Gelukkige winnaars
Tot en met 24 september 2023 is in het Nederlands Zilvermuseum in Schoonhoven de tentoonstelling ‘Lot uit de Loterij’ te zien, gewijd aan loterijen. Na grootschalige rampen organiseerde men vanaf de 15de eeuw graag loterijen om geld in te zamelen. In eerste instantie waren dit vooral lokale initiatieven, maar in de 19de eeuw organiseerde men ook loterijen op nationaal niveau. Opvallend is de toenemende nadruk op de afmetingen van ingezonden kunstwerken in de 19de-eeuwse berichtgeving. Hoe groter het doek, hoe indrukwekkender de schenking, zo lijkt de teneur. Als gevolg daarvan verloren donateurs van prijsvoorwerpen de schaal wel eens uit het oog, zo blijkt. Die donaties oogstten vervolgens kritiek, want: Wat moesten gelukkige winnaars met een schilderij dat niet eens door de deur van hun woning naar binnen kon?

Loterijen van kostbare voorwerpen
In 1695 verbeeldde Cornelis Dusart (1660-1704) de blijdschap van een gezin na het winnen van een loterij. Om te beginnen presenteert een man aan de deur van het winnende gezin een officiële brief. Tegelijkertijd houdt hij demonstratief een ketel in de lucht. Dit is ongetwijfeld een der “considerabele Prijsen” waarvan het bijschrift gewag maakt. Ondertussen blaast een ander op een hoorn om de uitreiking luister bij te zetten en de aandacht van de omstanders te trekken.
Volgens het onderschrift gaat het om de “Lottery van Grootenbroek”. Op 20 augustus 1694 had een hevige brand dat dorp volledig in de as gelegd. Geld was dus nodig voor opvang en herstel van het stadje.
Dure materialen
Tijdens de loterij in Grootenbroek waren er vooral grote geldprijzen en kostbare voorwerpen van zilver te winnen, zoals te zien en te lezen op de bijbehorende loterijprent van 1694. Te denken valt aan lampetten, theeketels, koffiekannen, zoutvaatjes, tabaksdozen, lepels en meer. Kortom, de nadruk ligt op kostbare gebruiksvoorwerpen van dure materialen.
Schilderijen zijn van een andere orde dan zilveren voorwerpen en geldprijzen. Toch werden, vooral in de 19de eeuw, ook steeds vaker kunstwerken met artistieke waarde verloot. Voor een watersnoodloterij in 1880 bijvoorbeeld schonk “kunstschilder Van Borselen te ’s Gravenhage” een landschapschilderij van eigen makelij. Deze kunstschilder moet wel Jan Willem van Borselen (1825-1892) zijn geweest die vanaf 1855 in Den Haag woonde. Daar had hij naam gemaakt als producent van landschappen en stadsgezichten.
De schenking was niet alleen “prachtig”, maar ook “van groote afmeting” schreef de correspondent in Het vaderland (3 februari 1880). Behalve op kwaliteit van het werk vestigde de journalist de aandacht op de afmetingen.
Ongemeen groot
Deze nadruk op het formaat was niet voorbehouden aan de loterij van 1880. Het gebeurde ook al bij ‘de algemene verloting ten behoeve van noodlijdenden der watersnood’ in 1861. Toen doneerde koning Leopold van België een schilderij waarover eerst wat misverstanden bestonden. Men dacht namelijk dat het om Beleg van Oostende ging, vervaardigd door Ernest Slingeneijer. In tweede instantie bleek het echter te gaan om het schilderij Hongerige wolven van de Belgische kunstenaar Eugène Verboeckhoven.

Het schilderij van meer dan 2,5 x 3,5 m geeft een dramatische voorstelling van een wolvenroedel die een groep paarden aanvalt. Hoeven vertrappelen en verwonden de wolven, maar één uit de roedel zet de tanden al in een paardennek. In de kluwen van dieren staan ook ruiters. Desalniettemin lijkt het de schilder vooral te gaan om het gevecht op leven en dood dat de dieren onderling leveren.
Bewondering
De nauwkeurige weergave door de schilder had al eerder veel bewondering geoogst, toen het als ‘Paardenkonvooi aangevallen door wolven in een bos in Polen’ in 1836 op de Salon van Brussel te zien was geweest. Zo schreef dichter en kunsthistoricus Louis Alvin die de expositie in de salon bezocht had:
In de uitvoering van de details overtroeft het alles wat wij eerder in dit genre hebben gezien.
C’est par l’exécution des détails qu’il l’emporte sur tout ce que nous avons vu dans ce genre.
– Louis Alvin in Compte-rendu du salon d’exposition de Bruxelles (1836), p. 390.
In Nederland was menigeen dan ook onder de indruk van de gift van de Belgische koning. Zelfs predikant Johannes Quack maakte er expliciet melding van in zijn gedenkboek, gewijd aan de watersnood van 1861 (p. 221 n. 1). Daar prees hij het kostbare schilderij dat hij een “Vorstelijk geschenk” noemde.
Journalisten legden echter vooral de nadruk op de afmetingen van het gigantische schilderij. In het Dagblad van Zuidholland en ’s Gravenhage sprak men van een “groote en kostbare schilderij”. In het blad Nederlandsch Indië schreef een journalist zelfs:
Deze ongemeen groot schilderij [sic] mag wel onder de allereerste prijzen gerangschikt worden, want zonder overdrijving houdt men het daarvoor, dat dit kunststuk voor niet minder dan twintig duizend francs is vervaardigd.
– Nederlandsch Indië (8 april 1861) via Delpher
Het schilderij had de koning dus veel geld gekocht en de bewondering was navenant.
Uitstalling
Met het benoemen van de dimensies wilden de journalisten bovenal de waarde van het werk benadrukken. Een groter doek had de schilder, en dus de eigenaar en schenker, immers meer geld gekost. Bovendien hoopten de verslaggevers zo wellicht meer bezoek naar de tentoonstelling in paleis Noordeinde te lokken. Daar waren de prijsvoorwerpen voorafgaand aan de loterij ter bewondering van het grote publiek uitgestald. Middels de toegangskaartjes leverde deze tentoonstelling fl. 10.000 op voor de watersnoodslachtoffers. Dit bedrag kwam dus nog bovenop de fl. 218.000 aan lootjes à 1 gulden per stuk.
Tekenaar en lithograaf Carel Christiaan Antony Last bracht de tentoonstellingszaal in beeld, volgestouwd met te verloten objecten. Boven de doorgang naar de achterliggende zaal torent de buste van koning Willem III, versierd met grote vaandels. “Waterramp … 1861” staat op één van beide ovale plaketten aan weerzijden.


Alle prijsobjecten zijn uitgestald op drie lange tafels en de muren zijn afgeladen met een keur aan schilderijen. Links hangt het schilderij van Verboeckhoven, waarvan het steigerende witte paard het zichtbare middelpunt vormt.
Uit Lasts prent blijkt wel dat dit meer dan manshoge schilderij qua afmetingen alle andere objecten in de schaduw stelde.
Spot
Met het verlangen om te imponeren, was de donateur de bestemming van de inzending wellicht uit het oog verloren. Dat leidde dan ook tot openlijke kritiek en spot. In De Nederlandsche Spectator van 1861 verbeeldde tekenaar Johan Michaël Schmidt Crans treffend “eenige gelukkigen” na de trekking van de watersnoodloterij.

Verschillende winnaars lopen weg met een prijs waaraan ze waarschijnlijk weinig plezier zullen beleven. Een man met twee houten benen won bijvoorbeeld een paar laarzen, een vrouw zonder paard een koets. Op de achtergrond probeert een man een enorm schilderij door een piepklein raampje op de eerste verdieping te trekken. Het is duidelijk onbegonnen werk.
Schmidt Crans baseerde het schilderij in zijn spotprent van de gelukkige winnaars zonder twijfel op het “ongemeen groot schilderij” dat de koning van België had geschonken. De poses van de drie afgebeelde paarden komen exact overeen met drie van de dieren in het werk van Verboeckhoven. Bovendien voegde Schmidt Crans twee springende wolven toe. Daarmee laat hij geen misverstand meer bestaan dat hij hier het schilderij Hongerige wolven portretteerde.
Gelukkige winnaars
De uit de kluiten gewassen prijs van meer dan 2,5 x 3,5 m viel uiteindelijk op een lot in bezit van de Utrechtse bakker Molsbergen. Hoe ingenomen deze was met het resultaat van de trekking, is niet te achterhalen. Toch is het moeilijk voor te stellen dat de bakker dezelfde blijdschap zal hebben getoond als het gezin op de prent van Dusart die een zilveren ketel uitgereikt krijgen.
Niettemin wist de gelukkige winnaar zijn aanzienlijke prijs snel te verzilveren. Minister Thorbecke zou het gigantische doek voor een bedrag van maar liefst 4000 gulden van de bakker overnemen. Zo kwam het in 1862 in de collectie van het Rijksmuseum terecht. Na de aanschaf ontspon zich echter een totaal andere discussie over staatsbemoeienis bij kunstaankoop. Daarmee verdween de polemiek over het formaat van artistieke inzendingen aan benefietloterijen naar de achtergrond.
Geschikt voor een verloting was het schilderij dus niet, hoe goed bedoeld de inzending ook geweest zal zijn. Alleen al vanwege het formaat was het enorme doek beter op zijn plek in een paleis of museum dan in de bakkerswoning. Daar had het waarschijnlijk niet eens door de deur gepast, zoals Schmidt Crans al schetsend en schertsend had voorzien.
Ook interessant
Op 4 april a.s. promoveert Adriaan Duiveman aan de Radboud Universiteit Nijmegen met een proefschrift, getiteld ‘Nature Triumphed’. Daarin staan solidariteit en identiteit na rampen in de 18de eeuw centraal. Tot en met 24 september 2023 is in het Nederlands Zilvermuseum in Schoonhoven ook nog de tentoonstelling ‘Lot uit de Loterij’ te zien, met speciale aandacht voor de overeenkomsten tussen loterijen toen en nu.
Ik schreef eerder artikelen over kunstenaarsinitiatieven na rampen, vooral in de 19de eeuw en over de groeiende weerstand tegen de watersnoodloterijen. Voorstellingen van rampen zijn vaak onderwerp van posts op dit blog en van mijn wetenschappelijke artikelen.
Over de latere wederwaardigheden van Verboeckhovens Hongerige wolven, zie:
- E. van Heuven-van Nes, ‘Hongerige wolven overvallen een groep ruiters (1836), Door Eugène Verboeckhoven: Hoe een schilderij het onderwerp werd van een culturele polemiek’, Bulletin van Het Rijksmuseum 42, nr. 2 (1994), pp. 137-149. [Jstor].