Baanbreekster
Christine Verbrugghe wordt als schilder opgeleid in het atelier van Ernest Blanc-Garin in Sint-Joost-ten-Node bij Brussel. In haar huwelijksakte van 1902 staat ze als kunstschilder te boek. Kort daarna gaat ze zich echter vooral toeleggen op kunstnaaldwerk, een ongebruikelijke keuze indertijd. Met haar werk, gemaakt van zijde in plaats van verf, oogst ze bewondering: “In en kleuren-verdeeling doet zij denken aan de mooiste borduurwerken uit den gouden tijd dezer edele vrouwenkunst,” schrijft bijvoorbeeld een kunstcriticus van Weekblad van den Noordbrabantschen Christelijken Boerenbond. “Chr. van der Meer de W. is, wat men gewoonlijk pleegt te noemen, eene baanbreekster,” schrijft weer een ander.
Brussel
Christine Verbrugghe komt uit een vooraanstaande katholieke familie. Haar vader Theobaldus Joannes Carolus Verbrugghe is werkzaam als onderinspecteur bij het Belgisch loodswezen in Oostende. Op 18 juni 1872 trouwt hij met de adellijke Marie Christine Amelie Wilhelmine de Villeneuve, dochter van majoor der infanterie Willem Clement Elie de Villeneuve.[1] Na het huwelijk vestigt het echtpaar zich in Vlissingen waar eerst Marie Wilhelmine Christine Theobaldine wordt geboren, op 23 augustus 1873.[2] Op 20 augustus 1876 komt dan Christine Wilhelmina Francine Josephine ter wereld.

Artistieke aanleg uit zich al op jonge leeftijd, want in de jaren 1890 gaat Verbrugghe teken- en schilderlessen nemen bij Ernest Blanc-Garin in Sint-Joost-ten-Node bij Brussel. Ook kunstenares Adya Dutilh volgt daar de teken- en schildercursus.[3] Dan sluiten deze vrouwen een vriendschap voor het leven en hun paden blijven elkaar in de volgende jaren geregeld kruisen.
Socialisten
In 1901 ontmoet Verbrugghe ook haar toekomstige echtgenoot Pieter van der Meer de Walcheren.[4] Deze heeft na zijn kandidaatsexamen op 2 november 1900 de universiteit verlaten en is vervolgens naar Brussel getogen om een loopbaan in de literatuur na te jagen. Uit een interview, waarin Pieter van der Meer van Walcheren in 1966 terugblikt op zijn ontmoeting met Verbrugghe, onthult hij een en ander over de achtergrond en interesses van de jonge kunstenares.[5] Indertijd, zo blijkt, is Verbrugghe bevriend met Pieters zus, de pianiste Maria Gijsberta (Marie) van der Meer de Walcheren, en Verbrugghe komt bij hen thuis naar muziek luisteren.
Van der Meer de Walcheren vertelt bovendien dat Verbrugghe als actief socialiste een vast bezoekster is van het Volkshuis in Brussel. Over zijn schoonouders zegt hij ook:
Ze behoorden tot het liberale milieu, het bourgeois-milieu van de avenue Louise: ze waren katoliek maar gingen niet naar de kerk. Mijn schoonvader was een nobel mens, een rechtvaardige ziel. Christine pratikeerde helemaal al niet meer en was ook overtuigde [sic] socialiste.
Christine groeit dus op in een gelovig katholiek, maar antiklerikaal en niet-kerkelijk gezin. Ondanks haar niet-kerkelijke opvoeding en hang naar het socialisme zal het katholieke geloof haar leven lang een rol van grote betekenis blijven spelen.
Kunstschildster
Christine en Pieter raken vervolgens van elkaar gecharmeerd. Ze besluiten te trouwen, maar hun beider families hebben bezwaren en daarom volgt er een tijdelijke scheiding. Christine besluit dan om met haar vriendin Adya een grote reis door Italië te maken waar zij vooral Rome en de kuststreek bezoeken, terwijl Pieter in Rotterdam verblijft.Van uitstel komt geen afstel en het stel trouwt uiteindelijk alsnog, op 18 juni 1902 in Brussel.[6]
De huwelijksakte laat zien dat Verbrugghe als professioneel kunstschilder aan het werk is. Daarin staat namelijk dat Verbrugghe “kunstschildster” is. Bovendien geeft de akte een inkijk in de artistieke kringen waarin het echtpaar verkeert. Een van de getuigen bij het huwelijk is namelijk schilder en boekbandontwerper Dirk Hidde Nijland die op 29 mei 1902 getrouwd is met Christines vriendin en Pieters zus Marie.[7] Een ander, namelijk Pieters jongere zuster, zangeres Benjamine van der Meer de Walcheren is drie maanden eerder, getrouwd met schilder en beeldhouwer Georg Kolbe.[8] Dan treden zowel Nijland als Pieter van der Meer de Walcheren op als getuigen.
Italië
Het echtpaar verhuist enkele malen, eerst naar Sint-Agatha-Berchem bij Brussel en daarna naar Vorst waar hun oudste zoon Pierre Leon Joseph Marie (Pieterke) geboren wordt.[9] Van 1903 tot 1910 woont het echtpaar vervolgens in Ukkel vanwaar Verbrugghe opnieuw een reis naar Italië maakt, nu samen met haar echtgenoot. Dan bestuderen ze samen de religieuze kunst uit de middeleeuwen en vroege Renaissance.[10] Op 26 november 1908 schrijft Van der Meer de Walcheren daarover in zijn dagboek: “Onverwachts een grote som geld ontvangen, en dadelijk besloten naar Italië te gaan. We zijn uitbundig blijde met dat vooruitzicht.”[11] De reis maakt vervolgens diepe indruk op beiden. Naar aanleiding van deze reis langs Pisa, Florence, Siena, Venetië, Assisi en Rome schrijft Van der Meer de Walcheren namelijk een boek Uit Italië: reisindrukken dat hij opdraagt aan zijn eega en reisgenote. Aan de andere kant maakt Verbrugghe illustraties en litho’s van haar reisindrukken.[12]
Ook voor Van der Meer de Walcheren, die zelf uit een Nederlands hervormd gezin komt, is de culturele reis een belangrijke stap in de richting van een bekering tot het katholicisme. Over deze stedentrip zegt hij later in een interview namelijk:
Daar zijn mijn vrouw en ik ook naar toe gegaan als heidenen maar we hebben daar een grote kunst ontdekt, die van de katakomben, van de katolieke middeleeuwen en ook die van de Renaissance; we moesten wel vaststellen dat die kunst uit iets voortkwam, dat er achter die kunst iets zat dat wij niet hadden.
De opmerking illustreert bovendien de zoektocht waar het echtpaar zich indertijd mee bezighoudt.[13] Ook voor Christine die antiklerikaal is opgevoed is het namelijk een stap in de richting van een meer kerkelijk ingericht geloofsleven. De reisindrukken zetten iets in beweging en ook hun zoon Pieterke zet het echtpaar aan het denken:
Toen we uit Italië terugkwamen, stelde ons zoontje vragen, waar we niet konden op antwoorden: ‘In Italië gingen we in alle kerken en hier zetten we geen voet in de kerk.’
De ontmoeting met overtuigd katholiek schrijver Léon Bloy doet hen ten slotte besluiten over te gaan tot het kerkelijk katholicisme.
Verf naar zijde

Vebrugghe blijft ondertussen als kunstenaar werkzaam en in de jaren 1910, 1911, 1912 en 1913 gaat ze exposeren op de jaarlijkse salons d’automne in Parijs.[14] Voor het eerst toont ze dan textielkunst, want ze heeft inmiddels de overstap gemaakt van verf naar zijde.
Zie tentoonstellingsoverzicht hieronder.
Op de salons exposeert ze vooral ‘panneaux decoratifs’, ook ‘broderies décoratives murales’ genoemd. Het gaat dus om decoratieve voorstellingen om aan de muur te hangen. Vaak verbeeldt ze Maria of de heiligen, maar ze maakt ook panneaux met meer algemene titels zoals Oiseaux en Printemps. In de catalogus van 1911 wordt bovendien expliciet vermeld: “Toutes les oeuvres sont dessinées et executées par l’auteur”. Ze is dus zowel de ontwerper als de uitvoerder van de stukken.
Daarnaast legt de kunstenares zich toe op kerkgewaden. Ze maakt namelijk paramenten voor de geestelijken van de Sacré Coeur. Ook deze worden als kunstproducten gewaardeerd. Ze zijn namelijk te bewonderen op de salon d’automne in 1912 waar een kazuifel en ornamenten van Verbrugghe te zien zijn.[15] Bovendien borduurt ze een processievaandel met een voorstelling van Jeanne d’Arc, geëxposeerd op de salon in 1913-1914.
Baanbreekster
Hoe ongebruikelijk textiel als kunstvorm nog is, blijkt vervolgens uit de reacties in de pers. De genoemde correspondent van De Maasbode schrijft namelijk dat de naaldkunstenares zich bezighoudt met “een fijne kunst, die wij verloren achtten, doch in het werk van mevrouw van der Meer weer herleeft.”
Deze pionierkant van haar werk valt ook anderen op. “Chr. van der Meer de W. is, wat men gewoonlijk pleegt te noemen, eene baanbreekster,” schrijft weer een ander in De Maasbode (24 januari 1914). Verbrugghe wordt in Nederland dus gewaardeerd vanwege de hernieuwde toepassing van een oude techniek, waarin ze niet onderlegd is, maar waarin ze desalniettemin een hoog niveau weet te bereiken.
Kunstvorm
Over de overstap van Verbrugghe naar textiel onthult verslaggever Jo Lajoost van Van onzen tijd in haar bespreking van Verbrugghes in 1911-1912 wat meer.[16] Zij verklaart namelijk dat de textielkunstenares veel tekende en schilderde:
Een paar jaar geleden probeerde zij een figuurtje met zijde op te vullen en kwam daardoor als bij toeval op het idee, meerdere figuren te teekenen, en deze, al bordurende, als ’t ware te schilderen.
Hoewel textiel als kunstvorm niet voor de hand ligt, is het voor vrouwen indertijd gewoon om te handwerken. Naast nuttige handwerken oefenen veel vrouwen uit gegoede kringen zich ook in wat wel de ‘fraaie handwerken’ worden genoemd. Toch blijven ook de “fraaie” uitvoeringen vaak beperkt tot decoratie van gebruiksvoorwerpen. Van dergelijke kunstzinnige gebruiksvoorwerpen zijn bijvoorbeeld op de tentoonstelling van kunst en nijverheid, door vrouwen vervaardigd, in Leeuwarden in 1878 veel voorbeelden te zien. Over die expostitie schreef ik in verschillende blogposts, zoals ‘Geboren op een schip’.
Waarschijnlijk helpt Verbrugghes achtergrond als professioneel kunstschilder haar om de artistieke mogelijkheden van textiel te onderkennen. Bovendien is er sprake van een belangrijke wisselwerking met haar vriendin Adya Dutilh die tegelijkertijd de stap naar textiel maakt.
Franse pers
Opvallend zijn de tegengestelde meningen over Verbrugghe in de Franse pers. Een journalist van Mercure de France (1 november 1911) is bijvoorbeeld lovend als deze schrijft:
Elle dompte sa matiere, malgré ses excessives ambitions de rendu avec habileté.
Verbrugghe beheerst haar materiaal dus, ondaks haar grote ambities in uitvoering. De Franse journalist laat hier doorschemeren dat haar techniek haar ambities nog niet kan bijbenen, maar uit desalniettemin bewondering. Een ander, die schrijft voor L’Action française (10 oktober 1911), merkt op dat Verbrugghe werkt in de stijl van het fameuze tapijt van Bayeux, maar dat kan deze journalist niet bekoren. Dergelijke stijlen – “les styles primitifs et toutes les écoles ratées” – zijn niet de moeite van het imiteren waard, luidt de conclusie.
Deze mening is hoogstwaarschijnlijk niet volledig gespeend van chauvinisme. In Le monde illustré (6 juli 1912) schrijft een Franse journalist namelijk, na een ellenlange opsomming van namen die allesbehalve Frans klinken, dat het tijd is om minder buitenalndse kunstenaar tot de salons toe te lichten. Preciezer zegt deze dat het tijd is om “misschien de deuren niet volledig te sluiten, maar ze dan te minste minder wijd te openen.” Ook Verbrugghe wordt in deze lijst met buitenlandse namen genoemd. De Franse ophef over het opendeurenbeleid ontgaat ook Nederlandse pers niet, zoals een journalist met initiaal S bijvoorbeeld in Het vaderland (23 december 1913). Deze geeft toe dat er inderdaad meer vreemdelingen dan Fransen op de salon aanwezig zijn, wat “bij patriotten en nationalisten vooral – verontwaardiging heeft verwekt”.
Tapijt van Bayeux
Voor haar doeken vindt Verbrugghe inspiratie in de kunst van de middeleeuwen en de vroege Renaissance. Voor de Franse pers ligt een vergelijking met het tapijt van Bayeux dus voor de hand, ook al gebruikt Verbrugghe andere materialen. Dit 11e-eeuwse borduurwerk is namelijk gemaakt met wollen draad op linnen. Verbrugghe gebruikt echter zijde op zijde om haar voorstelling te vervaardigen. Het eindresultaat heeft daardoor een ander effect.

Desondanks is er sprake van grote visuele overeenkomsten. Allereerst gaat het in beide gevallen om decoratieve objecten, zonder gebruiksfunctie. Beide doeken vertellen een verhaal. De overeenkomsten zitten ook in de manier waarop het verhaal wordt uitgewerkt. Dat blijkt bijvoorbeeld uit een vergelijking van Verbrugghes Maria Magdalena die de voeten van Jezus wast met een willekeurige scène uit het tapijt van Bayeux (hieronder afgebeeld). Ook Verbrugghe bouwt haar voorstelling op uit geborduurde kleurvlakken, vaak omlijnd, terwijl de achtergrond grotendeels onbewerkt blijft. Details, zoals het raam bij Verbrugghe of de hand gods in de begrafenisscène op het tapijt van Bayeux, lijken daardoor in de ruimte te zweven. Net als op het tapijt van Bayeux vult Verbrugghe de achtergrond hier en daar met tekst.

Verbrugghes inspiratiebronnen beperken zich echter niet tot Franse modellen en in de Nederlandse pers worden juist andere verbanden gelegd. Dichteres en essayist, Maria Viola, tevens redactielid van katholiek tijdschrift Van onzen tijd, herkent bijvoorbeeld vroege Nederlandse meesters in het werk van Verbrugghe.[17]
Gelijk de schilder
In 1911 zijn er op een internationale tentoonstelling van Christelijke moderne kunst in Parijs opnieuw taferelen van Verbrugghe te zien. Naast bijvoorbeeld de architectuurontwerpen en glasschilderkunst van Jos Cuypers en schilderkunst van Jan Toorop toont Verbrugghe er scènes van de Verkondiging, Maria Magdalena (hierboven afgebeeld), Jeanne d’Arc en de heilige Julien Hospitator (hieronder).

De zijden doeken zijn niet in de bijbehorende tentoonstellingscatalogus opgenomen, omdat ze later zijn geplaatst, maar het werk maakt er niet minder indruk door.[18] In Het vaderland (11 december 1911) schrijft bijvoorbeeld vertaalster Anny Lieftinck dat het werk volgens haar “tot de weinige lichtpunten dezer expositie” behoort. Ze vervolgt dan:
Het métier, waarmee deze artiste haar kunst voert, bestaat uit het schilderen met zij op zijde. In plaats van verf gebruikt ze zijde, die ze in warme mengeling van kleur op zijstof borduurt. Men kan dit werk geen “broderie d’art” noemen, daar mevr. v.d. M. zich aan geen voorgeschreven steken houdt, ze zelfs niet kent, zoo vertelde ze me persoonlijk, maar haar naald willekeurig en schilderend voert gelijk de schilder zijn penseel.
Op basis van dit citaat beweert historica Marike van Roon in haar studie naar katholiek textiel overigens dat Verbrugghe zich aanvankelijk ook met tekenen en schilderen bezighield “zonder enige kunstopleiding”.[19] De kunstenares heeft inderdaad geen opleiding in textiel, maar wel in tekenen en schilderen. Ongetwijfeld draagt deze opleiding bij aan de manier waarop zij als textielkunstenares haar werk vormgeeft. Sterker nog, Verbrugghe geeft zelf aan dat zij haar naald voert zoals een schilder het penseel. Met antwoorden, al bordurend ‘beschildert’ zij haar zijden doeken.
Middeleeuwen

Inspiratie voor haar werk vindt Verbrugghe ook in Italiaanse kunst van de late middeleeuwen en proto-Renaissance die ze tijdens haar reizen naar Italië uitvoerig bestudeerd heeft. Tijdens de reis maakt ze tekeningen en litho’s die ze vervolgens mee naar huis neemt.
Wanneer Pieter van der Meer de Walcheren op 8 november 1909 een notitie maakt in zijn dagboek waarin hij hun woning in Parijs beschrijft, zegt hij dan ook: “Deze is zeer stemmingsvol. Aan den effen wand hangen foto’s naar schilderingen van Giotto, uit Padua en Assisi.” De foto’s zijn ongetwijfeld herinneringen aan hun gezamenlijke reis langs deze Italiaanse steden. Ook beschrijft hij de schouw: “Daarboven hangt de foto naar het grote Madonnaschilderij van Duccio.” Op deze laatmiddeleeuwse voorbeelden grijpt Verbrugghe daarna geregeld terug.
Soberheid
Meestal horen we over Verbrugghe via de de pers en via haar echtgenoot, maar de naaldkunstenares is zelf aan het woord in een rapport dat verschijnt bij de tentoonstelling over borduurkunst in Musée Galliera in 1912. Ze zegt namelijk dat de soberheid haar aantrekt in de kunst van de Italiaanse primitieven.
Daarnaast noemt ze de Vlaamse kunstenaars van de 15e eeuw als haar grote voorbeelden. Daarover zegt ze:
Je tâche d’exprimer mon sujet le plus sobrement possible, tant en lignes qu’en couleurs, m’inspirant de l’admirable sobriété des Primitifs italiens et flamands.
Ze streeft er dus naar om haar onderwerp zo ingetogen mogelijk weer te geven, geïnspireerd door Italiaanse en Vlaamse meesters van de late middeleeuwen en vroege Renaissance. Ook al zijn het slechts een paar zinnen waarin we van haar horen, het rapport geeft een uniek inkijkje in de gedachten van de kunstenares over haar inspiratiebronnen.
Glans en reflectie
Ook spreekt zich uit over haar materiaalkeuze. Ze kiest voor zijde, verklaart ze namelijk, vanwege de kleurkwaliteiten. De glans en reflectie van zijde ontbreken immers in verf. Het is daarom extra jammer dat er niets van Verbrugghes naaldwerk bewaard is gebleven, want op de zwart-witfoto’s van haar werk uit contemporaine bronnen ontbreekt juist de kleur en glans die Verbrugghe aantrekken in haar materiaal.
Volgende week schrijf ik meer over het werk van Christine Verbrugghe waarbij ik ook inga op haar betekenis voor de herwaardering van naaldwerk als kunstvorm en de herleving van katholieke kunst in Nederland.
Tentoonstellingsoverzicht
Christine Verbrugghe exposeert vanaf 1910. De eerste jaren doet ze dat in Parijs waar ze zich in 1911 vestigt met haar echtgenoot. In 1914 exposeert ze in de kunsthandel van Piena Deenik in Amsterdam. Ze heeft in Nederland al enige bekendheid, maar maakt dan veel indruk met haar naaldwerk. Recensenten roemen dan vooral de paramenten voor de geestelijken van de Sacré Coeur, ook al maakt Verbrugghe ook niet-kerkelijk en niet-religieus werk. Dezelfde expositie is daarna nog te zien in Utrecht, Rotterdam en Hengelo. Daarna exposeert de textielkunstenares slechts bij periodes, in 1921-1922 en 1950-1951. Dat laten althans de expositie zien die ik tot nu toe heb teruggevonden. Postuum is haar werk nog te zien op een tentoonstelling van de Katholieke Werkgemeenschap in Amsterdam in 1954 en in Antwerpen in 1957, op een expositie gewijd aan haar echtgenoot.
Parijs, Société du Salon d’automne, 1910: Salon d’automne, 1 oktober – 8 november
- “Les Oiseaux (broderie décorative murale)” (nr. 1171)
- “Printemps (broderie décorative murale)” (nr. 1172)
_ , Musée Galliera, 1910: Tentoonstelling, vanaf 15 december [recensie van Cécile de Jong van Beek en Donk in De nieuwe courant (25 december 1910), p. 6 via Delpher]
- “Légende de saint Julien l’Hospitalier”

_ , Société du Salon d’automne, 1911: Salon d’automne, 1 oktober – 8 november [recensies in Het nieuws van den dag (5 oktober 1911), p. 6 via Delpher, in L’Action Française (10 oktober 1911) via Gallica en in Mercure de France (1 november 1921), p. 176 via Gallica]
- “Légende de saint Julien l’Hospitalier” (nr. 1630)
- “Sainte Marie Madeleine” (nr. 1631)
- “L’Annonciation” (nr. 1632)
- “La Visitation” (nr. 1633)

_ 1911: Internationale tentoonstelling van Christelijke moderne kunst, 14 november – 31 december [recensies in Het nieuws van den dag (25 november 1911), p. 24 via Delpher, van Anny Lieftinck in Het vaderland (11 december 1911), p. 2 via Delpher en in “No. 14. Verslag”, Verzameling van verslagen en rapporten behoorende bij de Nederlandsche Staatscourant (1 januari 1912), p. 2 via Delpher]
- “4 werken: zijden geborduurde tafreelen.” [opmerking in “No. 14. Verslag”, Verzameling van verslagen en rapporten. Bijvoegsel tot de Nederlandsche Staatscourant van Zondag 25 en Maandag 26 Februari 1912, nr. 47 (1912), p. 2 [Delpher].
- “Een verkondiging”
- “een Maria Magdalena, Christus de voeten wasschend”
- “een glorieuze te paard gezeten Jeanne d’Arc uitroepende: ‘Je vous amène le meilleur secours qui soit, le secours du Roy des Cieux'”
- “vier scènes uit de door Flaubert zoo schitterend neergeschreven legende van St Julien I’Hospitalier”
_ , Société du Salon d’automne, 1912: Salon d’automne, 1 oktober – 8 november [recensie in De Maasbode (19 oktober 1912) via Delpher]
- “Madona” [sic] (nr. 1680)
- “Petites brodeuses” (nr. 1681)
- “Chasuble et ornements” (nr. 1682)
_ , Musée Galliera, 1912: Broderies
- “Panneau décoratif Sainte Madeleine”
- “Panneau décoratif Les Oiseaux”
_ , Société du Salon d’automne, 1913-1914: Salon d’automne, 14 november – 5 januari [recensie van S. in Het vaderland (23 december 1913), p. 5 via Delpher]
- “Bannière de Jeanne d’Arc” (nr. 2032)
- “Panneau décoratif (broderie)” (nr. 2033)
Amsterdam, kunsthandel van Piena Deenik, 1914: Tentoonstelling van het kunstnaaldwerk van Christine van der Meer de Walcheren, 23 januari – 7 februari [recensies in De Maasbode (24 januari 1914), p. 1 via Delpher en in Algemeen handelsblad (30 januari 1914), p. 8 via Delpher, in Het Bloemendaalsch weekblad (31 januari 1914), p. 3 via Krantenviewer NHA en van Maria Viola in Van onzen tijd 14, nr. 18 (1913-1914), p. 279-282 via Delpher]
- “vaan met de Jeane [sic] d’Arc-figuur”
- “liturgische paramenten .. in opdracht van de geestelijkheid van de Basilique du Sacré Coeur op Montmartre te Parijs. Het groene kazuifel vertoont aan de rugzijde het kruis met een Christus. Twee kleine Engelenfiguren vangen het kostbare Bloed van den Verlosser in gouden kelken op. Onder het kruis staat eene kleurige groep personen, Maria, Joannes, enz. De voorzijde vertoont vier medaillons, waarin tafereelen der lijdensgeschiedenis verbeeld zijn: de Doodstrijd van Christus in den tuin van Gethsemani, de Geeseling, de Doornenkroning en de Val onder het Kruishout. Een bij dit kazuifel behoorende stola heeft aan de uiteinden twee medaillons met dierenfiguren… Op de bursa voor het corporale is een Christusfiguur verbeeld, die uit een gouden kelk de blanke Hostie reikt.” Op het kerkkleed tot slot “is een medaillon aangebracht, waarin eene Pietà is geborduurd.”
- “groote doek, waarop een vijftal tafereelen uit de legende van ‘St. Julien l’Hospitalier’ – zooals deze door Flaubert geschreven is – verbeeld zijn”
- “maaltijd bij Simon den Phariseër: ‘Sainte Marie Madeleine aux pieds de Notre-Seigneur’.”
- “ciboriedekje”
- “twee dansende vrouwen”
- “Boodschap van Gabriël aan Maria”
- “drie flamingo’s met het pauwenmotief op den achtergrond (eigendom van mevr. Frenckel-de Jong van Beek en Donk)”
- “Sainte avec des oiseaux” (eigendom van Léon Bloy)”
- “het borduurstertje, dat neergehurkt zit op een kleurig tapijtje”
- “Madonna”
- “doekje voorstellende Jeanne d’Arc voor de poorten van Orleans: ‘Je vous amène le meilleur secours qui soli [sic: soit], le secours du Roy des cieux’.”
- “Maria’s bezoek aan Elisabeth”
- maar ook “enkele profane gebruiksartikelen als een kraagje, een beursje enz.”
Utrecht, Caramelli en Tessaro, 1914: Tentoonstelling van borduurwerk door Christine van der Meer de Walcheren, 7 – 21 februari [advertentie in De Maasbode (12 februari 1914), p. 6 via Delpher]
- zelfde als voorgaande [volgens De Maasbode (24 januari 1914), p. 1 via Delpher ]
Rotterdam, kunsthandel Van Langenhuysen, 1914: Tentoonstelling van het kunstnaaldwerk van Christine van der Meer de Walcheren, begin tot half maart
- zelfde als voorgaande [volgens De Maasbode (24 januari 1914), p. 1 via Delpher]
Hengelo, ver. Kunst en Kunstnijverheid, 1914: Tentoonstelling van Kunstnaaldwerk van Mevr. van der Meer de Walcheren, vanaf 15 april [aankondigingen in Nieuwe Hengeloosche courant (11 april 1914), p. 9. Geraadpleegd op Delpher en recensie in Nieuwe Hengeloosche courant (18 april 1914), p. 6 via Delpher]
- “Kunstnaaldwerk”… “Het meerendeel is religieus borduursel, ‘Naaldschilderwerk’ met tafereelen uit den Bijbel of uit de legenden der Heiligen of voorstellingen uit het dagelijksch leven. Ook priestergewaden en gebruiksvoorwerpen voor den R.K. eerendienst bestemd”, o.a.
- “Jeanne d’Arc op het groote vaandel”
- “De Heilige Maria Magdalena aan de voeten van Christus”
Tilburg, Kunstkring Ons Zuiden, 1921: Tentoonstelling van gewijde kunst in het Beursgebouw [als “Mevr. v.d. Meer de Walstein”) [recensies van Bernard de Meulder in Opgang 1, nr. 6 (26 maart 1921), p. 150 via Delpher en in De Maasbode (27 maart 1921), p. 9 via Delpher; rectificatie in De Maasbode (31 maart 1921), p. 2 via Delpher en van J.D. Meijsing in Het gildeboek 4, nr. 3 (1921), p. 141-145 ill. via Delpher]
- “kunstnaaldwerk” o.a.
- “H. Maria Magdalena, de voeten van Jesus zalvende”
Breda, zaal André Loyens, 1921: Tentoonstelling van schilder- en beeldhouwwerken, 15 – 22 september [recensie in De Maasbode (17 september 1921) via Delpher]
- “handborduursel… (Emmaüsgangers)”
Amsterdam 1922: Tentoonstelling religieuze kunst in ’t Kunstnijverheidshuis [recensie van E.W.K. in Opgang 2, nr. 59 (1 april 1922), p. 386-395 ill. via Delpher]
- “vaandel van een boerenbond”
Utrecht, Nieuw Religieus Museum, 1950: Tentoonstelling van kunstnaaldwerk [recensie van C.A.S. in Nieuw Utrechtsch dagblad (19 augustus 1950), p. 3 via Delpher, van A. Bgl. in De tijd (17 augustus 1950), p. 3 via Delpher, van A.L. in Dagblad voor Noord-Limburg (26 augustus 1950), p. 5 via Delpher, van I.A. in De Maasbode (28 augustus 1950), p. 3 via Delpher en Béatrice Jansen in Katholiek bouwblad 17, nr. 23 (2 september 1950), p. 378 via Delpher]
- “engelen en heiligen, dikwijls naar een ontwerp van haar dochter Mère Christine O.S.B.”, onder andere
- “Vlucht naar Egypte” (nr. 139)
Venlo, Ars Longa, 1951: Tentoonstelling voorafgaand aan de verloting [vermelding in Dagblad de stem (5 april 1951), p. 2 via Delpher]
- “een Madonna met Kind”
Amsterdam, Amsterdamse Katholieke Werkgemeenschap, 1954: Expositie van katholieke kunstenaars in Museum Fodor [aankondiging in De Maasbode (22 april 1954), p. 4 via Delpher en recensies van J.A.L in De telegraaf (17 april 1954), p. 9 via Delpher en van Gabriël Smit in De volkskrant (7 mei 1954), p. via Delpher]
- “enig naaldwerk”
Antwerpen 1957: Tentoonstelling over leven en werk van … Pieter van der Meer de Walcheren, 14 december – 19 december [aankondiging in De volkskrant (9 december 1957), p. 2 via Delpher]
- “tekeningen en kunstnaaldwerk”
Literatuur
- Corsmit, Ward, ‘Pieter Van der Meers kontakten met Vlaanderen’, Ons erfdeel 14 (1970-1971), p. 171-173. [DBNL]
- Enzinck, Willem, Otto en Adya van Rees: leven en werk tot 1934 (Utrecht, Centraal Museum en Den Haag, Haags Gemeentemuseum, 1975).
- Florquin, Joos, Ten huize van… 4 (Leuven: Davidsfonds, 1968 [1966]). [DBNL]
- Huiskamp, Marloes, ‘Dutilh, Adriana Catharina.’ In Digitaal Vrouwenlexicon van Nederland, online 4 september 2017. [website]
- Klarenbeek, Hanna, Penseelprinsessen & broodschilderessen: Vrouwen in de beeldende kunst 1808-1913 (Bussum: Thott, 2012).
- Knuvelder, Gerard Petrus Maria, Pieter van der Meer de Walcheren (Het Spectrum, [1940]). [Delpher]
- Lajoost, Jo, ‘Borduurwerk,’ Van onzen tijd 12, nr. 29 (1911-1912) p. 469-470.
- Meer de Walcheren, Pieter van der, Uit Italië: reisindrukken (Amsterdam: W. Versluys, 1911).
- _ , Mijn dagboek 1907-1911, 2e ed. met een nieuwe inleiding (‘s-Hertogenbosch: Teulings, 1923 [1913]).
- _ , Alles is liefde (Brugge: Desclée de Brouwer, 1960).
- Parijs, Catalogue des ouvrages de peinture, sculpture, dessin, gravures, architecture et art décoratif exposés au Grand Palais des Champs-Elysées du 1er octobre au 8 novembre 1910 (Parijs: Société du Salon d’automne, 1910). [Gallica]
- _ , Catalogue des ouvrages de peinture, sculpture, dessin, gravures, architecture et art décoratif exposés au Grand Palais des Champs-Elysées du 1er octobre au 8 novembre 1911 (Parijs: Société du Salon d’automne, 1911). [Gallica]
- _ , Catalogue des ouvrages de peinture, sculpture, dessin, gravures, architecture et art décoratif exposés au Grand Palais des Champs-Elysées du 1er octobre au 8 novembre 1912 (Parijs, Société du Salon d’automne, 1912). [Gallica]
- _ , Catalogue des ouvrages de peinture, sculpture, dessin, gravures, architecture et art décoratif exposés au Grand Palais des Champs-Elysées du 15 Novembre 1913 au 5 Janvier1914 (Parijs, Société du Salon d’automne, 1913). [Gallica]
- _ , Musée Galliera, Exposition de la broderie et de ses applications: Musée Galliera, 1912 (1912). [Bibliothèques patrimoniales]
- _ , _ (rapport), Exposition de la broderie et de ses applications au Musée Galliera 1912: rapport général (1912). [Bibliothèques patrimoniales]
- Roon, Marike van, Goud, zilver & zijde: Katholiek textiel in Nederland 1830-1965 (Zutphen: Walburg Pers, 2010).
- Ruiter, Frans en Wilbert Smulders, Literatuur en moderniteit in Nederland 1840-1990 (Amsterdam/Antwerpen: De Arbeiderspers, 1996). [DBNL]
- Viola, Maria, ‘Borduurkunst van Christine van der Meer de Walcheren’, Van onzen tijd 14, nr. 18 (1913-1914), p. 279-282 [Delpher].
Noten
[1] Zeeuws Archief te Middelburg, archief 25, inv.nr. VLI-H-1872, 18 juni 1872, aktenr. 43 [scan ZA] en id., archief 7434, inv.nr. 515, 1860-1890, Vlissingen, bevolkingsregister 1860-1890 deel V2-3, folio 78 [scan ZA].
[2] Voor de geboorteakte van Marie Wilhelmine Christine Theobaldine, zie Zeeuws Archief te Middelburg, archief 25, inv.nr. VLI-G-1873, 25-08-1873, Vlissingen geboorteakten burgerlijke stand, aktenr. 261 [scan ZA]. Voor Christine Wilhelmina Francine Josephine, zie id., archief 25, inv.nr. VLI-G-1876, 11-08-1876, Vlissingen geboorteakten burgerlijke stand, aktenr. 251 [scan ZA].
[3] Huiskamp 2017, Klarenbeek 2012, p. 207, n. 206 en Enzinck 1975, p. 18. Pieter van der Meer noemt Verbrugghes leertijd bij “een in die tijd te Brussel bekende leraar-schilder” in Alles is liefde. Zie Meer de Walcheren 1960, p. 116.
[4] Meer de Walcheren 1911, ook geciteerd in Corsmit 1970-1971, p. 171.
[5] ‘Pater Pieter van der Meer de Walcheren Sint-Paulusabdij, Oosterhout (Nederland)’ in: Florquin 1968 [1966], p. 303-304. Pieter van der Meer refereert ook aan deze vriendschap van Verbrugghe met zijn zus in Alles is liefde. Zie Meer de Walcheren 1960, p. 116.
[6] Rijksarchief België (Brussel) te Leuven, BS Huwelijk Burgerlijke stand Brussel, Leuven, 18 juni 1902, aktenr.1075. Zie Enzinck 1975, p. 18. Enzinck vertelt bovendien dat Adya in Italië litho’s maakt.
[7] Erfgoed Leiden en omstreken, archief 0401, inv.nr. 2410, 29 mei 1902, 1904, aktenr. 30 [scan].
[8] Rijksarchief België (Brussel) te Leuven, BS Huwelijk Burgerlijke stand Brussel, Leuven, 22 februari 1902, aktenr. 23.
[9] Florquin 1968 [1966], p. 307. Voor de verhuizing naar Ukkel, zie Knuvelder [1940], p. 15.
[10] Ruiter en Smulders 1996, p. 208-209. De reis is het onderwerp van Pieter van der Meer de Walcherens Uit Italië en speelt ook in zijn andere boeken een grote rol. Zie Meer de Walcheren 1911 en bijvoorbeeld Meer de Walcheren 1960, p. 123.
[11] Meer de Walcheren 1923 [1913], p. 53.
[12] Meer de Walcheren 1911. De tekeningen en litho’s van Verbrugghe worden genoemd in De Maasbode (24 januari 1914), in De Tijd (31 januari 1914), p. 2 [Delpher] en door Lajoost 1911-1912, p. 469.
[13] Florquin 1968 [1966], p. 311-313.
[14] Parijs 1910, p. 174; Parijs 1911, p. 192, Parijs 1912, p. 210 en Parijs 1913, p. 245.
[15] Lajoost schrijft in de twaalfde jaargang van Van onzen tijd (1911-1912): “Op het ogenblik werkt zij aan een priestergewaad, dat in de Sacré-Coeur op Montmartre gebruikt zal worden.” Zie Lajoost 1911-1912.
[16] Lajoost 1911-1912, p. 469.
[17] Viola 1913-1914, p. 279-282.
[18] “No. 14. Verslag”, Verzameling van verslagen en rapporten. Bijvoegsel tot de Nederlandsche Staatscourant van Zondag 25 en Maandag 26 Februari 1912, nr. 47 (1912), p. 2 [Delpher].
[19] Roon 2010, p. 183. Elders noemt Marike van Roon Verbrugghe autodidacte, zonder kunstvorm te specificeren. Roon 2010, p. 357.