Kunstenaarsinitiatieven na rampen
In 1850 deed een kunstgenootschap in ‘s-Hertogenbosch een nationale oproep aan beeldend kunstenaars voor het insturen van “kunstvoortbrengselen ten behoeve der noodlijdenden door den jongsten watersnood in de provincien Gelderland, Noord-Braband en het hertogdom Limburg”. De respons was zo groot dat het gezelschap na herhaalde verzoeken besloot om de inzendingstermijn met een of twee weken te verlengen. Allereerst illustreert de anekdote het enthousiasme van kunstenaars om mee te werken aan inzalemingsacties bij rampen, zoals watersnoden. Daarnaast beschrijft het één van vele manieren waarop kunstenaars en kunstenaarsverenigingen zich mobiliseerden. 19de-eeuwse kranten geven hiervan talloze voorbeelden waarvan ik er hier een aantal zal noemen. Hoewel in deze berichten geregeld gesproken wordt van kunstenaars zijnde “Heeren”, waren er wel degelijk veel vrouwen die artistieke bijdragen deden aan inzamelingsacties na watersnood, zoals ik zal laten zien.
Echte afbeeldingen
Initiatieven om geld in te zamelen konden veel vormen aannemen. Kunstenaars konden bijvoorbeeld voor de gelegenheid nieuw werk maken om te verkopen. Illustratief daarvoor is de succesvolle grafiekreeks De waterramp van 1855 geschetst in 24 afbeeldingen. Hiervoor brachten verschillende leden van de Amsterdamse kunstenaarsvereniging Arti et Amicitiae de watersnood van 1855 in prent. Voor inzendingen van “echte afbeeldingen van de belangrijkste punten der overstroomingen” deed het bestuur op 19 maart een oproep in Algemeen Handelsblad, gericht aan haar “Heeren Leden”.
Op 11 december van datzelfde jaar maakte de Nederlandsche staatscourant bekend wat de grafiekreeks tot dan toe had opgebracht, maar liefst 1500 gulden. Volgens de hpw-calculator van IISG komt dat bedrag in 1855 overeen met een huidige koopkracht van ongeveer 10 maal zo veel: 14.322 euro. Kortom, het was een aanzienlijk bedrag dat de vereniging voor de watersnoodslachtoffers bij elkaar wist te brengen.

Tentoonstellingen
Behalve dit soort gezamenlijke inspanningen waren er kleinschaliger kunstenaarsinitiatieven. Schilder en tekenaar Cornelis Johannes de Vogel (1824-1879) organiseerde in hetzelfde jaar als de grafiekreeks een tentoonstelling in zijn woonplaats Dordrecht. Daar toonde hij een geschilderd tafereel van zijn eigen hand, voorstellend de doorbraak bij Lith (Noord-Brabant). Vervolgens doneerde hij de opbrengsten aan het Departement der Binnenlandse Zaken ten behoeve van de watersnoodslachtoffers. De Vogel, die ook in Vorden (Gelderland) had gewoond, voelde zich wellicht persoonlijk betrokken bij de inwoners van het rivierengebied. Recentelijke overstromingen aldaar had immers ook de Gelderse Vallei getroffen.
In 1861 kende het rivierengebied opnieuw overstromingen met dramatische gevolgen. Daarop berichtte de Leydsche courant dat “Peters” een schilderij van een dijkbreuk bij Nijmegen tentoonstelde in het Duitse Stuttgart. De opbrengsten, 300 gulden in totaal, kwamen ten goede aan de slachtoffers. Waarschijnlijk ging het hier om de in Nijmegen geboren Pieter Franciscus Peters junior (1818-1903) die vanaf 1845 in Stuttgart werkzaam was. Ook voor hem gold dat zijn Nijmeegse wortels hem er waarschijnlijk toe brachten om de actie op touw te zetten, ook al woonde en werkte hij inmiddels ver van het overstromingsgebied.
Loterijen
Daarnaast waren loterijen vaste prik na rampen. Zo meldde de Leydsche courant in februari 1820 een gift van 50 gulden ten behoeve van recente watersnoodslachtoffers. De schenker, slechts aangeduid met initialen M.P.v.S., had het bedrag opgehaald na verloting van een schilderij. Kunstenaarsverenigingen ontplooiden vergelijkbare initiatieven. Het Schilder- en Tekenkundig Genootschap St Lucas in ‘s-Hertogenbosch zamelde in 1850 schilderijen en tekeningen in voor een verloting. Toen de inzendingstermijn bijna verstreken was, kwamen er nog dagelijks inzendingen binnen van “onderscheiden geachte Kunstenaars”.

Een ander voorbeeld van een dergelijke actie is die van kunstenaarsvereniging Pulchri Studio in Den Haag na de watersnood van 1855. De hoofdprijs van hun verloting was een schilderij van de veel geprezen Louis Meijer (1809-1866), vooral bekend vanwege zijn geschilderde en geëtste zeegezichten in romantische stijl. Het Amsterdamse Genootschap Rembrandt kon niet achterblijven en organiseerde eveneens een verloting. Veel van hun leden, onder wie bekende namen, doneerden daarvoor een of meer schilderijen. In Algemeen Handelsblad noemde het genootschap de schilders met naam en toenaam (zie aankondiging hiernaast).
De artistieke inzendingen voor loterijen werden hogelijk gewaardeerd. Ter illustratie, een journalist schreef over de ingezamelde kunstschatten in voorbereiding op de watersnoodloterij van 1861:
Zij leggen tevens het schoonst en eervolst getuigenis af van den edelen zin, waardoor men ook in den vreemde, en niet in het minst de mannen der kunst, jegens onze diep ongelukkige landgenooten bezield is.
– Leydsche courant (3 april 1861) via Delpher
In tegenstelling tot wat deze berichtgeving doet denken, raakten ook kunstenaressen geregeld bezield om te helpen, ook al zijn hun bijdragen vaak minder zichtbaar.
Vrouwelijk aandeel
Geregeld wordt gesproken van de inzendende kunstenaars, vooral bij kunstgenootschappen, als “de Heeren”. Enerzijds is het misschien niet verwonderlijk. De leden waren immers vooral, soms zelfs uitsluitend, mannen. Die kregen dan ook vaker de gelegenheid om zich te ontplooien en als kunstenaar naam te maken.
Anderzijds maakt de expliciete nadruk op de mannelijke aanwezigheid het lastig om de vrouwelijke bijdragen aan initiatieven ontwaren. Die waren er wel degelijk: hoewel de lange indrukwekkende lijst deelnemers aan de tentoonstelling van Genootschap Rembrandt wordt ingeleid met de woorden “zijnde de Heeren”, bevinden zich tussen de inzendende kunstenaars ook enkele vrouwen. Onder hen is bijvoorbeeld “mevr. Hakbijl” waarmee waarschijnlijk de kunstenares Frederika Hakbijl wordt bedoeld.
Ook de schilderes van stillevens Anna Francisca de Rijk (1834-1889) deed een schenking. Helaas is van geen van de kunstenaars, mannelijk of vrouwelijk, bekend welk werk ze stuurden.

Kunstenaarsgenootschappen hadden vaak weinig vrouwelijke leden. Hun deelname aan kunstenaarsinitiatieven na rampen bleef daardoor automatisch beperkt. Behalve het kleine aandeel van vrouwelijke leden is er nog een reden dat hun bijdragen vaak aan de aandacht ontsnappen. Artistieke inzendingen van vrouwen gebeurden namelijk vaak in andere contexten dan die van kunstverenigingen.
Kunsthandwerken
Bij initiatieven van vrouwen na rampen werd minder de nadruk gelegd op het artistieke aspect van de bijdragen. In 1825 bijvoorbeeld meldde de Groninger courant dat de commissie die bijdragen voor slachtoffers na een watersnood in het naburige Friesland inzamelde, een verzoek had gekregen van ingezeten vrouwen van de gemeente. Deze wilden een loterij van “vrouwelijke kunsthandwerken” waarvan de opbrengsten gereserveerd waren voor de watersnoodslachtoffers, en meer specifiek voor vrouwen en jonge kinderen.
De commissie beschreef de bijdragen als:
vrouwelijke kunstwerken van allerlei aard, welke menschlievende vrouwen en meisjes tot het bovengemeld doel willen afzonderen, waarbij vazen met of zonder glazen stulpen, geschikt om gemaakte kunstbloemen te plaatsen, en andere geschenken, b.v. teekeningen, en verdere voorwerpen van smaak en weelde
– Groninger courant (15 maart 1825) via Delpher.
Gelukkig publiceerde commissie een catalogus van 1000 gestuurde objecten die een idee geeft van de inzendingen. Het gaat vooral om anonieme handwerken van textiel, zoals zijden beursjes, geborduurde manchetten en gebreide kindermutsjes. Tussen de nijverheid staan evenwel ook verschillende aquarellen, tekeningen in Oost-Indische inkt en schilderijen, waarvan de maaksters evenmin worden geïdentificeerd.
Slechts één vrouw wordt met naam genoemd. Dat is kunstenares Louisa Carolina Wilhelmina Dethmar (1802-?) die vlak over de grens in Reckenburg (bij Anholt) was opgegroeid. Voor de loterij ten behoeve van de slachtoffers zond zij een getekend portret van Goethe in miniatuur en 3 tekeningen in waterverf. Binnen de context van een verloting van “kunsthandwerken van allerlei aard” blijven dergelijke inzendingen van artistieke waarde echter onder de radar. Voor de waardering helpt het evenmin dat de commissie in de inleiding stelt dat “alles wat ingezonden is, … niet dezelfde waarde als kunstgewrocht” heeft.
Uiteindelijk bleek de bijval aan de Groningse loterij zo groot en kwamen de inzendingen uit zo veel gewesten dat de commissie het gestelde maximum van 1000 uitbreidde naar 1300. Vervolgens besloot ze tot de verkoop van evenveel loten, waarbij een lot dus een garantie bood op een prijs. De opbrengst van de verloting bleek uiteindelijk opgelopen tot 1000 gulden, wat overeenkomt met meer dan 11.000 euro nu. Hiermee is de Groningse verloting van vrouwelijke handwerken én kunstobjecten er een die niet onvermeld mag blijven.
Nationale loterijen
Naast deze lokaal georganiseerde kunstenaarsinitiatieven na rampen kwamen er in de 19de eeuw ook steeds vaker loterijen op nationale schaal. Daarvoor zamelden talrijke lokale subcommissies prijzen in. Aan die oproepen gaven ook beeldend kunstenaars gehoor. In januari 1880 schonk schilder en tekenaar Henricus Engelbertus Reijntjens (1817-1900), woonachtig en werkzaam in Amsterdam, een schilderij “voorstellende een offer voor den watersnood”. Dit had hij speciaal voor de gelegenheid gemaakt, meldde Het Vaderland van 3 februari 1880.
Het moet wel het schilderij Voor de watersnood zijn geweest dat in 2013 bij Zeeuws Veilinghuis onder de hamer kwam. Niet alleen de titel wijst hierop, maar het werk is ook gesigneerd en gedateerd 1880.

Reijntjens stelt een figuurgroep centraal die hij vaker voor schilderijen had gebruikt. Vergelijk de jonge vrouw met een kind dat een muntje in een collectebus stopt op een paneel uit 1854. Later zou hij de groep nogmaals herhalen, nu bijna letterlijk, op een schilderij met een offer aan een zusterschool, gedateerd 1888. Kennelijk ging het om een figuurgroep die hij op voorraad had, bijvoorbeeld in de vorm van schetsen en tekeningen, en bij een geschikte gelegenheid of opdracht tevoorschijn kon halen.
Benefietkunst
Uit voorgaande blijkt allereerst dat kunstenaarsinitiatieven na rampen talrijk waren. Bovendien blijkt dat ze verschillende vormen aan konden nemen. Zo konden kunstenaars werk verkopen, exposeren of verloten, collectief of individueel. Hiervoor konden ze bestaand werk schenken of nieuw werk maken. Toch is er nog maar weinig aandacht voor de acties van beeldend kunstenaars. Ter vergelijking: neerlandica en letterkundige Lotte Jensen wees meermaals op initiatieven van liedschrijvers en dichters, in heden en verleden. Behalve muzikanten zetten echter ook beeldend kunstenaars hun talenten en vaardigheden veelvuldig in ten behoeve van slachtoffers.
In de loop van de 19de eeuw groeide onder sommige kunstenaars ook de weerstand om mee te doen aan de grootschalige loterijen. Door de schaalvergroting kwamen tijdens tentoonstellingen van inzendingen de artistieke bijdragen te hangen tussen ambachten die minder waardering genoten. Dat was tegen het zere been van sommigen. Met die enigszins devaluerende context hadden vrouwen in de jaren ervoor echter geregeld genoegen moeten nemen. Hun artistieke bijdragen, zoals van Louisa Dethmar, kwamen immers meestal bij de loterijen van “kunsthandwerken” terecht, vaak zelfs anoniem. Pas met de grootschalige watersnoodloterijen groeide echter de aversie tegen de combinatie van handwerk en kunst onder de gevestigde, door mannen gedomineerde orde.
Op de toenemende kritiek op watersnoodloterijen, ook uit kunstenaarshoek, wijd ik mijn volgende post met de titel ‘Weerstand tegen watersnoodloterijen’.
Meer lezen?
Ik schreef vaker over de visuele verbeelding van rampen, van watersnood tot sprinkhanenplaag. Over parallellen tussen toen en nu, zie ook De pest in het museum of Het verlies van het culturele hart na rampen. Met behulp van de tags onderaan die berichten is een heleboel meer te vinden.
Met betrekking tot rampen in de 19de eeuw, zie onder andere:
- Fons Meijer, Verbonden door rampspoed: Rampen en natievorming in negentiende-eeuws Nederland (Hilversum 2022).
- Lotte Jensen, Wij en het water: Een Nederlandse geschiedenis (Amsterdam 2022).
- Lotte Jensen, ‘Zingen om het hoofd boven water te houden: Overstromingen en de Nederlandse liedcultuur’, Tijdschrift voor waterstaatsgeschiedenis 28 (2019), 78-91. [PDF]