Van kindsaf aan

Anne Marie van der Meer de Walcheren schildert van kindsaf aan, maar schildert jarenlang niet meer nadat ze in 1931 op 18-jarige leeftijd het klooster betreedt. Na de Tweede Wereldoorlog herontdekt ze de kunst. Als schilderende kloosterzuster kreeg ze al enige aandacht van kunsthistorici. Er valt dan ook veel te vertellen over deze kunstzinnige zuster, die van kindsaf aan schildert en opgroeit in een milieu van artistieke avant-garde.

Schilderwerk

Anne Marie van der Meer de Walcheren wordt op 10 november 1912 in Parijs geboren als dochter van kunstnaaldwerkster Christine Verbrugghe en letterkundige en schrijver Pieter van der Meer de Walcheren.[1] Verbrugghe wordt opgeleid in het atelier van Blanc-Garin in Parijs, samen met kunstenares Adya Dutilh met wie ze haar leven lang bevriend blijft. Hoewel ze als schilderes en tekenares onderlegd is gaat ze zich vanaf 1910 specialiseren in kunstnaaldwerk. In mijn blogposts ‘Baanbreekster’ en ‘Toveren met naald besteedde ik meer aandacht aan deze kunstnaaldwerkster die grote bekendheid krijgt met haar borduurwerk, vooral in katholieke kringen.

Mère Christine, Portret van Christine Verbrugghe, 1953, afgebeeld in NRC Handelsblad (3 september 1983). Bron: Delpher

De vroegste tekenlessen krijgt Anne Marie van der Meer de Walcheren ongetwijfeld van haar kunstzinnige moeder. Aan de invloed van haar moeder refereert ook Jan de Ridder in een recensie in De stem (4 november 1961) wanneer hij schrijft dat Verbrugghe een grote rol speelt bij de ontwikkeling van het talent van haar dochter. Als jong meisje gaat Annemarie bovendien in de leer bij Otto van Rees die via zijn echtgenote Adya Dutilh bevriend is geraakt met het echtpaar Van der Meer de Walcheren-Verbrugghe. Van Rees geeft ook schilderlessen aan zijn eigen dochter Aditya en dat maakt het waarschijnlijk gemakkelijk voor Anne Marie, die van dezelfde leeftijd is als Aditya, om aan te sluiten.

Rond 1926 portretteert Otto van Rees de 13-jarige Anne Marie die dan in zijn atelier werkt. Het portret is zelfs te zien op een tentoonstelling in Huize Hasselt waarbij een recensent in De Maasbode (25 oktober 1927) opmerkt dat dit portret en andere kinderportretten van Van Rees deze “het meest geboeid hebben.”

Petite suite

In Parijs verkeert het gezin Van Der Meer de Walcheren-Verburgghe zich in het centrum van de artistieke avant-garde. Daar tekent en schildert Anne Marie dus vanaf jonge leeftijd, eerst onder leiding van haar moeder en daarna in het atelier van Otto van Rees.[2] Wanneer het gezin naar Amsterdam verhuist, krijgt Anne Marie bovendien les van graficus Cor de Wolff in het maken van houtgravures.

Groepsfoto, zittend naast elkaar rechts: Pieter van der Meer de Walcheren, Christine Verbrugghe en Anne Marie van der Meer de Walcheren (in het wit), foto, genomen bij het afscheid van Pieter van der Meer de Walcheren als redactielid van De gemeenschap vanwege zijn vertrek naar Parijs in 1929, afgebeeld in De gemeenschap 5 (1929), p. 41. Bron: DBNL

Jeugdwerk van Anne Marie is niet veel bewaard gebleven. Kunsthistoricus Tim Graas schrijft daarom in zijn bijdrage aan een bundel gewijd aan cultuur in het kloosterleven: “Jeugdwerken van vóór haar intrede op negentienjarige leeftijd zijn niet bekend”.[3] Toch krijgt Anne Marie al vroeg een podium voor haar artistieke talent. In 1927 illustreert ze namelijk het omslag van Petite suite pour piano van de eveneens jonge componist Elsa Hidde Nijland. Deze laatste is een dochter van Elisabeth van der Meer de Walcheren, een zus van Pieter van der Meer de Walcheren en dus een nichtje van Anne Marie. Zij en Elsa, geboren in 1911, zijn dus ongeveer van dezelfde leeftijd.


Otto van Rees, omslag van De gemeenschap 3, nr. 2 (februari 1927). Foto: auteur

Het muziekstuk met omslagontwerp wordt toegevoegd aan een nummer van De gemeenschap als cadeau voor abonnees.[4] Mogelijk bemiddelt Otto van Rees die als vormgever nauw betrokken is bij het tijdschrift. Eerder dat jaar ontwerpt hij bijvoorbeeld een omslag van het maandblad.

De redactie van De gemeenschap dat een platform wil bieden aan jonge katholieke intellectuelen, wil met het muziekstuk haar lezers “in kennis te brengen met een product van de jongste jongeren uit het kamp”. Daarmee bedoelt ze dus zowel Hidde Nijland als Van der Meer de Walcheren. De redactie van De gemeenschap beschouwt ook de 15-jarige Anne Marie klaarblijkelijk als een talent van de jongste garde wanneer ze haar een podium biedt.

Klooster

Met haar artistieke ontplooiing onder de vleugels van Verbrugghe en Van Rees ligt kunstenaarschap in de lijn de verwachting. Als Anne Marie van der Meer de Walcheren 18 jaar wordt, gooit ze het roer echter om en besluit ze het klooster te betreden. Vanaf 16 oktober 1931 staat ze als religieuze ingeschreven bij de Onze Lieve Vrouwe Abdij in Oosterhout.[5] Als jonge Benedictines krijgt ze dan de naam Christine (ook geschreven als Xristine).

Ondanks haar katholieke opvoeding vormt de keuze voor het klooster een breuk in haar kunstzinnige ontwikkeling. Jaren later blikt ze terug op haar leven als jonge kloosterlinge in een interview in weekblad Accent, waarvan een deel wordt overgenomen in De tijd (27 januari 1972). Dan zegt ze dat haar moeder bezwaar maakt tegen het besluit om in te treden: “Mijn moeder was er inderdaad erg op tegen omdat mijn moeder een vrijgevochten vrouw was.” Uiteindelijk legt Verbrugghe zich toch bij de keuze van haar dochter neer.

De intrede betekent dat Anne Marie potlood, penseel en graveerstift moet laten rusten. Dat weet een vriend van haar ouders, Wiens Moens. Een verslaggever tekent deze herinnering die Moens uitspreekt bij de opening van een tentoonstelling in Geleen in 1957, op in De nieuwe Limburger (26 april 1957). Bovendien vertelt Mère Christine zelf over haar jeugd in een interview met haar vader in 1966:

Ik heb altijd geschilderd van kindsaf aan. Nadat ik ingetreden ben in 1931 heb ik 15 jaar niet meer gewerkt.[6]

Pas 15 jaar later, aan het einde van de Tweede Wereldoorlog, pakt de kloosterzuster haar kunstenaarsbenodigdheden weer op. Ze wordt daartoe aangemoedigd omdat de kloosterzusters op verzoek van paus Pius XII zelf hun inkomsten moeten gaan genereren. Dat vertelt onder andere De Ridder die een biografie van Pieter van der Meer de Walcheren.[7] Mère Christine begint vervolgens snel met exposeren. Wanneer ze in januari 1949 in kunsthandel De Jong te Maastricht tentoonstelt, weet een recensent van De volkskrant (13 januari 1949) dat zij al eerder met succes enige werken in “Holland” geëxposeerd heeft.

Artistieke roeping

Ondanks haar bewuste keuze voor een contemplatieve orde krijgt Mère Chistine na 1945 dus toch de vrijheid om haar religieuze roeping met een artistieke te combineren: zij mag musea bezoeken, lessen volgen en exposeren.[8] Behalve aan schilderijen gaat Mère Christine zich wijden aan etsen. In 1966 zegt ze namelijk: “Ik heb een heel prachtige pers en ook een prachtige etsoven gekregen en ik teken veel. Ik ga nog elke week naar Tilburg om tekenlessen te nemen.”

De genoemde tekenlessen volgt ze bij beeldhouwer, tekenaar en lithograaf Jesualda Kwanten, ook een kloosterzuster.[9] Nog iets later vertelt ze bovendien in een interview in De stem (19 oktober 1968) dat ze gedurende twee trimesters lessen volgt aan kunstacademie Sint-Joost in Breda. Ook komt Otto van Rees geregeld met haar spreken “over de mogelijkheden met kwast en verf”. Binnen de kloostermuren krijgt de schilderende zuster dus veel ruimte om zich artistiek te ontplooien met hulp van ervaren kunstenaars als Kwanten en Van Rees.

Buiten de muren

Een deel van het werk van Mère Christine is bestemd voor het klooster zelf. Zo beschildert ze in 1954 bijvoorbeeld de gevel van een boerderij op het abdijterrein met een voorstelling van de heilige Jozef.[10] Daarnaast vindt haar werk ook een weg naar de wereld buiten de kloostermuren. Onder andere beschildert de kunstenares de wanden van de Mariakapel aan de Laan van Mertersem te Breda die op 11 september 1949 in gebruik wordt genomen.[11] Beeldhouwer Frans Verhaak maakt een Mariabeeld voor de kapel en Mère Christine neemt de muurschilderingen voor haar rekening. Tijdens een renovatiewerkzaamheden in 2005 zijn de schilderingen echter verwijderd.

De tekenende zuster werkt ook veel samen met Christine Verbrugghe. Mère Christine maakt ontwerpen van vooral religieuze voorstellingen die haar moeder vervolgens in haar kenmerkende borduurtechniek uitwerkt. Les hiervoor ook mijn voorgaande post ‘Toveren met naald’. Onder andere vervaardigt Verbrugghe een Vlucht naar Egypte naar voorbeeld van haar dochter. Dat werk is daarna te zien op de tentoonstelling ‘Pro Arte Christiana’ in Museum van Nieuwe Religieuze Kunst in Utrecht (nu Museum Catharijneconvent).

Mogelijk zendt Mère Christine tevens een werk in voor de verloting bij Ars Longa in 1951 waarvoor ook haar moeder een werk doneert. De opbrengsten van deze verloting zijn bestemd voor het missiewerk van priester Leo Bartels in Nyabondo (Kenia). Verbrugghe vervaardigt daarvoor een Madonna met Kind volgens Dagblad de stem (5 april 1951). “Van ‘Een Zuster Benedictines'” – schrijft vervolgens de journalist van Dagblad de stem – “kregen we een aquarel te bewonderen, dat bovenal ontroert door de ongereptheid van lijnen en kleuren.” Wellicht is deze aquarel van Mère Christine die immers benedictines is.

Meer dan illustraties

Daarnaast voert Mère Christine projecten uit met haar vader. In 1955 illustreert ze bijvoorbeeld zijn boek over de Benedictijnerorde. Voor haar illustraties van het Benedictijnerleven put ze ongetwijfeld inspiratie uit haar eigen dagelijkse bestaan.[12] Dat blijkt bijvoorbeeld uit haar illustratie van een kloostercel. De overeenkomsten met een schilderij Mijn cel waarin ze haar eigen kleine woonruimte afbeeldt zijn opvallend. Ook al verschillen de twee voorstellingen in techniek en uitvoering, de compositie is vrijwel identiek. Mère Christine heeft voor het schilderij iets meer ingezoomd op het bureau, maar verbeeldt in de verschillende kunstewerken dezelfde elementen zoals raampartij, crucifix en geopend boek. Ook het iets gekantelde perspectief komt overeen. Kortom, haar illustratie voor Benedictijnen toont dezelfde cel, die van Mère Christine zelf.

Mère Christine, Benedictijn in een kloostergang, illustratie in Meer de Walcheren [1955], p. 3. Bron: Delpher

Het blijft niet bij een eenmalige samenwerking, want in 1956 maakt Mère Christine gekleurde voorstellingen van een kruisweg waarvoor haar vader de overwegingen schrijft. In dit geval zijn de platen meer dan illustraties zoals in Benedictijnen het geval was. Ditmaal zijn de afbeeldingen zijn een cruciaal onderdeel van de kruiswegmeditaties en in sommige opzichten zelfs leidend. Daarom schrijft een recensent Gabriël Smit in De volkskrant (19 januari 1957):

Mère Xristine staat bovenaan op de titelpagina en terecht. Hoewel zij nog maar zelden als zodanig naar buiten trad, wisten de vele vrienden al lang dat zij een begaafd schilderes is.

Smit benadrukt dat de teksten eerder bijschriften bij de platen zijn, “eerder bescheiden ondersteunend dan als zelfstandige tekst belangrijk”.

Over Kruisweg schrijft ook een recensent met de initialen Dr. J.K. in De Katholieke Illustratie. Volgens deze zijn “vroomheid en schoonheid dusdanig versmolten … dat we evenzeer kunnen spreken van een meditatieboek als van een kunstwerk”. Hij schrijft bovendien: “De veertien episoden uit Christus’ lijden zijn geschilderd als in een kinderlijke verwondering: het trieste verhaal spreekt ons nieuw aan, in niets belast met verstrooiende vormgeving, en is daardoor hartbrekend echt.”[13] In katholieke kringen vallen de geschilderde kruiswegmeditaties van Mère Christine dus in goede aarde.

Alle illustraties signeert Mère Christine overigens met de letters van haar achternaam MW die in elkaar doorlopen, gevat in een grotere letter C. Ze ondertekent de voorstellingen met een monogram waarin haar kloosternaam (Christine) en haar wereldse naam (van der Meer de Walcheren) samengaan.

Van Rees

De invloed van Otto van Rees op de kruiswegillustraties is duidelijk zichtbaar. Smit bemerkt bijvoorbeeld de grote overeenkomsten in stijl en hij is zeker niet de enige. In 1951 schrijft een recensent in dagblad Provinciale Noord-Brabantsche courant Het huisgezin (6 januari 1951) naar aanleiding van een expositie van het werk van Mère Christine over het gezin waarin zij opgroeit: “Steeds was daar een komen en gaan van kunstenaars, … Otto v. Rees en Jan Wiegman; van hen, alsmede van Schelfhout, Picasso, Braque e.a. heeft Anne-Marie veel geleerd.” Ook beeldend kunstenaar en dichter Jan Sleeboom noemt “invloeden van Otto v. Rees e.a.” op het werk van Mère Christine in een recensie in Nijmeegsch dagblad (24 januari 1955).

De vriendschappelijke en artistieke banden tussen Mère Christine, haar ouders en Van Rees zijn en blijven hecht. Niet alleen gaat Van Rees Mère Christine van kunstadviezen voorzien wanneer zij het penseel weer oppakt. Net als Mère Christine werkt ook Van Rees samen met Pieter van der Meer de Walcheren. Van Rees voorziet bijvoorbeeld het boek Het witte paradijs van Pieter van der Meer de Walcheren van afbeeldingen. Ter gelegenheid van de 80e verjaardag van de schrijver krijgt dit boek in 1960 een vierde druk bij Desclée-De Brouwer te Brugge-Breda. Die editie wordt vervolgens opgedragen aan Mère Christine volgens De stem (10 december 1960). Hieruit mag wel blijken dat de drie nauwe banden onderhouden waarbij invloeden ongetwijfeld over en weer gaan.

Behalve als zijn illustratrice treedt Mère Christine overigens ook op als secretaresse van haar vader. In een dubbelinterview zegt Anne Marie immers: “En dan heb ik het grote werk van vader, ik ben de sekretaresse van hem, dus bezigheid genoeg.”[14] Het is een taak die ze wellicht op zich neemt als haar moeder in 1953 overlijdt. Eerder onderhoudt Verbrugghe immers de contacten met vrienden en bekenden.

Exposities

Portret van Anne Marie van der Meer de Walcheren, foto, afgebeeld in De stem (19 oktober 1968), p. 17. Bron: Collectie Zeeland

Ook treedt Mère Christine als zelfstandig kunstenares naar buiten. Zo heeft ze bijvoorbeeld geregeld exposities waar haar werk te zien is, bijvoorbeeld in Museum van Nieuwe Religieuze Kunst te Utrecht, het huidige Museum Catharijneconvent. Aan die tentoonstelling refereert bijvoorbeeld een recensent van Nieuw Utrechtsch dagblad (19 augustus 1950). Aan het begin van 1955 exposeert de kunstschilderes haar werk ook in de expositieruimte van De Waag in Nijmegen, volgens Nijmeegsch dagblad (5 februari 1955).

Zie ook tentoonstellingsoverzicht.

Na het overlijden van haar vader in 1957 wordt er in Antwerpen een tentoonstelling georganiseerd aan het leven en werk van Pieter van der Meer de Walcheren, maar er is niet alleen aandacht voor hem. Tevens zijn er verscheidene tekeningen en kunstnaaldwerk van Christine Verbrugghe. Ook is er “met ruim 70 schilderijen en gouaches van zuster Christine”, volgens De volkskrant (9 december 1957), veel aandacht voor zijn dochter.

In 1959 vindt er bovendien een tentoonstelling plaats in Assen van gouaches die het leven van de heilige Benedictus in beeld brengen. De tentoonstelling wordt genoemd in Provinciale Drentsche en Asser courant (11 juli 1959). Vanuit Assen worden de gouaches verzonden ten behoeve van een tentoonstelling in Noord-Amerika, waar de gouaches nadien zullen worden uitgegeven. Haar werk krijgt daarmee ook aandacht buiten Nederlandse grenzen.

Kunstzinnige zusters

Ook heeft Mère Christine enkele exposities samen met andere kunstzinnige religieuzen. Meermaals exposeert ze bijvoorbeeld samen met hiervoor genoemde Kwanten van wie ze tekenlessen neemt. Op een duo-expositie van de twee zusters in galerie De Kuyl is van Kwanten onder andere een portretbuste van Pieter van der Meer de Walcheren te zien, zo meldt Jan Engelman in een recensie in De tijd (8 februari 1966).

In een recensie vestigt Engelman vooral de aandacht op de mengeling van expressionistische en kubistische elementen in het werk van Mère Christine: “dat verijlt soms, dwaalt af, schijnt onzeker, maar het heeft altijd iets spiritueels”. Het mooiste schilderij van zuster Christine vindt Engelman overigens het eerder genoemde werk waarin zij haar cel op doek vereeuwigt (hierboven afgebeeld). Datzelfde geldt voor een recensent met de initalen J.M. in De stem (6 februari 1965). Deze ziet nog steeds het stempel van Otto van Rees in haar werk dat deze in 1961 ook al eens aantrof en verwijt de kunstenares daarom dat zij zich niet los heeft kunnen maken van haar eerste vorming. Daarnaast meent deze vergoeilijkend dat zij daar vanwege haar langdurige kloosterleven geen gelegenheid voor zal hebben gehad. Hieruit spreekt zekt enige vooringenomenheid ten opzichte van de schilderende kloosterzuster.

Nieuwe stijl

In 1967 verlaat Mère Chrstine het klooster. Ze neemt haar oude naam weer op en blijft tekenen, schilderen en graveren.[15] Haar atelier houdt zij dan in haar appartement in Tilburg dat ze ook af en toe openstelt voor publiek en pers. Als journalist Aert Gerard Barkey-Wolf het interieur van haar Tilburgse flat beschrijft, noemt deze:

Moderne inrichting. Aan de wand schilderstukken door haarzelf vervaardigd. Twee werktafels, de ene bestemd om aan te tekenen en te graferen, de andere voor haar literaire werkzaamheden en studie.

Ook vertelt de journalist dat de kunstenares er vaak op uit trekt om te gaan schetsen en schilderen, bijvoorbeeld in de Provence.[16]

In 1968 wordt Anne Marie geïnterviewd voor De stem (19 oktober 1968) naar aanleiding van “haar eerste grote opdracht in haar leven nieuwe-stijl: een wandschildering in het Mariaziekenhuis.” Inspiratie voor deze grote schildering van 4 bij 3 meter vindt ze in het werk van feministische schrijver Simone de Beauvoir, vooral in haar boek La femme rompue waarin De Beauvoir vrouwen, hun dilemma’s en conflicten beschrijft. Anne Marie voorziet een voorstudie van haar muurschildering van een citaat: “De deur zal opengaan, langzaam. Het is de toekomst onherroepelijk – ik ben op de drempel – er is alleen nog de deur.”

Anne Marie van der Meer de Walcheren, muurschildering, afgebeeld in De stem (19 oktober 1968), p. 17. Bron: Collectie Zeeland

In een interview vertelt Van der Meer de Walcheren daarover dat ze bij het citaat uit La femme rompue denkt aan de tegenstelling smart-vreugde die volgens haar toepasselijk is voor een ziekenhuis. De paradox drukt de schilderes uit in twee figuren, één in wit en de ander in zwart, de een muzikant en de ander een piekeraar. De laatste figuur wendt bovendien het hoofd af, “van het dreigend onheil”, verklaart Van der Meer de Walcheren. “Maar licht moet er ook voor deze laatste figuur blijven.” Vandaar dat er zich een deur opent waardoor het licht valt.

Het werk signeert ze met de initialen MW. De letter C waarmee ze eerder haar illustraties signeerde en die aan haar kloosternaam Christine refereerde, gebruikt ze niet meer.

Kunst als leidraad

Hoewel haar moeder Christine Verbrugghe de jonge Anne Marie Van der Meer de Walcheren waarschijnlijk helpt bij haar eerste stappen op het kunstpad, en later Jesualda Kwanten, zijn het vooral de mannen in het leven van deze schilderes, tekenenares en graficus die steeds opnieuw met haar werk in verband worden gebracht. In recensies wordt haar kunst bijvoorbeeld steevast gerelateerd aan Otto van Rees. Ook de boeken van haar vader Pieter van der Meer de Walcheren zijn nooit ver weg. Illustratief daarvoor is het interview dat Barkey-Wolf in 1972 dat volledig wordt omlijst met citaten uit het werk van haar vader. Deze mannen oefenenen zeker grote invloed uit, maar zijn zeker niet de enigen.

Ook kreeg Anne Marie Van der Meer de Walcheren, ofwel Mère Christine, in het verleden vooral aandacht als ‘schilderende kloosterzuster’. Haar werk en levensloop worden indertijd met name binnen katholieke kringen op de voet gevolgd. Ook haar latere keuze om weer als leek door het leven te gaan, doet veel stof opwaaien.

Toch doet de voortdurende nadruk op haar religieuze status het werk van Anne Marie van der Meer de Walcheren tekort. De kunstenaarscarrière en haar kunstzinnige keuzes zijn op zichzelf al indrukwekkend, omdat ze zichzelf telkens opnieuw weet uit te vinden. Al jong krijgt ze een podium waar ze haar werk kan laten zien. Na een artistieke pauze van 15 jaar zet ze zichzelf weer weer op de kaart door als schilderende religieuze naar buiten te treden.Wanneer het kloosterleven haar te benauwend wordt, neemt ze in 1967 opnieuw een levensbepalende beslissing: ze treedt uit en keert terug naar de burgermaatschappij. Ondanks alle ingrijpende koerswijzigingen is er één terugkerend element dat als een rode draad door haar leven loopt en dat is de kunst.


Tentoonstellingsoverzicht

Anne Marie van der Meer Walcheren, ook Mère Christine, exposeert haar werk tussen 1949 en ten minste 1972. Tentoongestelde objecten zijn veelal olieverfschilderijen, aquarellen, gouaches en gravures. Een enkele keer zit er een wandkleed tussen, zoals in Tilburg in 1965. Dat haar werk vooral in katholieke kringen wordt opgepikt, blijkt ook de lijst met tentoonstellingen: Wanneer ze exposeert met anderen is dat meestal met religieuzen zoals Frère François Mes in Haarlem 1954 en Nijmegen 1955 of met zuster Jesualda Kwanten in Tilburg 1965 en Bilthoven 1966.

Maastricht, kunsthandel De Jong, 1949: Benedictijnse kunst van zuster Christine [recensie in De volkskrant (13 januari 1949), p. 5 via Delpher]

  • “olieverfschilderijen, aquarellen, teekeningen”

Antwerpen 1950: Tentoonstelling van schilderijen, aquarellen en penteekeningen van de Eerwaarde Zuster Christine Benedictines in Huize Rockox, 13 – 26 mei [aankondiging in Dagblad de stem (12 mei 1950), p. 2 via Delpher]

  • onbekend

Utrecht, Museum van Nieuwe Religieuze Kunst, 1949: Tentoonstelling van olieverfschilderijen, aquarellen, pentekeningen van een zuster-benedictines der Onze Lieve Vrouweabdij te Oosterhout [referentie in Nieuw Utrechtsch dagblad (19 augustus 1950), p. 3 via Delpher]

  • “schilderijen”

_, _ , 1950: Tentoonstelling ‘Pro Arte Christiana’ van hedendaags kunstnaaldwerk, 5 augustus – 24 september [recensie van C.A.S. in Nieuw Utrechtsch dagblad (19 augustus 1950), p. 3 via Delpher, van A. Bgl. in De tijd (17 augustus 1950), p. 3 via Delpher, van A.L. in Dagblad voor Noord-Limburg (26 augustus 1950), p. 5 via Delpher en van I.A. in De Maasbode (28 augustus 1950), p. 3 via Delpher]

  • “een vlucht naar Egypte die haar moeder, mevrouw Van der Meer de Walcheren-Verbrugghe, een bekwaam handwerkster, uitvoerde met veel kleurgevoeligheid”

Eindhoven, kunsthandel ’t Geveltje, 1951: Expositie van werk van Mère Christine [recensie in Provinciale Noord-Brabantsche courant Het huisgezin (6 januari 1951), p. 3 via Delpher]

  • onbekend

Haarlem, Het Huis van Looy, 1954: Expositie werken van Mère Christine van der Meer de Walcheren en van Frère François Mes, 11 september – 4 oktober [aankondiging in Nieuwe Haarlemsche courant (8 september 1954) via Delpher, verslag van de opening in Nieuwe Haarlemsche courant (13 september 1954), p. 2 via Delpher en recensie van L.T. in Nieuwe Haarlemsche courant (22 september 1954), p. 2 via Delpher]

  • “Sedes Sapientiae”
  • “Stilleven in de refter”
  • “Landschappen”

Nijmegen, Stichting Nijmeegs Museum voor Beeldende Kunsten, 1955: Expositie werken Mère Christine Van der Meer de Walcheren en Frère François Mes in het Waaggebouw, 15 januari – 6 februari [aankondiging onder andere in Nijmeegsch dagblad (31 december 1954) via Delpher en recensie van Jan Sleeboom in Nijmeegsch dagblad (24 januari 1955), p. 5 via Delpher]

  • “Tobias met de Engel”
  • “Engel met rode fluit”
  • “Atelier bij avond”
  • “Laantje in kloostertuin”
  • “St. Gregorius met de diaken Petrus”

Heerlen, boekhandel Winants, 1957: Religieuze kunst van Xristine van der Meer de Walcheren, tot 23 april [recensie van Paul Haimon (pseudoniem van Wiel Laugs) in Limburgsch dagblad (6 april 1957), p. 19 via Delpher]

  • “H. Jozef”
  • “De drie engelen onder de eik van Mambré”
  • “de Kruisweg … die zij en haar vader (zij de prenten, Dom Pieter de tekst) onlangs uitgaven”
  • “Emmausgangers”

Geleen 1957: Tentoonstelling van werken van zuster Christine van de [sic] Meer de Walcheren “welke thans in boekhandel Wijnands te bezichtigen is”, 24 -28 april [aankondiging in De nieuwe Limburger (15 april 1957), p. 2 via Delpher en in Limburgsch dagblad (24 april 1957), p. 2 via Delpher]

  • “18 schilderijen en portretten”

Antwerpen 1957: Tentoonstelling gewijd aan het leven en het werk van … Pieter van der Meer de Walcheren, 14 – 19 december [aankondiging in De volkskrant (9 december 1957), p. 2 via Delpher]

  • “70 schilderijen en gouaches van zuster Christine”

Assen 1959: Tentoonstelling van gouaches van zuster Christine van der Meer de Walcheren [vermelding in Provinciale Drentsche en Asser courant (11 juli 1959), p. 3 via Delpher]

  • “43 gouaches… in beeld brengend het leven van de Heilige Benedictus”

Brussel, Studio Rik Wauters, 1961: Tentoonstelling van het werk van zuster Christine van der Meer de Walcheren, 7 – 19 januari [aankondiging in De stem (3 januari 1961), p. 3 via Collectie Zeeland]

  • onbekend

Breda 1961: Schilderijen en gouaches van Mère Christine van der Meer de Walcheren in Cultureel Centrum de Beyerd, 4 – 26 november [aankondiging in De volkskrant (11 november 1961), p. 25 via Delpher en recensie van Jan de Ridder in De stem (4 november 1961), p. 5 via Collectie Zeeland]

  • “schilderijen”
  • “gouaches … geïnspireerd … door het leven van Benedictus”

Tilburg 1965: Tentoonstelling van kunstwerken van zusters Christine van der Meer de Walcheren, Jesualda Kwanten en Celestine Walburg in de Tilburgse schouwburg, 30 januari – 15 februari [aankondigingen in De tijd De Maasbode (19 januari 1965), p. 5 via Delpher, in De volkskrant (25 januari 1965), p. 2 via Delpher en in Trouw (30 januari 1965) via Delpher; recensie van J.M. in De stem (6 februari 1965), p. 5 via Collectie Zeeland]

  • “schilderijen”, o.a.:
    • “Mijn cel”
  • “gouaches .. een zevental”
  • “ook een wandkleed, de Schepping”

Bilthoven, Galerie De Kuyl, 1966: Expositie der werken van Christine van der Meer de Walcheren en Jesualda Kwanten [recensie van Jan Engelman in De tijd (8 februari 1966), p. 5 via Delpher]

  • “Mijn cel”
  • “Emmsausgangers”
  • “Wij hebben gespeeld”
  • “Vissers”
  • “Het Atelier”
  • “Cage d’hommes”

Tilburg [1972]: Expositie … in haar kamers [genoemd in Barkey-Wolf 1972, p. 22]

  • onbekend

Literatuur

  • Barkey-Wolf, Aert Gerard, ‘Anne Marie’s overgang naar het wereldlijke leven’, Accent (29 januari 1972), p. 22-24.
  • Cartens, Jan, ‘Petrus Balthasar Albertus (Pieter) van der Meer de Walcheren Utrecht 10 september 1880 – Breda 16 december 1970’, Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde (1973), p. 169-174. [DBNL]
  • Florquin, Joos, Ten huize van… 4 (Leuven: Davidsfonds, 1968 [1966]). [DBNL]
  • Geurts, Thei, Een Eigen Wereld van Vredeoord tot vredig oord: Landgoed Onze Lieve Vrouwe Abdij Oosterhout (Oosterhout: Stichting Vrienden van Landgoed OLV Abdij, 2019). [Internet archive]
  • Graas, Tim, ‘Kunstenaressen binnen de kloostermuren: Schilderende, beeldhouwende en vormgevende zusters in Nederland.’ In Creatie en recreatie: cultuur en ontspanning in het kloosterleven, red. Joep van Gennip, ‎Vefie Poels en ‎Marie-Antoinette Willemsen (Hilversum: Verloren, 2014), p. 69-96, vooral p. 83-86 (‘Xristine van der Meer de Walcheren’).
  • Haterd, L.A.G.J. van de, De waarheid hooger dan de leus: over de beeldvorming rondom tijdschrift en uitgeverij De Gemeenschap 1925-1941, dissertatie Universiteit van Amsterdam, 2008. [PDF]
  • Lesparre, Irène, Otto & Adya van Rees: Pioniers binnen de avant-garde (Utrecht: Van Rees Stichting, en Zwolle: Waanders, 2024).
  • Meer de Walcheren, Pieter van der, Benedictijnen (Oosterhout, Sint Paulusabdij [1955]). [Delpher]
  • _ , Kruisweg (Haarlem: Gooi en Sticht, 1956). [Delpher]
  • Roon, Marike van, Goud, zilver & zijde: Katholiek textiel in Nederland 1830-1965 (Zutphen: Walburg Pers, 2010).

Noten

[1] De geboorteakte van Anne Maria van der Meer de Walcheren heb ik niet kunnen vinden, maar de geboortedatum is via andere archiefbronnen te achterhalen. Zie Regionaal Archief Tilburg, archief 2005, inv.nr. 908 (oude nrs. 25, 26, 27) 1921-1938 Wijk H, folio 96 [scan RAF]; Regionaal Historisch Centrum Eindhoven, archieftoegang 12021, inv.nr. 5101, 1913, Index Bevolkingsregister Helmond 1913-1925, f. 313 [nog niet openbaar]; Regionaal Archief Tilburg, archief 2005, inv.nr. 904, (oude nrs. 11, 12, 13, 14, 15) 1921-1938 Wijk D, f. 220 [scan RAF].

[2] Graas 2014, p. 84. Voor Aditya, zie Enzinck 1975, p. 38. Op 7-jarige leeftijd exposeert Aditya op een tentoonstelling met werk van kinderen in Parijs.

[3] Graas 2014, p. 84.

[4] De gemeenschap 3, nr. 9 (1927), p. 288 [DBNL]. Ook genoemd door Haterd 2008, p. 277.

[5] Zie Regionaal Archief Tilburg, archief 2005, inv.nr. 904, Inv. nr. 904 (oude nrs. 11, 12, 13, 14, 15) 1921-1938 Wijk D, folio 220) [scan RAF]. Volgens van Roon treedt Annemarie in 1933 in. Ook Roon 2010, p. 355. Van Roon besteedt vanwege haar focus op textielkunst in haar boek Goud, zilver & zijde weinig aandacht aan de andere kunstvormen die zuster Christine vooral ook beoefent.

[6] Florquin 1968 [1966], p. 324-325.

[7] Jan de Ridder in De stem (4 november 1961), p. 3 [Collectie Zeeland]. Ook Frans de Clerq schrijft in De volkskrant dat Mère Christine weer gaat schilderen op verzoek van haar superieuren. Zie De volkskrant (18 december 1957), p. 9 [Delpher]. Zie ook Cartens 1973, p. 172 en Graas 2014, p. 85.

[8] Dat blijkt bijvoorbeeld uit een interview van Lidy van Marissing met de kunstenares in De volkskrant (9 februari 1966), p. 11 [Delpher].

[9] Zo blijkt uit een recensie die Jan Engelman in 1966 schrijft voor dagblad De tijd (8 februari 1966), p. 5 [Delpher]. Zie ook Graas 2014, p. 85.

[10] Geurts 2019, p. 66.

[11] ‘Mariakapel Laan van Mertersem (Breda)’, op de website van Het Nieuwe Instituut [link naar website].

[12] Meer de Walcheren [1955] en Meer de Walcheren 1956.

[13] Dr. J.K. in De katholieke illustratie 91, nr. 23 (8 juni 1957), p. 43. [Delpher]. Herhaald in Beatrijs 15, nr. 44 (2 november 1957), p. 48 [Delpher].

[14] Florquin 1968 [1966], p. 324.

[15] Graas 2014, p. 86.

[16] Barkey-Wolf 1972, p. 22-24.

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Back to Top