Grote toewijding
Wanneer Christine Kritzler in 1891 trouwt, legt ze haar functie als lerares neer en schildert ze voortaan vooral in haar vrije tijd. Volgens kunstenaarsbiograaf Pieter Scheen schildert ze daarom “vermoedelijk uit liefhebberij”.[1] Maar achter die ogenschijnlijke vrijetijdskunst schuilt een stevige professionele basis. Na een opleiding van zes jaar aan de Rijksacademie van Beeldende Kunsten, gaat Kritzler aan de slag als tekendocent aan de Amsterdamse Dagteekenschool voor Meisjes, waar ze samen met Betsy Kerlen doceert. Vijf jaar lang onderwijst ze handtekenen, olieverfschilderen en aquarelleren. Bij haar vertrek in 1890 wordt ze geprezen om de grote toewijding waarmee ze haar functie vervuld heeft.
Welgeschapen
Christine Gesina Kritzler is de dochter van veearts, tevens hoefsmid, Christian Kritzler, afkomstig uit het Duitse Wezel. Op 5 juni 1862 trouwt Christian Kritzler met de Amsterdamse Gesina Geertruij Ellerman.[2] Op 28 februari 1863 komt vervolgens hun eerste kind ter wereld, een “welgeschapene dochter” volgens een familiebericht in de krant. Dat is Christine Gesina.

Ruim een jaar later, op 13 mei 1864, volgt een tweede dochter met de naam Johanna Maria (Marie) en op 5 mei 1866 een zoon die Maximiliaan genoemd wordt. Dat blijkt uit een familiebericht in Algemeen handelsblad (9 mei 1866). In juni 1870 wordt er opnieuw een zoon geboren. Dat heuglijke feit wordt onder andere bekendgemaakt in Het nieuws van den dag (24 juni 1870). De jongen krijgt de naam Hugo.
Kort daarna, in december 1870, verhuist het echtpaar naar de Weteringschans.[3] Op 15 februari 1872 wordt daar nog een jongen geboren: Oscar.
Verlies
Dan krijgt het gezin enkele zware verliezen te verduren. In een tijdsbestek van ongeveer een jaar sterven twee van de vijf kinderen. Op 2 april 1872 overlijdt Maximiliaan, net geen 6 jaar oud. Ruim een jaar later sterft Hugo. Hij is pas 3.


Als het verlies nog vers is, komt ten slotte, op 1 september 1874, een laatste kind ter wereld. Hij krijgt de naam Arthur. Christine is dan 11 jaar.
Rijksacademie
Op 29 september 1880 doet Christine toelatingsexamen voor de Rijksacademie van Beeldende Kunsten te Amsterdam.[4] De eerste drie jaar volgt ze er teken- en boetseerklassen, perspectief en ornament. In het laatste jaar krijgt ze een lovende beoordeling: “aanleg en ijver zeer goed in elk opzicht”. Aansluitend volgt ze nog drie jaar lang schilderklassen. Ook die legt ze met goed gevolg af. In het laatste jaar daarvan luidt het oordeel van haar docent: “ijver zeer goed, aanleg goed”.
Kritzler start haar opleiding gelijktijdig met schilderes Anna Wijthoff die, net als Kritzler, tot 1886 aan Amsterdamse academie studeert. Wijthoff en Kritzler zullen elkaar ongetwijfeld hebben leren kennen, als ze in 1880-1881 tegelijkertijd de teken- en boetseerklas, perspectief en ornament volgen. Wijthoff is onder andere bekend van illustraties voor kinderboeken. Als zodanig figureerde ze ook in mijn blogpost over Jacoba Bosscha: ‘Geïllustreerd door Jacoba’. Aan de academie volgt Kritzler ook een teken- en boetseerklas met bijvoorbeeld Barbara van Houten in 1881. Datzelfde geldt voor de Amsterdamse schilderes Hendrika Sluyter, over wie ik eerder de blogpost ‘Schilderes in een familie van graveurs’ schreef.
Dan overlijdt op 12 januari 1882 Christian Kritzler, “tot mijn en mijner Kinderen diepe droefheid”, zo laat Gesina Geertruij Ellerman weten via een overlijdensbericht in Het nieuws van den dag (13 januari 1882). Vervolgens vertrekt Gesina Geertruij Ellerman naar Wiesbaden. Dat blijkt uit het bevolkingsregister en tevens uit een krantenbericht in Algemeen handelsblad (17 mei 1882) waarin zij “voornemens zijnde hare woonplaats naar Wiesbaden over te brengen” schuldenaars en schuldeisers verzoekt voor juni 1882 hun betalingen dan wel vorderingen door te geven.[5]
Ten behoeve
Bij het eerdere overlijdensbericht in Het nieuws van den dag plaatst de weduwe bovendien het aanvullende bericht:
dat de beide Zaken, door nu wijlen mijn Echtgenoot, den Heer C. KRITZLER, uitgeoefend, blijven bestaan, en zoowel de Veeartsenijkunde als de Hoefsmederij, in vereeniging met door den overledene daartoe aangewezen deskundigen, ten mijnen behoeve zullen worden voortgezet.
De veeartsenpraktijk en hoefsmederij van Christian Kritzler blijven dus bestaan en met de opbrengsten kan de weduwe in haar onderhoud voorzien. Desondanks betekent het waarschijnlijk dat de twee oudsten – Christina en Marie – moeten gaan werken voor meer financiële armslag.
Hoewel in de bevolkingsregisters staat dat de vier kinderen in juli 1882 meeverhuizen naar Wiesbaden, volgt Christine in het jaar 1882-1883 een teken- en boetseercursus aan de academie. Bovendien legt Marie in november 1882 met succes een examen af voor klerk bij de Rijkstelegraaf.[6] Op dat moment is ze al enige tijd als tijdelijk assistent bij de Rijkstelegraaf in dienst. Het lijkt er dus op dat Christine en Marie in Amsterdam blijven of – dat kan ook – minder lang in Wiesbaden verblijven.
In november 1883 behaalt Christine vervolgens het akte-examen handtekenen voor het middelbaar onderwijs.[7] Ze slaagt tegelijkertijd met Wijthoff die hetzelfde examen aflegt. In november 1883 keert ook Gesina Geertruij Ellerman weer terug naar Amsterdam en dan verhuizen Christine en Marie nog eenmaal met hun moeder en jongere broers. Ze betrekken dan een woning aan Westeinde 21 in Amsterdam.[8]
Pensionnaire
In 1886 ontvangt Kritzler, die in het jaar 1885-1886 een laatste schilderklas volgt aan de Amsterdamse academie, een prestigieuze subsidie voor de schilderkunst.[9] Op voordracht van een commissie die bestaat uit bestuurders van Amsterdamse kunstenaarsvereniging Maatschappij Arti et Amicitiae, nemen de koning en koningin jaarlijks enkele pensionnaires in de schilderkunst aan. In 1886 is Kritzler één van de gelukkigen die als pensionnaire een jaargeld mag ontvangen.
Ook haar studiegenoot Anna Wijthoff behoort dat jaar tot de uitverkorenen, evenals Suze Robertson die in 1882-1883 ook een schilderklas volgt aan de Rijksacademie van Beeldende Kunsten, waarschijnlijk met Wijthoff. Een schilderes die het jaargeld eerder ontving, is Clara Bruins over wie ik de blogpost ‘Haar illustraties’ schreef. Bruins krijgt deze koninklijke subsidie voor de schilderkunst namelijk in de jaren 1882 en 1883.[10] Zij ontvangt de toelage dus twee jaar op rij. Ook voor Kritzler en Wijthoff is de toekenning geen eenmalige gebeurtenis. In 1887 behoren ze opnieuw tot de begunstigden.[11]
Tekendocent
In 1886 krijgt Kritzler bovendien een aanstelling als docent aan de Dagteekenschool voor Meisjes.[12] In dat jaar wordt Johanna Maria Elisabeth (Betsy) Kerlen als directrice aangesteld. Voor de functie is ook Kritzler in de running. Daarover staat namelijk in Algemeen handelsblad (14 maart 1886):
Mej. J. M. E. Kerlen, leerares in het teekenen en handwerken aan de middelbare meisjesschool te Middelburg, is benoemd tot directrice, tevens leerares aan de “Dagteekenschool voor meisjes” … Die benoeming heeft plaats gehad uit een voordracht, waarop behalve mej. Kerlen ook voorkwamen mej. Chr. Elritzler [Kritzler] en G. Schenck.
De andere genomineerde, “G. Schenck”, is Gesine Schenck die in 1886 haar akte middelbaar onderwijs behaalt. Kerlen krijgt uiteindelijk de functie die dus ook Kritzler en Schenck ambiëren. Hoewel Kritzler naast de directeursfunctie grijpt, wordt ze enkele maanden later als tweede docent, of assistent-leraar, toegevoegd.[13] Het aantal leerlingen is dusdanig toegenomen dat Kerlen alle vakken niet in haar eentje kan geven en er een extra leerkracht noodzakelijk is. Mogelijk valt de keuze op Kritzler na advies van Kerlen, want zij kennen elkaar nog van hun studie aan de Rijksacademie van Beeldende Kunsten. Ook Kerlen start namelijk in 1880 als voltijdsstudent aan de academie, tegelijkertijd met Kritzler en Wijthof. Kerlen verlaat de academie echter al in 1882, omdat ze dan naar de net opgerichte Rijksnormaalschool voor tekenonderwijzers overstapt.[14]

Uit het jaarlijkse verslag van de Burgemeester en Wethouders van Amsterdam in 1890 blijkt welke vakken de leerlingen van de Dagteekenschool van Betsy Kerlen krijgen: hand- en rechtlijnig tekenen, schilderen met olie- en waterverf, studie der vakversiering, vrouwelijke handwerken, meetkunde en doorzichtkunde. Kritzler blijkt verantwoordelijk voor de vakken handtekenen (10 uur per week) en schilderen, met olieverf en aquarel (9 uur per week).[15] Daaraan besteed ze 19 uur per week. Ook Kerlen geeft 10 uur per week handtekenen en neemt daarnaast de overige vakken voor haar rekening (perspectief, projectieleer, meetkunde, tekenkunde, rechtlijnig tekenen en methodologie) en besteedt daaraan in totaal 21 uur. De onderwijsuren zijn dus min of meer gelijk over de twee vrouwen verdeeld.
Arti
Vanaf 1887 gaat Kritzler bovendien een podium zoeken voor haar schilderwerk, want dan gaat ze haar werk tentoonstellen in de zalen van de kunstenaarsvereniging Maatschappij Arti et Amicitiae. In 1887 stelt ze daar twee werken tentoon: Van de markt (nr. 124) en Pruimen (nr. 125). Eén van de twee werken, namelijk het stilleven met pruimen, wordt aangekocht voor een verloting door de Vereeniging tot Bevordering van de Beeldende Kunsten. Ook een schilderij van Elisabeth Verwoert wordt toegevoegd aan de verloting. Dat blijkt uit advertenties om de verloting onder de aandacht te brengen, bijvoorbeeld in Algemeen handelsblad (19 november 1887) of Het nieuws van den dag van dezelfde dag. Het werk van Kritzler valt vervolgens op het lot van een mevrouw uit Sneek, volgens bericht in Sneeker nieuwsblad (4 januari 1888).
Zie ook tentoonstellingsoverzicht.
In 1888 exposeert Kritzler opnieuw een werk in de kunstzalen van Arti et Amicitiae, ditmaal een waterverftekening van asters. Het lijkt voorlopig haar laatste expositie. Na haar huwelijk in 1892 exposeert Kritzler nog één keer. Dat is in Amsterdam in 1906 wanneer daar een jubileumtentoonstelling van werken van oud-leerlingen der beide museumscholen wordt georganiseerd.[16]
Eervol ontslag
Per 1 september 1890 neemt Kritzler vervolgens ontslag als docent en wordt ze als lerares schilderen en aquarelleren opgevolgd door Henriëtte Beijerinck.[17] Het eervol ontslag van Kritzler gaat echter niet ongemerkt voorbij. De redactie van het Maandblad gewijd aan de belangen van het teekenonderwijs refereert namelijk aan Kritzlers grote inzet, als een redactielid van het maandblad schrijft:
De bloei dezer inrichting is volkomen begrijpelijk voor hen, die de groote toewijding kennen waarmede Mej. Kritzler haar taak vervulde en voor hen, die getuigen waren van den tact en de liefde, door de Directrice Mej. Kerlen zoo onvermoeid aan den dag gelegd.
– Maandblad gewijd aan de belangen van het teekenonderwijs en de kunstnijverheid in Nederland 6, nr. 8 (januari 1890), p. 70 [Delpher]
De reden van Kritzlers ontslag is vermoedelijk haar aanstaande huwelijk. Op 27 mei 1891 trouwt ze namelijk met Theodorus Moinat.[18] Ze verhuizen vervolgens naar Abcoude-Baambrugge en op 20 februari 1892 wordt daar hun dochter Hendrika Cornelia geboren.[19]

Na haar vertrek van de Dagteekenschool gaat Christine Kritzler niet meer aan het werk, zoals een getrouwde vrouw indertijd betaamt. Ze blijft waarschijnlijk wel tekenen en schilderen, al exposeert ze haar werk niet meer. Wel verschijnt haar naam in de publiciteit in verband met vrijwilligerswerk. Zo blijkt ze bijvoorbeeld bestuurslid van het Groen Kruis, wanneer ze in 1928 wordt herkozen. Dat wordt vermeld in Utrechtsche courant (28 maart 1928). Ook treedt ze op als correspondente van de Nederlandse Bond voor Vrouwenkiesrecht in Abcoude, wanneer de zittende correspondente daarvoor geen tijd meer heeft.[20] Dat blijft ze ten minste tot 1920 doen.
Batavia
In 1929 sterft Theodore Moinat.[21] Kort daarop vestigt Kritzler zich in Batavia in Nederlands-Indië (nu Jakarta, Indonesië). Ze vestigt zich op het adres Koningsplein Oost 18 blijkens bericht in Bataviaasch nieuwsblad (4 mei 1929). Het Koningsplein is een uitgestrekte plein dat nu Medan Merdeka, of Vrijheidsplein, heet, gelegen in het hart van Jakarta. Daar voegt Kritzler zich bij haar dochter en schoonzoon. Sinds het tweede huwelijk van Hendrika met arts Pieter Matthijs van Wulfften Palthe in 1926 woont Hendrika immers op het adres Koningsplein Oost 18 waar ook Kritzler vanaf 1929 gaat wonen.[22]

In 1930 keren ze gedrieën weer terug naar Nederland. Stoomschip Tambora vertrekt op 1 januari met Kritzler, haar dochter en schoonzoon aan boord. Dat blijkt uit bericht in Haagsche courant (29 januari 1930). In Marseille ontschepen ze, zo valt op te maken uit de passagierslijsten gepubliceerd in Noord-Hollandsch dagblad (30 januari 1930).
Kritzler overlijdt op 6 februari 1949 in Huis ter Heide, Jan Steenlaan 3 te Zeist.[23] Ze wordt begraven op de algemene begraafplaats Zorgvlied te Nieuwer-Amstel.
Kort en professioneel
Kritzlers professionele carrière is kort. Ze werkt vooral tussen 1886 en 1890, beginnend in het jaar dat ze van de academie komt. Ze volgt een opleiding aan de academie, behaalt een tekenakte voor het middelbaar onderwijs en vindt haar plaats als docent aan de Dagteekenschool. In die jaren is ze als teken- en schilderdocent aan het werk. Tegelijkertijd toont zij als exposerend kunstenaar haar werk in de zalen van Maatschappij Arti et Amicitiae. Hoewel haar professionele leven niet langer dan vijf jaar duurt en de tentoonstellingslijst hieronder bescheiden oogt, laat zij zich in die korte tijd kennen als een volwaardig, professioneel tekenaar en schilder, iemand die haar vak met ernst en overtuiging beoefent, al is het maar voor even.
Tentoonstellingen
Voor onderstaand overzicht maakte ik veelvuldig gebruik van de gedigitaliseerde tentoonstellingscatalogi van het RKD en van de gedigitaliseerde kranten in Delpher. De tentoonstelling in 1906 wordt ook vermeld in ARTindex Lexicon Online.
Amsterdam, Arti et Amicitiae, 1887: Tentoonstelling van kunstwerken van levende meesters, oktober [recensie van David van der Kellen Jr in Het nieuws van den dag (14 november 1887), p. 9 via Delpher]
- “Van de markt” (nr. 124)
- “Pruimen” (nr. 125) [aangekocht voor de verloting volgens De tijd (19 november 1887), p. 2 via Delpher]
Amsterdam, Arti et Amicitiae, 1888: Tentoonstelling van kunstwerken van levende meesters, oktober
- “Asters. Waterverfteekening” (nr. 138)
Amsterdam, Stedelijk Museum, 1906: Jubileumtentoonstelling van werken van oudleerlingen der beide museumscholen, 12 september – 10 oktober
- onbekend
Literatuur
Catalogi
- Amsterdam, Arti et Amicitiae, 1887. Tentoonstelling van Kunstwerken van levende meesters. October 1887 (Amsterdam: erven van H. Munster & zoon), p. 15. [RKD]
- Amsterdam, Arti et Amicitiae, 1888. Tentoonstelling van Kunstwerken van levende meesters. October 1888 (Amsterdam: erven van H. Munster & zoon), p. 16. [RKD]
- Amsterdam, Stedelijk Museum, 1906. Catalogus der jubileumtentoonstelling van werken van oudleerlingen der beide museumscholen (Amsterdam). [Stedelijk Museum Bibliotheek]
Overig
- Derkinderen, A.J., De Rijks-Academie van Beeldende Kunsten te Amsterdam : Stads Teeken-Academie tot 1817, Koninklijke Academie 1817-1870, Rijks-Academie 1870 – heden (Haarlem: Enschedé, 1908). [Delpher]
- Klarenbeek, Hanna, Penseelprinsessen & broodschilderessen: Vrouwen in de beeldende kunst 1808-1913 (Bussum: Thoth, 2012).
- Scheen, Pieter A., Lexicon Nederlandse beeldende kunstenaars 1750-1950, herziene ed. (Den Haag: Scheen, 1981).
- Verslag gedaan door Burgemeester en Wethouders aan den Raad van Amsterdam, over den toestand der gemeente (Amsterdam: Stadsdrukkerij, 1890). [Google Books]
Noten
[1] Scheen 1981, p. 291.
[2] Noord-Hollands Archief te Haarlem, archief 358.6, inv.nr. 362, 05-06-1862, Huwelijksakten van de gemeente Amsterdam, 1862, aktenr. Reg. 5 fol. 41 [Noord-Hollands Archief].
[3] Stadsarchief Amsterdam, archief 5000, inv.nr. 2286, 27 februari 1863, Bevolkingsregister 1874-1893 [SA].
[4] Noord-Hollands Archief, Studentdossier Studentenregisters van de Rijksakademie van Beeldende Kunsten te Amsterdam, Haarlem, archief 90, inventarisnummer 175, folio 39, nr. 191 [Noord-Hollands Archief]. Zie tevens Derkinderen 1907, bijlage F: Naamlijst der leerlingen.
[5] Stadsarchief Amsterdam, archief 5000, inv.nr. 2283, 27 februari 1863, Bevolkingsregister 1874-1893 [SA].
[6] Zie Utrechtsch provinciaal en stedelijk dagblad (28 november 1882), p. 5 [Delpher]. In 1888 slaagt Marie, die dan als geagr. klerk werkzaam is in De Bilt, bovendien voor het klein directeursexamen. Zie Utrechtsch provinciaal en stedelijk dagblad (24 april 1888), p. 5 [Delpher] en Het nieuws van den dag (21 april 1888), p. 9 [Delpher].
[7] Provinciale Overijsselsche en Zwolsche courant (9 november 1883), p. 6 [Delpher].
[8] Stadsarchief Amsterdam, archief 5000, inv. nr. 2269, 27 februari 1863, Bevolkingsregister 1874-1893 [SA].
[9] Zie Algemeen handelsblad (28 februari 1886), p. 4 [Delpher]. Tevens bericht in De Vlaamsche kunstbode 16 91886), p. 142 [Delpher] en De portefeuille, kunst- en letterbode 7, nr. 49 (1886), p. 786 [Delpher]. Zie ook Klarenbeek 2012, p. 212 n. 237.
[10] Ibid.
[11] Zie ook Dagblad van Zuidholland en ’s Gravenhage (1 maart 1887), p. 6 [Delpher]. Omdat Kritzler en Wijthoff dit jaargeld toegekend krijgen, dragen ze ook bij aan een album met tekeningen van pensionnaires en ex-pensionnaires ter ere van het regeringsjubileum van de koning in 1887, evenals Suze Robertson en Clara Bruins overigens. Zie bijvoorbeeld De locomotief (31 maart 1887), p. 2 [Delpher]
[12] Zie Utrechtsch provinciaal en stedelijk dagblad (15 maart 1886), p. 2 [Delpher]. Betsy Kerlen kwam ook ter sprake in een andere blogpost, getiteld ‘De zussen Kerlen’ over Betsy, Wilhelmina en Anna Catherina Kerlen.
[13] Maandblad gewijd aan de belangen van het teekenonderwijs en de kunstnijverheid in Nederland 3, nr. 4 (1886), p. 38 [Delpher]. Zie tevens bericht in Het nieuws van den dag (26 augustus 1886), p. 1 [Delpher]. Hieraan wordt ook herinnerd in “Een kijkje in de Dagteeken- en Kunstambachtsschool voor Meisjes te Amsterdam”, Eigen haard, nr. 23 (1903), p. 358 [Delpher].
[14] Noord-Hollands Archief, Studentdossier Studentenregisters van de Rijksakademie van Beeldende Kunsten te Amsterdam, Haarlem, archief 90, inventarisnummer 175, folio 40, nr. 198 [Noord-Hollands Archief]. Zie tevens Derkinderen 1907, bijlage F: Naamlijst der leerlingen.
[16] “Christine Gesina Kritzler”, in Beeldend BeNeLux Elektronisch [ARTindex Lexicon Online].
[17] Maandblad gewijd aan de belangen van het teekenonderwijs en de kunstnijverheid in Nederland 6, nr. 8 (januari 1890), p. 69-70 [Delpher] en Verslag 1890, p. 254.
[18] Voor de huwelijksakte, zie Noord-Hollands Archief te Haarlem, archief 358.6, inv.nr. 967, 28-05-1891, Huwelijksakten van de gemeente Amsterdam, 1891, aktenr. Reg. 12 fol. 24v [Noord-Hollands Archief].
[19] Voor de registratie in Abcoude Baambrugge, zie Regionaal Archief Noordwest Utrecht te Weesp, archief 1202, inv.nr. 9, 1890, Bevolkingsregistratie Abcoude-Baambrugge, deel 9, bevolkingsregister, wijk C, 1890-1899 [Regionaal Archief Noordwest Utrecht]. Voor de doop, zie id., archief 1200, inv.nr. 110, 29-05-1892, DTB N-H kerk Baambrugge, deel 5, doopregister, 1841-1914, folio 101 [Regionaal Archief Noordwest Utrecht].
[20] “Officiëele Mededeelingen”, De ploeger, 6de reeks, nr. 8 (oktober 1913), p. 67 [Delpher]. Zie ook Vrouwenjaarboekje voor Nederland 16 (1920), p. 20 [Delpher]. Kritzler wordt bovendien genoemd in het Gedenkboek Nederlandse bond voor vrouwenkiesrecht 1907 – 1917 (De Bussy, [1917]), p. 23 [Delpher].
[21] Het Utrechts Archief, archief 463, inv.nr. 379-06, 18-01-1929, Abcoude-Baambrugge 1929, aktenr. 1 [Het Utrechts Archief].
[22] Voor de huwelijksakte, zie Haags Gemeentearchief, archief 0335-01, inv.nr. 980, 30-01-1926, Huwelijksakten Den Haag, aktenr. A96 [HG]. Voor de verhuizing naar Batavia, zie Haags Gemeentearchief, archief 0354-01, inv.nr. 1988, 1913, Haags Bevolkingsregister (gezinskaarten) [HA]. Zie tevens Het nieuws van den dag voor Nederlandsch-Indië (24 april 1926), p. 2 [Delpher].
[23] Voor de overlijdensakte, zie Het Utrechts Archief, archief 1221, inv.nr. 1989, 08-02-1949, aktenr. 82 [Het Utrechts Archief]. Zie ook familiebericht in Algemeen handelsblad (7 februari 1949), p. 6 [Delpher].