Zusterlijk verbond
Kunstenaars in de 19de eeuw schenken soms werk voor een verloting. Ook kunstgenootschappen kopen soms werk aan voor een loterij. De opbrengsten van de lootjesverkoop gaan dan naar een liefdadig doel. Van dergelijke acties noemde ik al voorbeelden in ‘Kunstenaarsinitiatieven na rampen’. Ook in het jaar 1831 gebruiken kunstenaars hun werk om geld in te zamelen ter ondersteuning van koning en vaderland. Zoals het in het voorwoord van de gedrukte Lijst van kunstwerken … om verloot te worden ten behoeve van het Vaderland in 1831 wordt gesteld: “De Kunst treedt met Liefdadigheid in zusterlijk verbond.” Liefde voor de kunst wordt daar expliciet gekoppeld aan liefde voor het vaderland. Maar in het kader van liefdadigheid doet kunst nog meer: het biedt vooral vrouwen namelijk een mogelijkheid tot emancipatie, omdat het deuren opent die anders gesloten blijven.
De Belgische Opstand
In het jaar 1831 vinden veel liefdadige inzamelingsacties plaats. Aanleiding is de explosieve politieke situatie. Op 25 augustus 1830 is in Brussel namelijk een opstand uitgebroken tegen de autoritaire heerschappij van koning Willem I. De voortdurende spanningen monden uit in de tiendaagse veldtocht van de koning om de opstand met geweld neer te slaan, in augustus 1831. Die situatie betekent ook dat er behoefte is aan geld en goederen. Het plaveit de weg voor allerlei initiatieven in de noordelijke provincies voor financiële, materiële en morele steun aan de koning.
In januari 1831 nemen enkele Amsterdamse en Nijmeegse kunstenaars, onder wie schilder Jan Willem Pieneman, daarom het initiatief voor een inzameling van beeldende kunst voor een verloting. In eerste instantie gaat het om twee afzonderlijke, gelijktijdige initiatieven, één in Amsterdam en de ander in Nijmegen. Pas later besluiten de initiatiefnemers hun krachten te bundelen en er een nationale verloting van te maken. Daarbij neemt de Amsterdamse commissie het voortouw.
Voor de geplande loterij roept de organisatie zowel beoefenaars als verzamelaars van beeldende kunst op om kunstwerken in te sturen, bijvoorbeeld in Rotterdamsche courant (10 februari 1831).
Niet alleen Schilderijen, maar Teekeningen (ook op fluweel), Miniaturen, Gravures, Beeldwerken, Boetseersels in aarde enz., Borduurwerken, of wat hiertoe kan gebragt worden, zullen volgaarne worden aangenomen.
Het gaat dus om een brede opvatting van beeldende kunst. In de advertentie worden kunstliefhebbers bovendien aangespoord om blijk te geven van zowel liefde voor de kunst als voor het vaderland: “ook deze poging, met eere vermeld, zal het bewijs kunnen opleveren, zoo wel van de kunstliefde des Nederlanders, als van zijne gehechtheid aan dat Land”. Kunstzin en nationalistische gevoelens worden dus aan elkaar gekoppeld.
Belangrijke bijdragen
Hoewel niet uitsluitend, worden in de advertentie expliciet vrouwen aangesproken:
Stadgenooten, Voorstanders van het schoone en goede, ook gij, edele Vrouwen, wier kunstgevoel en vaderlandsche zin ons waarborgen voor belangrijke bijdragen, ondersteunt deze poging ter bevordering van ’s Lands welzijn.
De organisatoren van de loterij zien de combinatie van kunstgevoel en vaderlandsliefde ook in vrouwen belichaamd. Allereerst wordt vaderlandsliefde al jong aangeleerd, dus ook in meisjes. Ten tweede besteden welgestelde vrouwen een belangrijk deel van hun tijd aan het beoefenen van kunsten, zoals tekenen, schilderen, of naaldwerk. Sterker nog, het ontwikkelen van artistieke vaardigheden is voor veel welgestelde vrouwen essentieel onderdeel van hun opvoeding.
De artistieke bezigheden van vrouwen vinden echter vaak achter gesloten deuren plaats. De reikwijdte van hun inspanningen “was vooral beperkt tot de eigen familie, vrienden en kennissen”, stelde kunsthistorica Wendy Wiertz die adellijke amateurkunstenaressen in België in de 19de eeuw onderzocht. [1] Slechts een klein percentage vrouwen treedt met hun werk in de openbaarheid. Geld verdienen is immers niet ‘hoe het hoort’ voor deze vrouwen, ook niet met hun artistiek talent. Als het echter gaat om liefdadigheid genieten vrouwen meer bewegingsvrijheid en bij liefdadige initiatieven zien we dan ook namen van kunstenaressen opduiken die elders onvermeld blijven. Liefdadige initiatieven zijn dus bij uitstek gelegenheden om kunstzinnige activiteiten van vrouwen te bestuderen.
Lijst van kunstwerken
Vanaf 28 april kunnen de bijeengebracht voortbrengselen van beeldende kunst worden bezichtigd in het Nationaal Gerechtshof aan de Prinsengracht volgens Opregte Haarlemsche Courant (30 april 1831). De entree bedraagt 25 cent. Bovendien kan ter plaatse voor nogmaals 25 cent een brochure Lijst van kunstwerken worden aangeschaft. [2]

De respons na de oproep om inzendingen is enorm. De lijst van kunstwerken bevat meer dan 1700 nummers. Met het openen van de tentoonstelling komt er echter geen einde aan inzendingen. Op 27 juni 1831 bericht Nederlandsche staatscourant immers dat het aantal inzendingen inmiddels is opgelopen tot ruim 2000. Als in juli dan uiteindelijk de verloting plaatsvindt, is het aantal verkochte loten maar liefst 6000, volgens Dagblad van ’s Gravenhage (29 juni 1831).
Frontispies
De zoon van Jan Willem Pieneman, Nicolaas Pieneman, ontwerpt het frontispies voor de lijst van kunstwerken. In de voorstelling koppelt de ontwerper de verloting opnieuw aan nationalistische gevoelens, met de koning als vertegenwoordiger van de natie. [3] Het portret van koning Willem I is immers het middelpunt. De tekst op de sokkel maakt nogmaals duidelijk hoe zeer de twee vervlochten zijn. “Voor vaderland en koning Willem de 1ste” staat daar te lezen.

De portretbuste van de koning wordt geflankeerd door Kracht (met zuil en zwaard) aan de ene en Overvloed (met de cornucopia) aan de andere kant. Kracht enerzijds verwijst naar het optreden van Willem tegen de opstandelingen waardoor de inzamelingsactie nodig is. Overvloed anderzijds verwijst naar de welvaart en het bloeiende culturele klimaat, geïllustreerd door de lange lijst van kunstvoorwerpen die volgt. Kunst, met een album onder haar arm, treedt de koning tegemoet. Tegelijkertijd instrueert ze een putto om het schilderij in zijn handen aan de koning te schenken.
Kunst en Liefdadigheid
De versregels onder het frontispies vatten samen wat de voorstelling verbeeldt:
De Kunst in bloei, zoo rijk op Neêrlands vruchtbren grond | Treedt met Liefdadigheid in Zusterlijk verbond | En offert dus met milde hand | Voor ’t heil van Vorst en Vaderland.
Kunst en Liefdadigheid sluiten een zusterlijk verbond, schrijft de dichter. De vrouwenfiguur die de Kunst voorstelt, schenkt immers het schilderij voor “’t heil van Vorst en Vaderland”. Anders gezegd, haar vaderlandsliefde komt tot uitdrukking in haar liefdadige schenkingen. Liefdadigheid en vaderlandsliefde zijn immers twee kanten van dezelfde medaille waarbij liefdadigheid de praktische expressie is van inwendige gevoelens van vaderlandsliefde. Vaderlandsliefde is namelijk mentaal, liefdadigheid is de zichtbare uitdrukking ervan. Met andere woorden, de vrouw met de map onder de arm symboliseert zowel de kunst als de vaderslandsliefde. Samenvattend, de beste manier voor de Kunst om haar gevoelens van vaderlandsliefde te demonstreren, is door haar kunst te schenken ten behoeve van het vaderland.
Jong en oud
In het voorwoord wordt nogmaals herhaald tot wie de oproep tot inzenden gericht was:
Alle Beoefenaars en Verzamelaars van Voortbrengselen der Beeldende Kunsten werden uitgenoodigd tot het inzenden van eenig Kunstwerk van hunne hand of uit hunne Verzameling.
Het gaat om een brede groep van makers en verzamelaars en de inzenders aan de verloting variëren dan ook enorm. Het zijn mannen en vrouwen, getrouwd en ongetrouwd, professioneel en amateur. Ook doen er veel jonge mensen mee die later enige bekendheid als kunstenaar zullen verwerven. Voor de inzameling stuurt bijvoorbeeld mejuffrouw E. Koning uit Haarlem “oud 14 jaren, een Bloemstuk, in sapv., met de linkerhand geteekend, en met de spreuk: voor Vaderland en Vorst”. [4]

Het gaat hier ongetwijfeld om Elisabeth Johanna Koning die in 1845 als honorair lid zal toetreden tot de Koninklijke Academie voor Beeldende Kunsten te Amsterdam. Niet alleen stemt de genoemde leeftijd van 14 jaar overeen – Koning werd geboren op 1 maart 1816 – van haar is bovendien bekend dat zij met haar linkerhand werkt, omdat zij sinds haar geboorte een beperking heeft aan haar rechterarm. [5]
Het is niet bekend waar de ingezonden aquarel met de spreuk “voor Vaderland en Vorst” terechtkomt. Het vroegste werk van Koning waarmee ik bekend ben is een aquarel van een oncidium orchidee, gedateerd 1934. Desondanks is de deelname van Koning aan de verloting interessant. Het is immers – bij mijn weten – de vroegst bekende vermelding van Koning als kunstenares. Niet toevallig gaat het om een liefdadige inzamelingsactie. Voor tekenende en schilderende vrouwen, vooral beginnend kunstenaars, was het immers een manier om met hun werk de openbaarheid te zoeken.
Individuele donaties
Gelijktijdig aan de verloting doen veel mensen ook individuele donaties. Zo bericht Surinaamsche courant op 14 maart 1831 dat de vrijwillige giften voor koning, vaderland en gekwetste krijgslieden inmiddels zijn opgelopen “tot de zeer aanziennelijke som van meer dan twee millioenen guldens”. Mensen door het hele land sturen naast geld ook verband, linnen, geneesmiddelen, voeding, wijn, thee en andere benodigdheden aan ’s Rijks Magazijn van geneesmiddelen in Den Haag, of doen donaties aan specifieke hospitalen waar krijgslieden worden verzorgd.

Alle donaties worden uitvoerig in dagbladen opgesomd, ongetwijfeld met de intentie om gevoelens van gemeenschap en verbondenheid verder aan te wakkeren en zo ook weer nieuwe inzendingen te stimuleren. Uit de opsommingen blijkt ook hoe schrijvers, musici, schilders en tekenaars een steentje bijdragen. Ter illustratie, muziekmeester H.C. Horup doneert de opbrengsten van een vocaal-concert in Leeuwarden volgens Nederlandsche staatscourant (8 maart 1831). Het gaat om een indrukwekkend bedrag van 201,50 gulden. Een ander voorbeeld is de Haarlemse dichter Vincent Loosjes. Deze stuurt 10 gulden volgens Nederlandsche staatscourant (27 september 1831). Het zijn de opbrengsten van een gedicht op de 59ste-verjaardag van de koning, uitgegeven ten behoeven van de gewonde krijgslieden.
Sollewijn
Een laatste voorbeeld illustreert hoe oudere kunstenaressen op hun beurt jonge vrouwen motiveren om met hun werk deel te nemen aan liefdadige initiatieven. Tekenares Hendrina Sollewijn uit Haarlem brengt met haar tekenklas geld bijeen, geoormerkt “voor de zieken in het hospitaal te Haarlem” volgens Nederlandsche staatscourant (27 september 1831). [6] De tekenklas bestaat uit meisjes tussen 10 en 14 jaar. Het zijn dus jonge vrouwen van de leeftijd van Koning die in juli met een aquarel aan de verloting deelneemt. Sollewijns leerlingen weten dan met hun tekeningen een bedrag van 50 euro bij elkaar te sprokkelen. Ter vergelijking, dat bedrag heeft een koopkracht van 500 euro vandaag de dag volgens de calculator van het IISG. Het is dus geen sinecure.

AA 088. Bron: Teylers Museum
Bij het bedrag zit ook een versje van een der tekenleerlingen volgens Opregte Haarlemsche Courant (10 september 1831):
Gekwetsten, braven! die uw leven | Voor Land en Vorst hebt prijs gegeven | Verzachting in uw lijdens smart | Baart vreugde, zelfs aan ’t kinderhart! | Wij volgen ’t spoor van onzen Koning, | Die ons door eed’le hulp betooning, | In uwe smart is voorgegaan! | Moog’ het uw wonden iets verzachten! | Uw laafnis biên bij lijdens klagten,| Dan is ons kinderhart voldaan.
Uiteraard willen Sollewijn en haar leerlingen met hun verzamelde geld gewonde soldaten helpen. Het is daarnaast ook denkbaar dat Sollewijn de inzameling ziet als kans voor haar jonge leerlingen om hun talent publiekelijk te tonen, zoals Koning bij de nationale verloting.
Liefdadigheid als emancipatiemiddel
Kunst en liefdadigheid liggen in elkaars verlengde. Ze vullen elkaar in ieder geval naadloos aan. Ze sluiten een zusterlijk verbond, om de woorden van de dichter in de catalogus voor de nationale verloting nog maar eens te gebruiken. De hier genoemde voorbeelden laten zien op welke manieren kunstenaars in de 19de eeuw hun talent gebruiken voor liefdadigheid. Ze doen dat door werk in te sturen voor verlotingen of ze verkopen hun werk zodat ze de opbrengsten kunnen doneren.
Hendrina Sollewijn
In 1839 staat Sollewijn ingeschreven in Haarlem. Ze woont dan op Klein Heiligland 420 met haar zus Margaretha. Hendrina’s beroep is dan “Onderwijzeres in de Teekenkunst”. Later staat Sollewijn geregistreerd op het adres Groote Houtstraat 98 in Haarlem, met als beroep “kunstschilderes”. [7]
Sollewijn wordt lid van het genootschap ‘Kunst Zij Ons Doel’. [8] Ze is daar niet de enige vrouw. Andere leden zijn onder andere de hiervoor genoemde Elisabeth Johanna Koning en Christina Gerarda Enschedé (1791-1873) die ik al eens kort noemde in ‘Schelpen en tekeningen’.
De emancipatorische kant van liefdadigheid biedt ten slotte een interessante invalshoek om verder te kijken naar vrouwelijke kunstenaars en kunst van vrouwen. Vooral van vrouwen wordt namelijk verwacht dat ze zich actief inzetten voor het liefdadige doel. Op die momenten kunnen jonge kunstenaressen, zoals Koning en Sollewijns leerlingen, hun werk buiten familiekring tonen en zelfs verkopen zonder over grenzen van fatsoen heen te gaan. Binnen de grenzen van liefdadigheid is er dus voor hen meer mogelijk. Met andere woorden, van het zusterlijk verbond tussen kunst en liefdadigheid hebben jonge kunstenaressen voordeel. Liefdadigheid biedt vrouwen immers kansen om zich als kunstenaar te manifesteren.
Noten
[1] Wendy Wiertz, Adellijk en artistiek. Amateurkunstenaressen met blauw bloed in België (1815-1914) (Leuven: Universitaire Pers Leuven, 2023), vooral p. 90.
[2] Cat. Amsterdam, Lijst van kunstwerken, door beoefenaars en verzamelaars bijeengebragt, om verloot te worden ten behoeve van het Vaderland; tentoongesteld te Amsterdam in het Nationale Geregtshof, 1831 (Amsterdam: C.A. Spin, 1831). [RKD Library].
[3] Fons Meijer, Verbonden door rampspoed: Rampen en natievorming in negentiende-eeuws Nederland (Hilversum 2022), p. 71-72.
[4] Amsterdam 1831, p. 61, nr. 1387.
[5] Katlijne Van der Stighelen en Mirjam Westen, Elck zijn waerom. Vrouwelijke kunstenaars in België en Nederland 1500-1950 ([Brussel:] Ludion, 1999), p. 243.
[6] Noord-Hollands Archief te Haarlem, DTB Dopen doop-, trouw- en begraafboeken (DTB), archief 2142, inv.nr. 43, 29-10-1783, Doopboek van de Nederlands Hervormde gemeente te Haarlem, 1776-1787 [Noord-Hollands Archief].
[7] Noord-Hollands Archief te Haarlem, Bevolkingsregister Gemeentebestuur van Haarlem, archief 2295, inv.nr. 2638, 1839, Volkstellingsregister Haarlem, 1839 [Noord-Hollands Archief] en idem, inv.nr. 2659, 1849, Bevolkingsregister Haarlem, 1849-1859 [Noord-Hollands Archief]. Voor Sollewijn, zie ook Pieter A. Scheen, Lexicon Nederlandse beeldende kunstenaars 1750-1950, herziene ed. (Den Haag: Scheen, 1981), p. 487 en Norbert Hostyn en Willem Rappard, Dictionaire van Belgische en Hollandse bloemenschilders geboren tussen 1750 en 1880 (Knokke-Zoute: Berko, 1995), p.
[8] Verslag van de Vereeniging tot Bevordering van de Beeldende Kunsten, opgerigt door Maatschappij Arti et Amicitiae 1848 (1848), p. 22 [Google Books].