Toveren met naald

Vanaf 1910 maakt Christine Verbrugghe indruk met haar kunstnaaldwerk. In mijn vorige post noemde ik al de tentoonstellingen in Parijs tussen 1910 en 1913 waar de textielkunstenares furore maakt. In Nederland wordt haar bekendheid alleen maar groter met een solotentoonstelling in de kunsthandel van Piena Deenik in Amsterdam in 1914. Na de Eerste Wereldoorlog neemt haar tentoonstellingsactiviteit echter af. Verbrugghe exposeert dan nog maar sporadisch, al blijft haar werk onverminderd overtuigen. In 1951 meent een recensent van Dagblad de stem nog dat de textielkunstenares kan toveren met naald.

Keuze voor katholicisme

Religie loopt als een rode draad door het leven en werk van Christine Verbrugghe. In 1911 besluiten zij en haar echtgenoot Pieter van der Meer de Walcheren hun voorkeur voor het rooms-katholicisme te formaliseren, met doop en een kerkelijk huwelijk. De doopplechtigheid in januari moet iets worden uitgesteld omdat hun zoon kinkhoest heeft, maar op 24 februari worden vader Pieter en de 8-jarige Pieterke in de kerk van Saint-Médard gedoopt. Goede vrienden Léon Bloy en zijn vrouw, bij wie Verbrugghe en Van der Meer de Walcheren steun vinden in hun zoektocht naar betekenisgeving, treden daarbij op als peetvader en peetmoeder.[1]

Christine doet niet mee aan de doop, omdat zij van huize uit katholiek en dus al gedoopt is. Wel ontvangen Verbrugghe en Van der Meer de Walcheren samen het sacrament van het huwelijk. op 11 april doet het echtpaar vervolgens ook hun eerste communie gezamenlijk in de Basiliek du Sacré Coeur op Montmartre. Deze overwogen en bewuste keuze van Verbrugghe voor deze kerkelijke vorm van het katholieke geloof blijft haar kunst en artistieke keuzes in haar verdere leven beïnvloeden.

In de Franse hoofdstad, waar ze vanaf 1910 wonen, brengen Verbrugghe en Van der Meer de Walcheren nog twee kinderen ter wereld: Anne Marie Veronique Martine in 1912 en Jean-François (Janneke-Frans) in 1915.[2] Deze laatste sterft echter op jonge leeftijd. In 1917 krijgt hij een hersenvliesontsteking en komt hij binnen anderhalve dag te overlijden.[3] Het is de eerste, maar niet de laatste van hun kinderen die te jong aan de wereld worden onttrokken.

Piena Deenik

In 1914 krijgt Verbrugghe dan de mogelijkheid om haar werk te exposeren in de kunsthandel van Piena Deenik (ook Piene Deenik) in Amsterdam. Slechts twee jaar daarvoor heeft Deenik haar galerie aan de Spiegelstraat geopend waar zij “moderne schilderijen, etsen, teekeningen, oude en nieuwe kunstvoorwerpen” gaat exposeren volgens een advertentie in Algemeen handelsblad (5 augustus 1912).

Advertentie in De tijd (31 januari 1914), p. 2. Bron: Delpher

Tijdens een eerste expositie in haar galerie toont Deenik onder andere het werk van Jac. van Looij, Theo Hoytema en Leo Gestel. De kunsthandel is echter geenszins tot moderne schilderkunst beperkt. “De bezoekers kunnen er ook genieten van interessante voorwerpen van kunstnijverheid,” vertelt een recensent van Algemeen handelsblad (7 augustus 1912). De interesse van Deenik voor kunstnijverheid blijkt ook wanneer Verbrugghe er een solotentoonstelling heeft. In 1914 toont de naaldwerkster er onder andere de liturgische paramenten die ze ontworpen heeft voor de geestelijken van de Sacré Coeur. Dat blijkt bijvoorbeeld uit bericht in De Maasbode (24 januari 1914).

Bereik

Ook dichteres en essayist Maria Viola schrijft een gunstige recensie in maandblad Van onzen tijd naar aanleiding van de tentoonstelling bij Piena Deenik.[4] Viola herkent in Verbrugghes werk de schatplichtigheid aan vroege Nederlandse meesters. Volgens haar voorkomt Verbrugghe zo dat ze vervalt in “het zoetelijke, het geestlooze, waarin hedendaagsch religieus werk zoo spoedig vervalt”.

Maar Verbrugghe maakt niet uitsluitend kerktextiel en in Amsterdam toont ze ook ander werk. Een anonieme recensent van Algemeen handelsblad (30 januari 1914) merkt daarom naar aanleiding van de expositie bij Deenik op:

Men heeft het tentoongestelde „kerkborduursel” genoemd, – ten onrechte: slechts een deel van dit kunstnaaldwerk is voor de kerk bestemd.

Deze journalist noemt bijvoorbeeld religieus borduurwerk, dus borduursel dat wel een religieus onderwerp heeft, maar niet voorkerkelijk gebruik bedoeld is. Daarnaast noemt deze voorstellingen uit het dagelijks leven: “twee dansende jonge meisjes; een bordurende vrouw.” Het bereik van Verbrugghe is dus veel groter dan kerkelijk en religieus textiel. Hoewel de naaldkunstenares ook niet-kerkelijk en niet-religieus werk maakt, is het in de pers toch vooral het religieuze werk dat de aandacht krijgt.

Pleitbezorgers

Verbrugghe vindt een aantal vurig pleitbezorgers. Liefhebber van het eerste uur is Cécile de Jong van Beek en Donk die vooral bekendheid krijgt met haar feministische roman Hilda van Suylenburg uit 1897. De schrijfster werkt als correspondent voor De nieuwe courant in Parijs, als ze in 1910 een opening van een tentoonstelling in Musée Galliera te Parijs bijwoont. In De nieuwe courant (25 december 1910) beschrijft ze hoe ze daar een wandkleed van Verbrugghe tegen het lijf loopt en onmiddellijk gefascineerd is. Vervolgens introduceert ze Verbrugghe bij de bevriende beeldhouwer Émile-Antoine Bourdelle die Verbrugghe zal helpen om haar werk in Parijs te verkopen.[5]

Het hoeft dan ook niet te verbazen dat De Jong van Beek en Donk een werk van Verbrugghe in bezit heeft. In 1914 staat ze dit doek met “drie flamingo’s met het pauwenmotief op den achtergrond” tijdelijk af voor de tentoonstelling in de kunsthandel van Deenik, volgens een correspondent van De Maasbode (2 januari 1914).

Ook in de bevriende schrijver Léon Bloy vindt de naaldwerkster een trouw aanhanger. Dat weet ook een journalist van De morgen (11 augustus 1936). Deze citeert Bloy die lovende woorden tekort komt om het naaldwerk van zijn goede vriendin te omschrijven:

Door de werking van de samenstelling of verdeeling der stoffen, die ik niet in staat ben te verklaren, verkrijgt ze reliefs, schaduwen, weerkaatsingen, lichttrillingen, zooals dat met hun penseelen van het aardsche paradijs een Giotto, een Fra Angelico, een Filipo Lippi konden te weeg brengen, van welke schilders zij de Germaansche nazaat is.

Ook Bloy is, net als De Jong van Beek en Donk, eigenaar van werk van Verbrugghe. Hij geeft het doek Sainte avec des oiseaux voor de expositie bij Deenik in bruikleen.

Verbrugghe vindt haar aanhangers dus veelal in de katholieke gemeenschap. Bloy is in Parijs een steun en toeverlaat voor Verbrugghe en haar echtgenoot in hun zoektoch naar zingeving. Bij de doop van Pieter van der Meer de Walcheren en zijn zoon treedt hij zelfs op als peetvader. Ook De Jong van Beek en Donk zal zich tot het katrholicisme bekeren. In 1904 is ze met een katholieke man getrouwd, al duurt het nog tot 1916 voordat zij zich laat dopen.[6]

Adya Dutilh

Onderwijl is Verbrugghe nog steeds hecht met haar studievriendin en kunstenares Adya Dutilh met wie ze dezelfde levensopvattingen deelt. De vriendinnen verkeren namelijk in dezelfde socialistische kringen en houden er dezelfde links-liberale overtuigingen op na. Bovendien ambiëren Christine en Pieter in eerste instantie een huwelijk naar gewoonterecht, zoals ook Dutilh en Van Rees dat sluiten.[7] Het gaat om een huwelijk zonder formele ceremonie, huwelijksakte of registratie, waarbij een koppel samenwoont en zich naar de buitenwereld toe als echtgenoten presenteert. Ook Verbrugghe en Van der Meer de Walcheren willen hun huwelijk op die manier vormgeven, maar laten dat idee uiteindelijk varen vanwege de grote bezwaren van hun familie. Daarnaast delen Verbrugghe en Dutilh vrienden zoals Bloy.

Niet alleen de wijze waarop de twee vrouwen in het leven staan, ook hun artistieke voorkeuren vertonen overeenkomsten. Na de geboorte van haar dochter Aditya in 1906 schildert en tekent Dutilh niet meer, maar ze legt zich dan volledig toe op borduren. Daarom schrijft Museum Schiedam naar aanleiding van hun recente tentoonstelling over het kunstenaarsechtpaar Adya Dutilh en Otto van Rees:

In een tijd waarin vrouwen doorgaans worden geacht na het huwelijk te stoppen met werken, vindt zij in haar relatie met Otto ruimte zich te blijven ontwikkelen. Ze is een succesvol kunstenaar, wat tamelijk uitzonderlijk is in haar tijd: haar werk is te zien op internationale tentoonstellingen en wordt afgebeeld in tijdschriften. Met de komst van hun eerste dochter in 1906 besluit Adya zich meer te richten op tekenen en borduren dan op schilderen.[8]

Het zijn opmerkingen die ook gemaakt hadden kunnen worden over Verbrugghe. Ook zij legt na de geboorte van haar eerste kind har penseel neer, neemt de naald op (al is onduidelijk wanneer precies). Ook zij blijft zich na haar huwelijk ontwikkelen als kunstenaar en blijft haar werk exposeren.

Leven lang tekenen

Zoals Dutilh blijft Verbrugghe bovendien haar leven lang tekenen, zoals Pieter van der Meer de Walcheren memoreert in zijn boek Alles in liefde.[9] Hij herinnert zich hoe zijn echtgenote van talloze personen die hen bezoeken, “verscheidene merkwaardige portret-tekeningen” maakt. Haar “schildergave” gebruikt zij dan nog uitsluitend voor haar kunstnaaldwerk. Net als Dutilh richt Verbrugghe zich na haar huwelijk dus meer op tekenen en naaldwerk dan op schilderen, al kiest zij met haar werk steeds voor figuratie terwijl de bordurende Dutilh zich ook aan abstractie waagt.

Verbrugghe laat bovendien de achtergrond van haar figuratieve voorstellingen vaak onbewerkt, terwijl Dutilh meestal het gehele doek met borduurwerk opvult. Ook kiest Verbrugghe er vaak voor om de voorstellingen aan te vullen met geborduurde tekst. Toch zijn er overeenkomsten, in materiaal, techniek en thematiek. Ook Dutilh waagt zich soms aan religieuze voorstellingen.

Daarnaast brengen Verbrugghe en Dutilh hun steken op vergelijkbare wijze aan op het doek, wat kunsthistorica Merel van Tilburg ook al opmerkte in een recent artikel over Dutilh in De witte raaf.[10]. Daarbij vullen zij vlakken met steken die vlak naast elkaar liggen en met de vorm van het vlak meebewegen, zoals penseelstreken. Vanwege deze specifieke borduurtechniek vergelijken kunstrecensenten Verbrugghes werkwijze dan ook geregeld met schilderwerk. In de vorige blogpost noemde ik al verslaggever Jo Lajoost van Van onzen tijd die in 1911-1912 schrijft dat Verbrugghe op het idee kwam om “al bordurende, als ’t ware te schilderen.” Anny Lieftinck spreekt in Het vaderland (11 december 1911) van “schilderen met zij op zijde” en weer een andere journalist spreekt van “schilderen met de naald” in Algemeen handelsblad (30 januari 1914).

Bij het uitbreken van de eerste wereldoorlog treedt ook Dutilh toe tot de rooms-katholieke kerk. Het ligt voor de hand dat Verbrugghe, die haar katholicisme inmiddels ook in een meer kerkelijke vorm heeft gegoten, een rol speelt in het besluit van Dutilh om zich te laten dopen. Bij het doopsel treedt Verbrugghe op als Dutilhs peetmoeder.[11]

In de wereld

Van 20 november 1918 gaat het gezin Van der Meer de Walcheren-Verbrugghe in Oosterhout wonen, nabij de Petrusabdij.[12] Christine en Pieter worden seculier oblaat. Op deze manier verbinden ze zich aan de Petrusabdij zonder er in te treden. De abdij bestaat uit de abt, de paters en de broeders, en de oblaten ten slotte leven ‘in de wereld’ buiten de kloostermuren.

Ondertussen legt Christine zich verder toe op borduurwerk voor de katholieke gemeenschap. Behalve het kazuifel dat ze maakt voor de geestelijken van de Sacré Coeur waagt ze zich in Parijs ook aan een vaandel. Het vaan met een voorstelling van Jeanne d’Arc dat zij op de tentoonstelling van Christelijke moderne kunst in 1911, op de salon in 1913 en bij Piena Deenik in 1914 tentoonstelt, was daarvan slechts een eerste proeve.

Christie Verbrugghe, Cathedra S. Petri Antiochiae, zijden vaandel voor N.C.B. afdeling Boxtel, foto in Opgang 2, nr. 59 (1 april 1922), p. 392. Bron: Delpher

In de jaren 1920 ontwerpt en borduurt de naaldkunstenares opnieuw verschillende vaandels, dan voor katholieke verenigingen in Nederland, zoals voor de afdeling Boxtel van de Noordbrabantschen Christelijke Boerenbond. Het Boxtelse vaandel is onder andere te zien op kunsttentoonstelling te Tilburg in 1921 en een tentoonstelling van religieuze kunst in ’t Kunstnijverheidshuis in 1922. In het Weekblad van den Noordbrabantschen Christelijken Boerenbond (1920) schrijft een journalist over het vaandel:

In en kleuren-verdeeling doet zij denken aan de mooiste borduurwerken uit den gouden tijd dezer edele vrouwenkunst.[13]

Ook voor de Utrechtse Mannencongregatie ontwerpt Verbrugghe een vaandel dat wordt beschreven in Utrechtsch provinciaal en stedelijk dagblad (14 april 1930). Daarop beeldt ze een Piëta af: Maria met haar overleden zoon op haar schoot. Bovendien maakt Verbrugghe wandkleden voor kerken, zoals de Thomaskerk te Amsterdam. Dat meldt bijvoorbeeld De tijd (28 december 1953).

Overigens vindt het kazuifelontwerp van de Sacré Coeur dan nog steeds bewonderend publiek. In een lezing over hedendaagse paramentiek, afgedrukt in Utrechtsche courant (23 november 1920), noemt historicus Antonius Egbertus Rientjes het kazuifel en roemt daarbij Verbrugghe om haar techniek, haar “groote eenvoud van voorstelling” en “haar gloeiende kleuren [en] gewaagde tinten.”

Te zelden

Ondertussen is het gezin Van der Meer de Walcheren-Verbrugghe in Amsterdam gaan wonen. Hij wordt daar vanaf 1924 redacteur van het rijk, in zwart-wit geïllustreerd katholiek weekblad Opgang gewijd aan godsdienst, cultuur, architectuur, beeldende kunst en maatschappij. Ook het werk van Verbrugghe kwam er wel eens aan bod. Het vaandel met Petrus voor de N.C.B. Boxtel kreeg bijvoorbeeld uitvoerig aandacht.[14]

Toch exposeert Verbrugghe niet meer heel geregeld, ook al doet dar niet af aan haar bekendheid. Dat laat bijvoorbeeld een recensent met de initialen M.V., wellicht Maria Viola, van Algemeen handelsblad (8 december 1926) doorschemeren. In 1926 noemt deze Verbrugghe haar in een adem met naaldkunstenaars Adya Dutilh en Constance Petronella de Nerée tot Babberich-van Houten “wier arbeid men … op tentoonstellingen van naaldkunst te zelden ziet”. Wie in de deze tijd aan naaldkunst denkt, denkt kennelijk nog steeds aan Verbrugghe, ook al stelt ze niet heel vaak tentoon.

Zie tentoonstellingsoverzicht in mijn vorige blogpost ‘Baanbreekster’.

In 1929 verhuist het gezin terug naar Parijs als Van der Meer de Walcheren daar een directeursfunctie krijgt aangeboden bij uitgeverij Desclée-De Brouwer.[15]

Kinderen in het klooster

Het echtpaar weet hun religieuze roeping ook op hun kinderen over te dragen. Hun dochter Anne Marie wordt namelijk Benedictines. Zij staat vanaf 16 oktober 1931 als religieuze ingeschreven bij de Onze Lieve Vrouwe Abdij in Oosterhout.[16] Daar krijgt ze de naam Mère Christine (ook wel geschreven als Xristine). Omdat zij in navolging van haar moeder ook kunstenaar wordt zal ik op haar in een volgende blogpost terugkomen.

Overlijdensbericht in De tijd (6 februari 1933), p. 8. Bron: Delpher

Na een verblijf op het klein seminarie van Wernhout bij de paters lazaristen wordt Pieterke monnik in de Sint-Paulusabdij in Oosterhout. Onder andere richt hij daar een atelier voor nieuwe gewaden op.[17] Op 1 februari 1933 overlijdt Pieterke echter. Op één en dezelfde dag krijgt het echtpaar drie telegrammen, zo memoreert Pieter van der Meer de Walcheren later.[18] Een telegram verkondigt dat hun zoon ziek is, een tweede dat hij is bediend en de derde ten slotte dat hij is gestorven. Hij wordt vervolgens begraven op het kerkhof in de abdijtuin.

Intrede

Verbrugghe en Van der Meer de Walcheren besluiten daarop in te treden. Hij wordt novice in Oosterhout, Verbrugghe novice-postulante in het Franse Solesmes. Later verklaart Van der Meer de Walcheren deze beslissing als volgt:

Je kunt dat van buitenaf aldus verklaren: al onze kinderen behoren aan God. Ook wij moeten iets geven aan God en wel het enige dat we hebben: ons huwelijksgeluk. ’t Is heel primitief misschien, maar ’t was de geloofsdaad van liefde tegenover Degene, die alles genomen en alles gegeven had.

De intrede is echter maar van korte duur, omdat Verbrugghe na twee jaar ziek wordt. Ze verlaat de kloostergemeenschap in Solesmes. Ook Van der Meer de Walcheren verlaat dan zijn klooster.

Weinig bekend

Wanneer Verbrugghe 60 jaar wordt verschijnt er een huldeblijk in De Maasbode, overgenomen in De Zuid-Willemsvaart (10 augustus 1936), in De Gelderland (10 augustus 1936) en in De morgen (11 augustus 1936). Uit dat bericht komt naar voren hoe vluchtig roem is. De journalist schrijft namelijk:

Portret van Christine Verbrugghe, foto, afgebeeld in geïllustreerd maandblad Salvo 13, nr, 36 (1960), p. 4. Bron: Delpher

Als naaldwerkster weinig bekend, als echtgenoote van den schrijverbekeerling meer. Gisteren, Maandag, bereikte de schilderes, naaldkunstenares en lithografe Christine Wilhelmine Françoise Josephine van der Meer de Walcheren-Verbrugghe den leeftijd van zestig jaar.

Op tentoonstellingen zag men haar bijna nooit en haar naam komt men in recensies dan ook weinig tegen, meent deze verslaggever. Deze brengt slechts een “zeer gunstig[e]” recensie van Maria Viola in Van Onzen Tijd in herinnering.[19] “Nu zal er wel niet veel meer over haar werk geschreven worden,” besluit deze zijn huldeblijk aan de 60-jarige.

Kijkje in de Hemel

Toch blijft Verbrugghe tot aan haar dood in 1953 bezig met haar kunstnaaldwerk. Onder andere exposeert ze werk waarvoor haar dochter Anne Marie, inmiddels Mère Christine genaamd, de ontwerpen tekent. Ook vervaardigt Verbrugghe een Madonna met Kind voor een verloting bij Ars Longa waarmee ze het missiewerk van Leo Bartels ondersteunt, volgens Dagblad de stem (5 april 1951). De journalist van het dagblad schrijft:

We stonden ervan versteld, dat zij in staat blijkt zo jeugdig-fris (alsof zij werkelijk af en toen een kijkje in de Hemel mag nemen) met haar naald weet te toveren.

Naast religieuze kunst blijft Verbrugghe ook bezig met niet-religieuze voorstellingen. Ze portretteert bijvoorbeeld haar echtgenoot in het voorjaar van 1950. Het portret illustreert de toewijding tussen de echtelieden. Andersom wijdt hij bijvoorbeeld zijn reisherinneringen aan haar en ook in zijn boek Alles is liefde speelt zij een grote rol.[20] Een van de drie hoofdstukken is gewijd aan Christine en Pieterke. Zoals Boudewijn Büch het vilein weet te fraseren: “Ik zou met genoegen een verbitterde oude man genoemd worden als ik schrijf dat Pieters exalties de lachlust in mij opwekken.”[21]

Genderverhoudingen

In 1953 overlijdt Verbrugghe in Breda waar ze sinds 1939 woont. De vele berichten naar aanleiding van het overlijden in meerdere kranten leveren het onomstotelijke bewijs dat de kunstenares een bekende persoonlijkheid is en gekend onder veel mensen. Tegelijkertijd zijn de berichten ook illustratief voor de scheve genderverhoudingen. De meeste berichten beschrijven Verbrugghe allereerst als “de echtgenote van de letterkundige Pieter van der Meer de Walcheren”. Veel laten het daar zelfs bij, zoals De Gooi- en Eemlander, Dagblad de stem, Twentsch dagblad Tubantia, De Maasbode, Nieuwsblad van het Zuiden, De stem, Nieuwe Tilburgsche courant en Provinciale Noord-Brabantsche courant Het huisgezin (28 december 1953).

Ook een journalist van De volkskrant (28 december 1953) beschrijft Verbrugghe vooral in relatie tot haar man. Eerst meldt de schrijver van het obituarium dat zij en haar echtgenoot uitvoerig correspondeerden met vrienden “die zochten naar het ware geloof”. De journalist benoemt daarbij dat vooral Verbrugghe die correspondentie voerde. Pas aan het einde van het stuk over de overledene voegt de schrijver nog een slotzinnetje toe: “Ook was zij een begaafd naaldwerkster”.

Eigen merites

Gelukkig zijn er ook enkele overlijdensberichten die wel uitvoerig ingaan op de artistieke verdiensten van Verbrugghe. Zo memoreert letterkundige en dichter Karel Meeuwesse bijvoorbeeld haar werklust in het katholiek tijdschrift Roeping.[22] Daar benadrukt hij bovendien haar belangrijke rol in de opleving van katholieke kunst:

Ik denk ook aan de vreugde die zij smaakte als zij, begaafd met een sterke natuurlijke artisticiteit, voor het grote, lichte venster van de woonkamer plaats nam achter haar borduurraam; licht- en kleurgevoelig als zij was maakte zij als kunstnaaldwerkster sinds jaren al vaak prachtig werk, dat zijn plaats behoudt in de geschiedenis van de herleving onzer kerkelijke kunst.

Ook dichter, essayist en journalist Gabriël Smit wijdt in De volkskrant (7 mei 1954) enige woorden aan de overleden kunstenares wanneer haar werk postuum te zien is op een tentoonstelling van katholieke kunstenaars in Museum Fodor. Hij benadrukt dat de inzending getuigt van de belangrijke plaats die zij samen met haar echtgenoot in het katholieke culturele leven heeft ingenomen. Vervolgens voegt hij daaraan toe: “Maar afgezien van deze voluit verdiende erkenning is zij op zichzelf van rijke waarde: voortreffelijk werk van een voortreffelijke vrouw.” Daarmee onderstreept Smit dat hij Verbrugghe waardeert op haar eigen persoonlijke en artistieke merites.

Herwaardering

Hoewel haar huwelijk vaak wordt genoemd in besprekingen, staat Verbrugghe synoniem voor een indrukwekkend eigen oeuvre. Haar belangrijkste bijdragen liggen in de herwaardering van de naaldkunst en haar sleutelrol in de heropleving van de katholieke kunst.

Smit en Meeuwesse benadrukken haar veelzijdige positie binnen de katholieke gemeenschap. Verbrugghe beweegt zich in katholieke intellectuele kringen en onderhoudt nauw contact met de katholieke avant-garde. Daarnaast vervaardigt ze hoogwaardig textiel voor de katholieke eredienst en voor het levendige katholieke verenigingsleven. Met haar naaldwerk biedt ze een tegenwicht aan traditionele stijlen en geeft ze de kerkelijke kunst nieuw elan.

Bovendien creëert ze decoratieve zij-op-zijdoeken met uiteenlopende thema’s, zowel religieus als profaan. Daarmee draagt ze – samen met naaldkunstenaars als Adya Dutilh en Constance Petronella de Nerée tot Babberich-van Houten – bij aan een herwaardering van naaldwerk als volwaardige kunstvorm.


Literatuur

  • Büch, Boudewijn, ‘Het wonderbaarlijke leven van Pieter van der Meer de Walcheren’, NRC Handelsblad (3 september 1983), p. 18. [Delpher]
  • Dieteren, Fia, ‘Jong van Beek en Donk, jkvr. Cecile Wilhelmina Elisabeth Jeanne Petronella de (1866-1944).’ In Biografisch woordenboek van Nederland, laatste update 12 november 2013. [link naar webpage]
  • Enzinck, Willem, Otto en Adya van Rees: leven en werk tot 1934 (Utrecht, Centraal Museum en Den Haag, Haags Gemeentemuseum, 1975).
  • Florquin, Joos, Ten huize van… 4 (Leuven: Davidsfonds, 1968 [1966]). [DBNL]
  • Helman, Arthur, Vriend Pieter. Het levensavontuur van Pieter van der Meer de Walcheren (Brugge en Nijmegen 1980).
  • Huiskamp, Marloes, ‘Dutilh, Adriana Catharina.’ In Digitaal Vrouwenlexicon van Nederland, online 4 september 2017. [website]
  • Lesparre, Irène, Otto & Adya van Rees: Pioniers binnen de avant-garde (Utrecht: Van Rees Stichting en Zwolle: Waanders, 2024).
  • Meer de Walcheren, Pieter van der, Uit Italië: reisindrukken (Amsterdam: W. Versluys, 1911).
  • _ , Mijn dagboek 1907-1911, 2e ed. met een nieuwe inleiding (‘s-Hertogenbosch: Teulings, 1923 [1913]).
  • _ , Alles is liefde (Brugge: Desclée de Brouwer, 1960).
  • Meeuwesse, Karel, ‘In memoriam Christine van der Meer de Walcheren’, Roeping 29 (1953), p. 644 [DBNL]
  • Ridder, Jan de, ‘Meer de Walcheren, jhr. Petrus Balthasar Albertus van der (1880-1970).’ In Biografisch Woordenboek van Nederland, gepubliceerd 13 mei 2021 [website]
  • Roon, Marike van, Goud, zilver & zijde: Katholiek textiel in Nederland 1830-1965 (Zutphen: Walburg Pers, 2010).
    Menschen en God. Deel 2: 1929-1935
     (1946).
  • Tilburg, Merel van, ‘De vrije geest: Adya van Rees-Dutilh’, De witte raaf 231 (september-oktober 2023). [online]

Noten

[1] Meer de Walcheren 1923 [1913]: p. 167 (23 december 1910), p. 171-172 (5 januari 1911), p. 182-184 (13 februari 1911) en p. 186-187 (25 februari 1911).

[2] Florquin 1968 [1966], p. 318. Voor de geboortedata, zie bevolkingsarchieven, bijvoorbeeld Regionaal Historisch Centrum Eindhoven, archieftoegang 12021, inv.nr. 5101, 1913, Index Bevolkingsregister Helmond 1913-1925, folio 313. Voor Otto van Rees en Adya Dutilh in Parijs, zie Lesparre 2024, p. 49-52.

Inmiddels heeft het echtpaar Van der Meer de Walcheren-Verbrugghe zich in de Franse hoofdstad gevestigd. Op 1 september 1909 schrijft Van der Meer de Walcheren namelijk in zijn dagboek: “Wij verhuizen naar Parijs. Wij willen het eerst, dezen winter, aanzien. Wij gaan naar die stad tegen den 15den October, gedurende de maand daarvoor nemen wij onzen intrek bij diezelfde vrienden in een dorp bij Barbizon.” Zie Meer de Walcheren 1923 [1913], p. 114.

Op 11 september (p. 115) schrijft hij “Wij zijn sinds vier dagen te Fleury, een dorp op een drie kwartier afstands loopen door de wijde akkerlanden, van Barbizon.” Op 27 september (p. 118) vertelt Van der Meer de Walcheren dat hij twee dagen lang “met R. door het woud gedwaald heeft.” Waarschijnlijk gaat het hier om Otto van Rees. Hiermee doelt hij op Fleury-en-Bière waar Adya Dutilh en Otto van Rees sinds 1905 wonen. Zie Huiskamp 2017 en Enzinck 1975, p. 25-28.

Uiteindelijk hakken zij definitief de knoop door. Op 20 juli 1910 schrijft Van der Meer de Walcheren: “Wij hebben dan eindelijk besloten, aanstaanden herfst, naar Parijs te verhuizen.” Zie Meer de Walcheren 1923 [1913], p. 150. Ten tijde van de eerste salon in 1910 woont Verbrugghe dus nog in Ukkel. Dat is dan ook het adres dat in de catalogus wordt vermeld. Ten tijde van de volgende salons is haar adres echter veranderd in Bures-par-Orsay (departement Seine-et-Oise).

[3] Florquin 1968 [1966], p. 318.

[4] Maria Viola, ‘Borduurwerk van Christine van der Meer de Walcheren’, Van onzen tijd 14, nr. 18 (1913-1914), p. 279-282 [Delpher]

[5] Helman 1980, p. 29, 40-63, 112.

[6] Dieteren 2013.

[7] Huiskamp 2017.

[8] Stedelijk Museum Schiedam, Adya & Otto [link website]. Zie ook Lesparre 2024, p. 23 en Huiskamp 2017.

[9] Meer de Walcheren 1960, p. 116. Voor Adya, zie Enzinck 1975, p. 17-18.

[10] Tilburg 2023.

[11] Verbrugghe en haar zoon Pieterke zijn peetouders van Adya: Enzinck 1975, p. 38.

[12] Het echtpaar is met deze abdij bekend via de katholieke filosoof en theoloog Jacques Maritain met wie ze door hun contact met Bloy bevriend zijn geraakt. Een hoofdstuk in Alles is Liefde wijdt Van der Meer de Walcheren aan Maritains vrouw Raïssa. Meer de Walcheren 1960, p. 67-106.

[13] Weekblad van den Noordbrabantschen Christelijken Boerenbond, nr. 1094 (6 maart 1920), p. 2 [Delpher].

[14] Ridder 2021. In Opgang worden in 1921 en 1922 de tentoonstellingen besproken waar het vaandel te zien is. Zie Opgang 1, nr. 6 (26 maart 1921), p. 150 [Delpher] en Opgang 2, nr. 59 (1 april 1922), p. 386-395 [Delpher]. Voor tentoonstellingsoverzicht, zie mijn vorige blogpost over Verbrugghe, getiteld ‘Baanbreekster’.

[15] Florquin 1968 [1966], p. 321.

[16] Regionaal Archief Tilburg, archief 2005, inv.nr. 904, Inv. nr. 904 (oude nrs. 11, 12, 13, 14, 15) 1921-1938 Wijk D, folio 220). Volgens Van Roon treedt Annemarie in 1933 in. Zie Roon 2010, p. 355.

[17] Florquin 1968 [1966], p. 322-323.

[18] Florquin 1968 [1966], p. 322.

[19] Maria Viola, ‘Borduurkunst van Christine van der Meer de Walcheren’, Van onzen tijd 14, nr. 18 (1913-1914), p. 279-282 [Delpher].

[20] Meer de Walcheren 1911 en Meer de Walcheren 1960.

[21] Büch 1983, p. 18.

[22] Meeuwesse 1953, p. 644.

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Back to Top