën die Martinus Beijerinck op 17 januari 1900 in Delft heeft gehouden. Daarin verdeelt hij de lichtbacteriën op basis van hun voeding in twee groepen waarvan de eigenschappen voorgesteld zijn in vergrote tekeningen op wandplaten “door Mej. H.W. Beijerinck voor het Bacteriologisch Laboratorium vervaardigd”.[6] Daarmee verandert dus ook de aard van de voorstellingen, van voornamelijk botanisch naar meer microbiologisch.

Henriëtte Wilhelmina Beijerinck (waarschijnlijk), doorsnede van een onbekende plant, ongesigneerde onderwijsplaat, geannoteerd XLIII, ingekleurde tekening naar microscopisch beeld. Technische Universiteit Delft, Kluyver Laboratorium Collectie, TUD467. Bron: TU Delft

Het kan zijn dan Henriëtte daarbij rechtstreeks naar microscopisch beeld tekent. Het ligt echter meer voor de hand dat ze tekent naar foto’s, hoogstwaarschijnlijk gemaakt door haar zus Johanna. Zo maakt Henriëtte bijvoorbeeld een wandplaat, mogelijk dus naar een foto van Johanna, van de bacterie die verantwoordelijk is voor de stikstofbindende wortelknolletjes bij vlinderbloemigen (leguminosen) zoals de tuinboon (Vicia faba). Martinus weet deze bacterie in 1888 te isoleren. Het is een van zijn eerste bacteriologische publicaties waarmee hij meteen internationale roem verwerft.

Henriëtte Beijerinck (waarschijnlijk), doorsnede van de wortelknol van een tuinboon (Vicia faba), ongesigneerde onderwijsplaat, geannoteerd XXXXV. ingekleurde tekening naar microscopisch beeld. Technische Universiteit Delft, Kluyver Laboratorium Collectie, TUD493. Bron: TU Delft

Johanna en Henriëtte visualiseren de wetenschappelijke ontdekkingen van hun broer. Naarmate Martinus zich verder in de microbiologie verdiept, fotografeert Johanna en tekent Henriëtte dus steeds vaker organismen die niemand anders ooit eerder gezien heeft.

Flora’s schoonste kinderen

Anoniem, Henriëtte Beijerinck en haar broer Martinus aan tafel, ca. 1910. Delft, Technische Universiteit Delft. Bron: TU Delft

Naast de botanische en microbiologische onderwijsplaten maakt Henriëtte Beijerinck ook werk dat geen wetenschappelijk doel dient. Vanaf 1907 exposeert ze geregeld met de leden van de Delftsche Kunstkring. Met de andere leden van de kring, die eind 1906 is opgericht, exposeert ze bijvoorbeeld in 1907. Dan toont ze enkele stillevens en landschappen volgens Delftsche courant (16 mei 1907). Daarover schrijft de recensent: “Een prettige teekening van haar is de avond te Gorsel.” In Gorssel, waar ze met haar broer en zus een zomerverblijf heeft, brengt ze dan al geregeld tijd door, waarbij ze kennelijk ook tekent en schildert.

Aan de exposities van de Delftsche Kunstkring komt in 1913 echter een einde wanneer het tentoonstellingsgebouw aan het begijnhof wordt afgebroken volgens Delftsche courant (8 april 1913). In december 1912 en januari 1913 vindt er dan een laatste tentoonstelling plaats waaraan Henriëtte opnieuw deelneemt volgens Delftsche courant (24 december 1912). Ze toont er twee stukken:

gevende in goede stofuitdrukking en structuur eenige van Flora’s schoonste kinderen

Alleen in 1914 zijn daarna nog twee stukken van Henriëtte te zien op een tentoonstelling in Den Haag die voorafgaat aan een nationale verloting ten bate van het Nationaal Steuncomité. Talrijke kunstenaars uit heel Nederland leveren daarvoor werk aan, ook Henriëtte. Zij stuurt een schilderij met bloemen en een aquarel met een landschap. Dat zijn dus twee werken, met twee verschillende thema’s in twee verschillende technieken, die reflecteren wat Henriëtte zoal maakt: bloemen en landschappen, in olie- en waterverf.

Vrede door recht

Naast het maken van schilderijen en tekeningen, zowel voor onderwijs als daarbuiten, ontplooit Henriëtte in Delft bovendien activiteiten waarbij ze een grote maatschappelijke betrokkenheid aan de dag legt. Rond 1900 wordt ze bijvoorbeeld correspondente voor het orgaan van de Nederlandsche Vrouwenbond ter Internationale Ontwapening.[7] Deze vrouwenbond – die tevens het maandblad Vrede door Recht uitgeeft – verenigt zich in 1902 met de oudere Algemeene Nederlandsche Vredesbond tot de Algemeene Nederlandsche Bond ‘Vrede door Recht’.

Voorpagina van Vrede door recht: orgaan van den Nederlandschen Vrouwenbond ter Internationale Ontwapening, (maart 1900), p. 1. Bron: Delpher

In 1909 wordt Henriëtte bovendien lid van de Nederlandsche vereeniging tot bescherming van dieren.[8] Ze treedt zelfs op als eerste penningmeester volgens een advertentie in Delftsche courant (20 november 1909).

Dorcas

Daarnaast wordt Henriëtte Beijerinck lid van de Delftse afdeling van de vereniging Dorcas die zich inzet voor minder bedeelden, vooral door hen van kleding te voorzien. Onder andere organiseert dit vrouwengenootschap een jaarlijkse verloting van handwerk om geld in te zamelen. In mei 1912 wordt Henriëtte bovendien gekozen tot voorzitter van deze liefdadige vereniging volgens Delftsche courant (6 mei 1912).[9] Wanneer er dan in oktober een advertentie in de Delftsche courant (14 oktober 1912) verschijnt, prijkt de naam “Mej. H.W. Beijerinck” bovenaan de lijst van ondertekenende bestuursleden bij wie de loten gekocht kunnen worden.

Anoniem, Henriëtte Wilhelmina Beijerinck, ca. 1912, carte-de-visite, onderdeel van een album met portretten van bestuurders van Genootschap Dorcas Delft van 1833 tot december 1920, nr. 25. Delft, Stadsarchief Delft, 122171. Bron: Stadsarchief Delft

Henriëtte neemt het voorzitterschap op zich tot 1920.[10] In een album met portretten van bestuurders van Dorcas Delft van 1833 tot december 1920 is daarom ook een portret van haar opgenomen. Op de zevende pagina van het fotoalbum met vier cartes-de-visite per pagina, vinden we de foto van Henriëtte met haar drie medebestuursleden: M.S. Ramaer-Maas Geesteranus, C. van Buyzen-Rodenburg en M. van den Berg-Steup. Hun namen staan ook onder de genoemde advertentie voor de verloting van 1912. De foto van Fr. Grundlehner-Drost, eveneens genoemd in de advertentie, staat op volgende pagina.

Johanna

Ook Henriëttes zus Johanna roert zich in Delft. Op de bijeenkomst van de Vereeniging ter Behartiging van de Belangen der Vrouw in Rotterdam in februari 1902 spreekt bijvoorbeeld ene “Mevr. Beyerinck”.[11] In het verslag van deze vergadering staat vervolgens dat zij een gedeelte van het door haar vertaalde werk bespreekt “waarin alle verslagen en redevoeringen van het Londensche Congres van ’99 zijn neergelegd, n.l. ‘Vrouwen in de Wetenschappen'”. Ook al worden haar initialen niet genoemd, toch staat wel vast dat hier Johanna Beijerinck bedoeld wordt, die immers docente Engels is en tevens vertaalwerk doet.

Uit het bericht blijkt duidelijk dat Johanna zich betrokken voelt bij de vrouwenemancipatiebeweging. Bij deze bijeenkomst richt ze zich vooral op de betekenis van vrouwen voor de natuurwetenschappen. Het verslag gaat verder:

Na te hebben aangetoond, dat de vrouw even goed als de man voor wetenschappelijke studie en onderzoekingen geschikt is, noemde spreekster in ’t kort de vrouwen op, die hebben uitgemunt als beoefenaarsters der electrotechniek, sterrenkunde, geologie, scheikunde, physica, biologie en bacteriologie.

Johanna Beijerinck concludeert ten slotte dat de natuurwetenschappen voor vrouwen een uitgebreid arbeidsveld bieden. Wanneer ze deze woorden van haar lezing opschrijft, heeft zij mogelijk haar zus Henriëtte in gedachten. Die deelt immers de fascinatie voor botanica met haar broer. Hierover ging ook de vorige post over Beijerinck ‘Fascinatie voor botanica’.

Wereldfaam

Omdat hij bij onderzoek naar plantenziekten stuit “op een microbiologische boosdoener”, wordt Martinus in 1919 en 1920 zelfs genomineerd voor de Nobelprijs voor Scheikunde. Deze krijgt hij uiteindelijk niet, omdat zijn werk niet als voldoende scheikundig wordt gezien.[12] Echter, met een beter begrip van de implicaties van zijn wetenschappelijke onderzoek, was Martinus Beijerinck achteraf gezien wellicht in aanmerking gekomen voor de Nobelprijs voor Geneeskunde. Omdat hij de ziekteveroorzaker als een nieuw organisme duidt, kleiner dan een bacterie, wordt hij tot een van de ontdekkers van virussen beschouwd. Op 28 mei 2025 plaatste de TU Delft nog een blogpost over “Founder of virology: Martinus Beijerinck”. Om diezelfde reden horen de bacterieplaten van Martinus, nu in Museum Boerhaave, tot Nederlands Medisch Erfgoed.

Met zijn zussen aan zijn zijde groeit Martinus Beijerinck uit tot een befaamd wetenschapper. Nu nog wordt hij gezien als een van de grondleggers van de microbiologie en van de virologie, ook is dit beeld wat genuanceerd door wetenschapshistoricus Bert Theunissen. Die meende dat Martinus’ onderzoek beter begrepen kan worden “als een exponent van de nieuwe experimentele traditie in de botanie dan als voorloper van een discipline [de microbiologie] die pas veel later gevestigd raakte.”[13]

Gorssel

In 1921 komt er een einde aan het Delftse leven van Martinus, Henriëtte en Johanna, en daarmee ook de betrokkenheid van de zussen bij het verenigingsleven van deze stad. Zo eindigt bijvoorbeeld Henriëttes voorzitterschap van het genootschap Dorcas. Ook treedt ze af als penningmeester van de Nederlandsche vereeniging tot bescherming van dieren, tot verdriet van de overige bestuursleden, want, zo bericht Delftsche courant (8 maart 1922):

Het bestuur der vereeniging heeft blijkens dat verslag in het afgeloopen jaar een groot verlies te boeken, door het aftreden van mej. Beyerink, die onze stad heeft verlaten.

Uit het bericht blijkt dat Henriëtte aftreedt vanwege haar verhuizing. Na het emeritaat van Martinus in 1921 vertrekken broer en zussen uit Delft. Ze gaan naar Gorssel waar ze al enkele jaren een perceel met een zomerverblijf bezitten.[14] Hun huishoudster en gezelschapsdame Berendina Portheine, die zich in Delft al bij de Beijerincks heeft gevoegd, verhuist met hen mee.

Martinus Willem Beijerinck en Henriëtte Wilhelmina Beijerinck met Berendina Portheine (midden) in de tuin te Gorssel, ca. 1930, foto, afgedrukt in van Iterson 1940, p. 40, pl. IX (na p. 42). Collectie onbekend. Bron: Delpher

Na Martinus’ emeritaat betrekken zij een grotere woning die ze de ‘Kleine Haar’ dopen en die door Henriëtte wordt in aquarel wordt vereeuwigd. De gezamenlijke pensionering is voor Johanna echter van korte duur. Op 24 september 1923 overlijdt ze.[15] Henriëtte en haar broer blijven samen totdat ook hij overlijdt, op 1 januari 1931.[16] Dan blijven Henriëtte Beijerinck en Berendina Portheine samen achter in het landhuis.

Henriëtte Wilhelmina Beijerinck, Laan in Gorssel met de woning van de familie Beijerinck ‘Kleine Haar’, waterverf op papier, afgedrukt in van Iterson 1940, p. 40, pl. VIII. Collectie onbekend. Bron: Delpher

Medewerking

Na het overlijden van Martinus Willem Beijerinck nemen zijn naaste collega’s uit Delft het initiatief tot een gedenkboek. Daarbij roepen ze ook de hulp in van Henriëtte die aan die oproep meteen gehoor geeft:

Familiebericht in Zutphensche courant (3 januari 1931), p. 2. Bron: Delpher

De destijds eenig overlevende zuster van den geleerde. Mejuffrouw H. W. Beijerinck te Gorssel, zegde onmiddellijk haar geestelijke, zoowel als haar materieele medewerking toe en zij heeft beide ook in ruime mate geschonken.

Allereerst doet Henriëtte Beijerinck via testamentaire beschikking een ruime financiële bijdrage om de publicatie van het gedenkboek mogelijk te maken.[17] In Algemeen handelsblad (18 september 1934) wordt geëxpliciteerd om hoeveel het gaat: Henriëtte doneert via een legaat een som van 2000 gulden aan het Hoogeschoolfonds, maar geld is niet haar enige bijdrage. Ze zorgt ook voor de inhoud van het gedenkboek, allereerst door passages uit haar dagboeken aan te leveren die over Martinus gaan. Ten slotte wordt haar waterverftekening van de Kleine Haar gebruikt als illustratie.[18]

Raadselachtig

Henriëttes inspanningen voor de nagedachtenis van haar broer overstijgen het gedenkboek. Na de dood van haar broer spant ze zich in om zijn onvoltooide werk alsnog gepubliceerd te krijgen. Dat blijkt bijvoorbeeld uit brieven, bewaard in Museum Boerhaave. Onder andere stuurt Henriëtte een onvoltooid manuscript naar de Delftse wiskundige J.C. Kluyver.

Uiteindelijk verzoekt ze op 26 januari 1931 plantkundige Friedrich Went of deze Martinus’ laatste werk zou willen beoordelen.[19] Er ontspint zich een persoonlijke briefwisseling tussen Henriëtte Beijerinck en Friedrich Went waarin Henriëtte ook open over de relatie met haar overleden broer spreekt. Hoewel de liefde voor haar overleden broer overheerst, schemert ook door hoe moeilijk het soms was om met hem samen te leven:

Wij konden weinig anders doen dan heel veel van hem houden en hem bijstaan waar wij konden, wat maar zeer zelden gebeurde. Verder hem het gewone leven zoo goed en gemakkelijk mogelijk te maken wat hij dan ook te volle verdiende, want hij is naar mijne zuster en mij altijd een goeden broeder geweest die alles voor ons overhad. Maar wij ook naar hem, want zijn natuur was zacht, onbaatzuchtig en edel in alle levensomstandigheden.

– Henriëtte Beijerinck, brief aan Friedrich Went, Gorssel, 18 maart 1931. Leiden, Museum Boerhaave, C00566 [Museum Boerhaave].

Haar teleurstelling is dan ook groot als het oordeel van de door Went ingestelde commissie ter beoordeling van het manuscript negatief is. In haar reactie op het afwijzende oordeel schrijft ze vervolgens: “Ik moet er mij bij neerleggen, hoewel het mij raadselachtig blijft dat hij zóó veel jaren heeft kunnen peinzen over iets dat niet de moeite waar was”.[20] Henriëtte heeft duidelijk moeite om zich bij het besluit neer te leggen.

Henriëtte Wilhelmina Beijerinck, botanische onderwijsplaat met een plant aangetast door de gallen van de galwesp (Rhodites rosae), ongesigneerd, gekleurde tekening op papier. Technische Universiteit Delft, Kluyver Laboratorium Collectie, TUD446. Bron: Het Geheugen

Samengeweven

Beijerinck maakt de publicatie van het gedenkboek over haar broer overigens niet meer mee.[21] In de publicatie die in 1940 het licht ziet, schrijft Van Iterson:

Ondergeteekenden willen niet nalaten hier uit te spreken, dat zij het in hooge mate betreuren, dat Mejuffrouw Beijerinck het verschijnen van dit deel niet meer heeft mogen beleven; deze energieke en sympathieke vrouw, wier leven zoo zeer met dat van haar geliefden broeder was samengeweven, overleed op 26 December 1937, op negentigjarigen leeftijd.

Van Iterson is zich dus terdege bewust van de enorme betrokkenheid van Henriëtte Beijerinck bij het welzijn van haar broer. Toch komt ze, net als Johanna, in het gedenkboek slechts hier en daar ter sprake, en de inzet van beide zussen voor Martinus’ carrière blijft vrijwel volledig buiten beschouwing. Om de chaos compleet te maken, draagt Henriëtte bij aan de onduidelijkheid als ze na Martinus’ dood op zijn verzoek al zijn correspondentie vernietigt. Ook haar originele dagboek, waarvan enkele uittreksel bewaard bleven, ging verloren. De exacte omvang van hun bijdrage blijft daardoor ook nu nog ongrijpbaar.

Legaten

Anoniem, Henriëtte Wilhelmina Beijerinck op hoge leeftijd, ca. 1935, foto. Delft, Technische Universiteit Delft. Bron: TU Delft

Ondertussen betoont Henriëtte zich na haar dood even hulpvaardig en genereus als bij leven. De doelen waaraan ze donaties doet stemmen grotendeels overeen met de organisaties waarbij ze zich al langer betrokken voelt. Dat zijn vooral vrijzinnig christelijke organisaties, meer specifiek dierenbescherming en onderwijs. Bij haar overlijden laat ze allereerst 1000 gulden na aan de vereniging van christelijke wijk- en ziekverpleging Bethel te Delft.

Aan eenzelfde vereniging te Gorssel, Eefde en Epse schenkt ze nog eens 2000 gulden volgens Zutphensche courant (11 januari 1938). Nogmaals 1000 gulden is voor de dierenbescherming, waarbij ze zich in Delft al zo betrokken toonde, en 10.000 gulden is gereserveerd voor natuurmonumenten waaruit eens te meer haar liefde voor botanica naar voren komt. Daarnaast begiftigt ze het biologisch station te Wijster, opgericht en bestierd door haar verre neef, bioloog Willem Beijerinck, die in 1916-1917 ook nog kort samenwerkt met Martinus in Delft.[22]

Mensenvrienden

Na haar overlijden roept ze bovendien bij testamentaire beschikking de Prof Beijerinck Stichting ‘De Haar’ in het leven volgens Zutphensche courant (31 december 1937). De stichting krijgt enige aandacht in de pers, waarbij ook de oprichter genoemd wordt. Het gaat niet alleen om de instandhouding van het landgoed. Het wordt namelijk beschikbaar gesteld aan (bij voorkeur protestante) onderwijzeressen in het openbaar onderwijs die rust nodig hebben of er hun vakantie willen doorbrengen. De stichting komt tegemoet in hun kosten en vergoed deze zelfs volledig indien nodig. De stichting houdt dus duidelijk verband met Henriëttes eigen verleden als onderwijzeres in het openbaar onderwijs.

In de pers wordt aan de persoonlijke achtergrond van Henriëtte Beijerinck echter niet gerefereerd. Meestal wordt uitsluitend de connectie met haar broer genoemd, zoals bijvoorbeeld in De Maasbode (1 januari 1938), waar wordt gezegd dat Henriëtte een zus is van de overleden hoogleraar “indertijd hoogleeraar aan de Technische Hoogeschool, te Delft”. Alleen in De Graafschapper (19 augustus 1938) worden wat meer woorden vuil gemaakt aan de achtergrond van de weldoener, waarbij wel eerst haar broer wordt genoemd:

Deze stichting dankt haar ontstaan aan enige edele mensenvrienden, n.l. den in de wereld der professoren en vroegere studenten alom bekenden professor Beyerink, die o.a. bijzonder uitmuntte in de biologie, en zijn twee zusters. Van deze drie stierf in Januari ’38 de laatste, mej. Beyerink, onderwijzeres, schilderes, en tevens hartstochtelijk voorstandster van de openbare school en van het vrijzinnig Christendom.

De verslaggever van De Graafschapper noemt ook Henriëttes fascinatie voor de wetenschap die haar “tot op hoge leeftijd” aantrok. Het is een kant van Henriëtte die maar weinig aandacht krijgt en die hooguit doorschemert in haar onderwijsplaten en stillevens. Toch rijst hier opnieuw de vraag in hoeverre haar scherpe oog en wetenschappelijke interesse een rol heeft bijgedragen aan de academische ontwikkeling van haar broer.

Over Martinus Beijerinck schreef Bert Theunissen in zijn boek over wetenschapsbeelden van Nederlandse natuuronderzoekers:

Beijerinck ten voeten uit: een prototypische ivoren-torengeleerde, wereldvreemd en eenzaam op zoek naar de waarheid. De literatuur bevestigt dit beeld.[23]

Hoewel Martinus Beijerinck zeker wereldvreemd mag worden genoemd, blijkt uit het voorgaande dat zijn zoektocht naar “de waarheid” zeker niet in eenzaamheid plaatsvond. In alles wat hij doet, wordt hij bijgestaan, geholpen en ondersteund door zijn twee zussen. Het geschetste beeld van een wetenschapper in de ivoren toren, lijkt grotendeels bepaald door een stereotype dat assisterende vrouwen in de nabije omgeving over het hoofd ziet. De voorstelling van Martinus Beijerinck als “prototypische ivoren-torengeleerde, wereldvreemd en eenzaam” behoeft dus enige nuancering.

Fascinerende vrouwen

Henriëtte en haar zus Johanna zijn fascinerende vrouwen. Ze zijn creatief en intelligent en stellen zich tevreden met levens die grotendeels in dienst staan van de carrière van hun gelauwerde broer. De een verzorgt de redactie van zijn wetenschappelijke teksten en maakt foto’s van micro-organismen, de ander voorziet hem van beeldmateriaal ten behoeve van zijn onderzoek en onderwijs. Om Martinus te kunnen ondersteunen, verhuizen de zussen zelfs naar Wageningen, daarna naar Delft en vervolgens weer naar Gorssel.

Ondertussen krijgt Martinus bij leven en na zijn dood veel lof toegezwaaid vanwege zijn wetenschappelijke ontdekkingen. De namen van zijn leerlingen en assistenten, zoals bijvoorbeeld Van Iterson, worden daarbij geregeld genoemd. Inmiddels weten we ook van Johanna’s vertaalwerk, haar fotografie en van Henriëttes tekeningen. Tot slot deelt Henriëtte Martinus’ interesse in de biologische wetenschap. Haar kennis van het academische veld zal met de vordering van de carrière van haar broer enorm zijn toegenomen. Naarmate Martinus’ onderzoekingen vorderen, komt ook zij steeds vaker in aanraking met beelden van nog onbekende micro-organismen.

Daarmee lijkt Henriëtte één van de vrouwen over wie Johanna spreekt als zij in 1902 tijdens een publieke lezing concludeert dat vrouwen voor natuurwetenschappelijke studie en onderzoekingen net zo geschikt zijn als mannen. Toch komen Henriëtte noch Johanna in besprekingen van Martinus’ loopbaan aan bod. De zussen leven immers in een tijd waarin de kansen voor vrouwen om zich professioneel te ontwikkelen, nog bevochten moeten worden. Wanneer zij desondanks in de wetenschap actief zijn, blijft hun aandeel daarin vrijwel altijd onder de radar. Omdat Henriëtte na Martinus’ overlijden al zijn correspondentie verbrandt en ook haar dagboek verdwijnt, kunnen we naar de exacte omvang en aard van hun bijdragen alleen maar gissen.

Deze blogpost kwam tot stand in samenwerking met gastauteur Dr. Lesley A. Robertson FRSB van het Departement of Biotechnologie en de universiteitsbibliotheek van de Technische Universiteit Delft. De transcripties van Henriëttes dagboekfragmenten zijn van David Yarrow.

Tentoonstellingen

Henriëtte Beijerincks eerste tentoonstelling in Amsterdam 1890, ter gelegenheid van haar aanstelling aan de Amsterdamse dagteekenschool kwam in de vorige post ‘Fascinatie voor botanica’ uitvoerig aan bod. Op de tentoonstelling van vrouwenarbeid in Den Haag exposeert ze vervolgens haar botanische tekeningen die ze maakt voor onderwijsdoeleinden. Haar vrije werk exposeert Henriëtte vooral in de jaren dat ze deel uitmaakt van de Delftsche Kunstkring, van 1907 tot 1914.

Amsterdam 1890: Tentoonstelling van aquarellen van Beyerinck, nieuwe lerares aan de dagsteekenschool in het gebouw aan de Kloveniersburgwal, 19 – 24 april [recensies in De tijd (21 april 1890), p. 2 via Delpher en Utrechtsch provinciaal en stedelijk dagblad (21 augustus 1890), p. 2 via Delpher]

  • “aquarellen”

Den Haag 1898: Nationale Tentoonstelling van Vrouwenarbeid

  • “3-tal waterverfteekeningen, natuurgetrouw planten weergevend”

Delft, Delftsche Kunstkring, 1907a: Tentoonstelling van werk der leden, 15 – 25 mei [recensie in Delftsche courant (16 mei 1907) via Delpher].

  • “landschappen, stillevens, bloemen en vruchten” met “een paar landschappen te Gorssel”, onder andere “avond te Gorssel”

Delft, Delftsche Kunstkring, 1907b: Expositie van werk der leden, 1 – 10 november [recensies in Delftsche courant (4 november 1907), p. 9 via Delpher en De Maasbode (5 november 1907), p. 5 via Delpher]

  • “Stilleven”

Delft, Delftsche Kunstkring, 1909a: Tentoonstelling van werk der leden, 21 – 30 mei [recensie in Delftsche courant (22 mei 1909), p. 10 via Delpher]

  • “Stilleven”
  • “Bloemen”
  • “Stilleven met uien”

Delft, Delftsche Kunstkring, 1909b: Tentoonstelling van werk der leden, 24 december – 2 januari [recensie in Delftsche courant (24 december 1909), p. 9 via Delpher]

  • “twee bloemstukjes” waaronder “O.-I. Kers”

Delft, Delftsche Kunstkring, 1910a: Tentoonstelling van werk der leden, 3 – 12 juni [recensie in Delftsche courant (4 juni 1910) via Delpher]

  • “Bloemstukken … vooral de Klaprozen en Narcissen”

Delft, Delftsche Kunstkring, 1910b: Tentoonstelling van werk der leden, 22 december – 1 januari [recensie in Delftsche courant (22 december 1910), p. 1 Delpher]

  • “rozen”

Delft, Comité van Sint-Lucas, 1911: XIVe tentoonstelling schilderijen, teekeningen, etsen en beeldhouwwerken in gebouw De korenbeurs, 15 – 20 juni [recensie in Delftsche courant (16 juni 1911), p.1 via Delpher]

  • “stilleven ‘Herinneringen'”

Delft, Delftsche Kunstkring, 1911b: 10e tentoonstelling met stukken van de leden, 24 december – 3 januari [recensie in Delftsche courant (27 december 1911), p. 2 via Delpher]

  • “stilleven” (nr. 1)
  • “Vaasje met rozen” (nr. 2)

Delft, Delftsche Kunstkring, 1912a: 11e tentoonstelling met werk van de leden, 17 – 28 juli [recensie in Delftsche courant (17 juli 1912), p. 2 via Delpher]

  • “Rhododendrons”
  • “Maandrozen”

Delft, Delftsche Kunstkring, 1912b: 12e tentoonstelling van werk der leden, 22 december – 3 januari [recensie in Delftsche courant (24 december 1912), p. 2 via Delpher]

  • “tweetal stukken” …”Flora”

Den Haag 1914: Nationale tentoonstelling van kunstwerken, onder bescherming van H.M. de Koningin, met daaraan verbonden verloting ten bate van het Koninklijk Nationaal Steun-comité

  • “Bloemen” (nr. 393)
  • “Landschap, aquarel” (nr. 805)

Literatuur

Catalogi

  • Cat. Den Haag 1898Catalogus van de Nationale Tentoonstelling van Vrouwenarbeid. ’s Gravenhage, juli – september 1898 (1898). [Google Books]
  • Cat. Den Haag 1914. Catalogus van de nationale tentoonstelling van kunstwerken, onder bescherming van H.M. de Koningin, met daaraan verbonden verloting ten bate van het Koninklijk Nationaal Steun-comité 1914 (Den Haag: Sijthof, [1915]), p. 21 en 26. [Delpher].

Overig

  • den Dooren de Jong, L.E., ‘Beijerinck, the Man’. In van Iterson Jr, G., L. E. den Dooren de Jong en A. J. Kluyver, Martinus Willem Beijerinck: his life and his work (Delft: Nijhoff, 1940; herdruk Springer-Science+Business), p. 3-50 [Google Books]
  • van Iterson Jr, G., L. E. den Dooren de Jong en A. J. Kluyver, ‘Voorbericht.’ In Verzamelde geschriften M W Beijerinck ter gelegenheid van zijn 70sten verjaardag, deel 6: ‘Met register op alle zes deelen benevens eene beschrijving van zijn leven en beschouwingen over zijn werk’ (Delft: Nijhoff, 1940). [Delpher en Internet Archive]
  • Lodewijks, J.H.S., ‘Beijerinck, Willem (1891-1960).’ In Biografisch Woordenboek van Nederland, laatst gewijzigd op 12 november 2013 [resources Huygens]
  • Robertson, Lesley A., ‘The art of Henriette Beijerinck’, TU Delft weblog: Delft Microbiology, gepubliceerd 10 augustus 2015. [link]
  • Robertson, Lesley A., Marian J. Figge en Paul V. Dunlap, “Beijerinck and the bioluminescent bacteria: microbiological experiments in the late19th and early 20th centuries”, FEMS Microbiology Ecology 75 (2011), p. 185-194. [PDF]
  • Theunissen, Bert, Nut en nog eens nut: wetenschapsbeelden van Nederlandse natuuronderzoekers, 1800-1900 (Hilversum: Verloren, 2000).

Noten

[1] Robertson 2015.

[2] A. Ide, ‘Een Nieuwe appel: Yellow Transparent’, Tijdschrift voor Tuinbouw 1, nr. 8 (1896), p. 14-15, ill. III.

[3] Zie Dagblad van Zuidholland en ’s Gravenhage (4 januari 1898), p. 4 [Delpher] en Het vaderland (1 januari 1898), p. 13 [Delpher]. Zie ook cat. Den Haag 1898, p. 418.

[4] Voor Prooijens tekeningen op de Nationale Tentoonstelling voor Vrouwenarbeid, zie vooral de post ‘Onvermoeid aan het werk’. De andere posts over Van Prooijen zijn ‘Kunst boven de natuur’ en ‘Ons doel is schoonheid’.

[5] Cat. Den Haag 1898, p. 394.

[6] M.W. Beijerinck, ‘Voordracht over lichtbacteriën’, De Ingenieur. Orgaan van het Koninklijk Instituut van Ingenieurs –Der Vereeniging van Burgerlijke Ingenieurs 15, nr. 4 (1900), p. 53-54 [Delpher]. Zie ook Robertson, Figge en Dunlap 2011.

[7] Zie Vrede door recht (maart 1900), p. 23 [Delpher].

[8] Vrouwenjaarboekje voor Nederland 5 (1909), p. 90 [Delpher].

[9] Henriëtte wordt jaarlijks herkozen als voorzitter tot tenminste 1918 volgens Delftsche courant (10 oktober 1914), p. 4 [Delpher], id. (16 oktober 1915), p.4 [Delpher], id. (30 oktober 1916), p. 4 [Delpher] en id. (3 december 1918), p. 6 [Delpher].

[10] Voor het album met portretten van bestuurders van Genootschap Dorcas Delft van 1833 tot december 1920, zie Erfgoed Delft, Stadsarchief, inv. 122171 [Delft].

[11] Belang en recht: orgaan van het Comité tot Verbetering van den Maatschappelijken Rechtstoestand der Vrouw in Nederland, van den Vrouwenbond te Groningen en van de Vereeniging “Thugatêr” te Amsterdam 6, nr. 129 (1901-1902), p. 76 [Delpher].

[12] The Nobel Prize, Nomination Archive, zie Chemistry 1919 en 1920 [URL]. Voor het afwijzend oordeel, zie brief in archief Delft School of Microbiology, TU Delft.

[13] Theunissen 2000, p. 150.

[14] Regionaal archief Zutphen, archief 5057, inv.nr. 24, Bevolkingsregister, Gorssel, folio 205 [RAZ]. Volgens biograaf Van Iterson bezit Martinus Beijerinck daar sinds 1902 een perceel met een zomerverblijf. van Iterson 1940, p. 41. Het lijkt er echter op dat zijn zus Johanna verantwoordelijk is voor de aankoop van dit perceel. Regionaal archief Zutphen, archief 5060, inv.nr. 28, 2 augustus 1902, Cornelis Vos, aktenr. 1889 [RAZ].

[15] Gelders Archief te Arnhem, archief 0207A, inv.nr. 8357.08, 25-09-1923, Gorssel, Overlijdensregister, aktenr. 55 [Gelders Archief].

[16] Voor de overlijdensakte van Martinus Willem Beijerinck, zie Gelders Archief te Arnhem, archief 0207A, inv.nr. 9741.05, 27-12-1937, Gorssel, Overlijdensregister, aktenr. 90 [Gelders Archief] en Gelders Archief te Arnhem, archief 0207A, inv.nr. 8358.09, 02-01-1931, Gorssel, Overlijdensregister, aktenr. 2 [Gelders Archief]. Bij zijn overlijden maakt Martinus een villa met boshuis en dennenbos ter grootte van 4,5 hectare na aan de vereniging ‘Volksonderwijs’ in Amsterdam volgens Nieuwe Hoornsche courant (23 april 1931). p. 5 [Delpher]. Zie ook Het katholieke schoolblad voorheen De katholieke onderwijzer, officieel weekblad voor het bijzonder onderwijs-eigendom der St. Lebuïnus-Vereeniging in het Aartsbisdom en der Diocesaan-Vereeniging in het Bisdom Haarlem 29, nr. 1431 (1931), p. 355 [Delpher].

[17]] Ook Delftsche courant (20 september 1938) [Delpher].

[18] van Iterson 1940, p. 40, pl. VIII.

[19] Brief van Henriette Wilhelmina Beijerinck aan F.A.F.C. Went, Gorssel, 26 januari 1931. Leiden, Museum Boerhaave, C00562 [Museum Boerhaave].

[20] Brief van H.W. Beijerinck aan F.A.F.C. Went, Gorssel, 22 april 1931. Leiden, Museum Boerhaave, C00569 [Museum Boerhaave].

[21] van Iterson 1940, z.p. Voor de overlijdensakte van Henriëtte Wilhelmina Beijerinck, zie Gelders Archief te Arnhem, archief 0207A, inv.nr. 9741.05, 27-12-1937, Gorssel, Overlijdensregister, aktenr. 90 [Gelders Archief]. Ze wordt in het graf van haar zus bijgezet op de begraafplaats van Gorssel. Graf ID 2153792, Online begraafplaatsen [online-begraafplaatsen]. Hun broer ligt er niet niet. Zijn as wordt naar zijn eigen wens over zee uitgestrooid. Naast de beide zussen is het graf van Berendina Portheine die uit Delft met broer en zussen meeverhuist naar Gorssel. Graf ID 2153791, Online begraafplaatsen [online-begraafplaatsen]. Voor Portheines overlijdensakte, zie Collectie Overijssel locatie Zwolle, archief 0123.1, inv.nr. 18498, 12-05-1953, Register van overlijden, Diepenveen, aktenr. 36 [Collectie Overijssel].

[22] Lodewijks 2013.

[23] Theunissen 2000, p. 149.

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Back to Top