Met beleefd verzoek

Familienetwerken zijn een belangrijke voorwaarde voor het succes van veel 19de-eeuwse schilders. Voor jonge kunstenaars is dat zeker het geval. Schilderes en tekenares Jeanne Rondeau (1811-1892) is daarvan een goed voorbeeld. Om te beginnen onderhoudt Rondeaus vader contacten met andere schilders. Bovendien levert haar vader inspanningen om de schilderijen van zijn dochter onder de aandacht te brengen van de commissie die tweejaarlijkse tentoonstellingen in Amsterdam organiseert. De kattenbelletjes met het beleefd verzoek aan de tentoonstellingscommissie om het werk van zijn dochter op te nemen, geven bovendien meer informatie prijs dan hun summiere karakter doet vermoeden.

Stedelijke tentoonstelling

Vanaf 1808 organiseert een commissie zogenaamde ’tentoonstellingen van levende meesters’ in Amsterdam waar tweejaarlijks het werk van contemporaine kunstenaars te zien is.[1] Voor de kunstenaars zijn de exposities etalages waar zij hun werk aan een groot publiek kunnen tonen wat naamsbekendheid oplevert. Ze kunnen er bovendien hun werk verkopen.

Onder de exposerende kunstenaars bevinden zich niet meteen vrouwelijke kunstenaars. In 1808 doet nog geen enkele vrouw mee. Tijdens de volgende tentoonstellingen is slechts een klein percentage van het vrouwelijk geslacht, maar dat aantal neemt wel iets toe, al blijft het beperkt. Tussen 1830 en 1868 schommelt het aantal vrouwen dat aan de Amsterdamse tentoonstelling van levende meesters deelneemt, steeds rond de 6% van het totaal aantal deelnemers.

Schilderijendagboeken

Om meer te weten te komen over de kunstenaarspraktijk, vormt het archief van de stedelijke tentoonstellingen in Amsterdam een prachtige bron.[2] Vanaf 1834 zijn daarvan bijvoorbeeld schilderijendagboeken bewaard waarin de organiserende commissie bijhoudt welke werken haar wanneer en door wie zijn toegezonden. Ook bevat het archief vanaf 1846 de brieven die de commissie ontvangt bij en rondom de inzendingen.

De communicatie rond inzendingen is soms summier. Anders gezegd, het gaat vaak om kattenbelletjes. Zo schrijft de jonge kunstenares Adriana van Ravenswaay – over wie ik ooit een blogpost schreef – in 1846 in een begeleidend briefje:

Als eene eerste proeve beveel ik hetzelve nedrig in Uwe protectie.[3]

Ook al is de informatie over individuele inzendingen vaak kort, toch is er soms wat meer uit af te leiden. Het levert zelfs waardevolle informatie op als het gaat om vrouwelijke kunstenaars over wie andere bronnen vaak zwijgen. Het archief van de stedelijke tentoonstelling spreekt namelijk wel over hen. Anders gezegd, de korte notities zijn onthullender dan op het eerste gezicht lijkt.

Eigendom

Vanaf 1834 exposeert ook Jeanne Rondeau haar werk op de tweejaarlijkse tentoonstellingen in Amsterdam. In 1844 stuurt ze Een doode Patrijs voor beoordeling. Het schilderij staat onder die titel vermeld in het schilderijendagboek van dat jaar.[4] Uit andere schilderijendagboeken blijkt bovendien dat haar familie nauwe contacten onderhoud met andere kunstenaars, want in 1846 stuurt Cornelis Gerardus Pijl via Rondeaus vader een schilderij Bloemen en schelpjes naar tentoonstelling.

Deze kunstenaar schrijft vervolgens op 31 augustus 1846:

Hierneevens heb ik de Eer UE te verwitigen [sic] dat het schilderstukje voorstellende bloemen en schelpjes vervaardigd door mij ondergeteekende, en Eigendom van den WelEdelen Heer S Rondeau, ook door mij word verzocht het Zelve op aanstaande amsterdamsche tentoonstelling met eene goede plaatsing te begunstigd te zien…

Cornelis Gerardus Pijl, Bloemen en schelpen, olie op doek, 350 x 295 mm. Collectie onbekend (veiling 18 november 2008). Bron: artnet

Aan de brief is bovendien een korte notitie van Samuel Rondeau toegevoegd dat hij “vermeld Bloemstukje” aan de commissie toestuurt.[5]

Of het doek de gewenste plaatsing krijgt, is niet duidelijk. We weten immers niet waar het geplaatst is, maar we weten wel dát het doek een plekje krijgt. Bloemen en schelpjes staat immers als nummer 496 tussen de nagekomen stukken in de betreffende catalogus.[6]

Ook door mij

Met de formulering “ook door mij” suggereert Pijl bovendien dat het eerste verzoek om het schilderij op de tentoonstelling te hangen, niet van hem afkomstig is. Wellicht gebeurt de plaatsing op verzoek van Samuel Rondeau. Dat is immers degene die het doek opstuurt naar de commissie, zo blijkt uit zijn toevoeging onder Pijls schrijven. De schilder heeft de brief waarschijnlijk dus eerst aan Rondeau gegeven die de brief vervolgens aanvult en met schilderij aan de commissie doet toekomen. Dat blijkt ook uit het schilderijendagboek. Daarin staat achter Pijls naam in de kolom met inhoud van hetgeen is ontvangen: “1 los schilderij met brief”.[7]

Pijls stilleven zal dus in de woning van Rondeau een plaats hebben gehad. Daar zal Jeanne Rondeau het schilderij hoogstwaarschijnlijk gezien hebben. Mogelijk bestudeert zij Pijls werk. Het thema van zijn schilderij komt immers nauw overeen met de onderwerpen die Rondeau ook schildert: stilleven met bloemen en fruit.

Begeleidend schrijven

Zoals gezegd, stuurt Jeanne Rondeau haar werk in vanaf 1836. In 1848 zendt zij opnieuw een stilleven voor opname in de tentoonstelling. Dit werk gaat dan vergezeld van een kort schrijven waarin staat:

Met beleefd verzoek tot plaatzing heeft Mejufr: J.C.W. Rondeau, de Eer hierbij in te zenden, Een schilderstukje, voorstellende: Een Porceleine kom met vruchten.

Door de formulering lijkt het alsof Jeanne Rondeau zelf de inzending doet.[8] Vergelijking met de notitie onder aan de brief van Pijl doet echter vermoeden dat haar vader Samuel Rondeau degene is die het berichtje aan de tentoonstellingscommissie schrijft en volgende begeleidende briefjes bevestigen dit. De notitie bij twee werken voor de tentoonstelling twee jaar later is namelijk in dezelfde hand geschreven en dat wordt zelfs ondertekend door Samuel Rondeau:

Aan de Commissie voor de Tentoonstelling van Schilderijen neemt de vrijheid ter Expositie aan te bieden Eene Schilderij (Bloemstuk) en eene Teekening,

Derzelver D.W. Dienaar S. Rondeau[9]

Volgens het schilderijendagboek wordt het bloemstuk geschilderd “door Mej J.C.W. Rondeau” inderdaad geplaatst.[10] De genoemde tekening wordt echter afgekeurd en is daardoor dus niet op de tentoonstelling te zien.

Naar Karsen

Omdat in de begeleidende briefjes en in de schilderijendagboeken, ook de afgekeurde werken worden genoemd, komt daaruit meer naar voren dan uit de tentoonstellingscatalogi blijkt. De afgekeurde inzending blijkt bijvoorbeeld een tekening naar een werk van Kasparus Karsen. Die schilder, tekenaar en tevens fotograaf is werkzaam in Amsterdam van ongeveer 1844 tot 1896. In 1864 is hij als kunstenaar en fotograaf werkzaam bij de firma Karsen & Hamburger. Daarna wordt hij zelfstandig fotograaf te Amsterdam, tot 1895.

Onvermeld blijft helaas wat het onderwerp van Rondeaus tekening naar Karsens voorbeeld is. Mogelijk gaat het om een gefantaseerd stadsgezicht, want dat is een genre waarin Karsen als kunstschilder excelleert. Meestal echter betreffen Rondeaus inzendingen stillevens.

Van dezelfs dochter

Ook in de daaropvolgende jaren stuurt vader het werk van zijn dochter in met een begeleidende notitie. De briefjes zijn steeds kort en ze bieden daardoor weinig meer informatie over de ingezonden werken dan ook al uit de catalogi naar voren komt.

In 1856 geeft Rondeau wel iets meer prijs.[11] Hij schrijft dan:

De ondergeteekende heeft de Eer hierbij intezenden met verzoek tot plaatsing: Een doode Patrijs . Teekning met sapverw van deszelfs dochter Mej. J.C.W. Rondeau, naar de schilderij van J.J. van Os

Kennelijk gaat het om een aquarel naar een werk van de schilder J.J. van Os, waarmee waarschijnlijk Georgius Jacobus Johannes van Os wordt bedoeld. Deze aanvulling is echter niet overgenomen in de betreffende catalogus. Daar staat slechts: “Een doode Patrijs, teekning in sapverw”.[12]

Gevogelte

Met de toevoeging van de naam Van Os kunnen we ons echter een beter beeld vormen van het uiterlijk van de tekening, want enkele van Van Os’ schilderijen die zich rond 1850 in Amsterdam bevinden, tonen een patrijs. Twee werken waarop een patrijs is afgebeeld, bevinden zich bijvoorbeeld in de privécollectie van koopman en kunstverzamelaar Piet van Eeghen.[13]

Georgius Jacobus Johannes van Os, Bloemen en gevogelte, gesigneerd ‘G.J.J. van Os 1840’ (midden onder), olie op paneel, 718 x 580 mm. Amsterdam Museum, SA 282. Bron: Amsterdam Museum collectie online

Het ene werk toont drie dode vogels – fazant, houtsnip en specht – die aan de poten zijn opgehangen en met de kop naar beneden vallen. Op een richel onder de beide vogels ligt een keur aan vruchten, zoals een pompoen, pepers en perziken, met daartussen enkele losjes gestoken bloemen.

Georgius Jacobus Johannes van Os, Vogels en vruchten, gesigneerd ‘G.J.J. van Os eg. 1841/43’ (rechtsonder), olie op paneel, 835 x 608 mm. Amsterdam Museum, SA 282. Bron: Amsterdam Museum collectie online

Op een ander werk, eveneens in de collectie Van Eeghen, zijn een fazant en en houtsnip gecombineerd met een patrijs. Wellicht heeft Rondeau één van deze werken gekopieerd, al lijkt dat niet waarschijnlijk. Als op Rondeaus aquarel namelijk drie vogels staan, zouden ze waarschijnlijk niet met slechts de woorden ‘een dode patrijs’ worden aangeduid.

Patrijs

Een derde werk met een patrijs ten slotte bevindt zich in een andere grote Amsterdamse kunstcollectie, namelijk die van koopman Carel Joseph Fodor. Het werk toont een grote patrijs die zoals op het eerdergenoemde werk aan een van de beide poten is opgehangen. Op de richel daaronder liggen allerlei vruchten uitgestald waaronder een ananas. Omdat het hier slechts om één vogel gaat die prominent in beeld is gebracht, en wel een patrijs, zou dit wel eens het werk kunnen zijn dat Rondeau in waterverf kopieert voor de tentoonstelling van 1856.

Ook de verzameling Fodor was bekend bij kunstliefhebbers. Voordat de eigenaar zijn kunstwerken in 1860 aan de stad schenkt, is de collectie al toegankelijk en jonge kunstenaars komen er naar voorbeeld tekenen en schilderen als onderdeel van haar opleiding. De collectie kwam als zodanig al eens ter sprake in een blogpost over schilderes Sara Sartorius die de verzameling eveneens bezoekt en er werk kopieert. Waarschijnlijk bevindt zich onder deze kunstenaars dus ook Jeanne Rondeau.

Georgius Jacobus Johannes van Os, Dode patrijs en vruchten, gesigneerd (linksonder), 1820-1841, olie op paneel, 538 x 430 mm. Amsterdam Museum, SA 1827. Bron: Amsterdam Museum collectie online

Naar werk

Deze blogpost is een kleine aanvulling op een eerdere blogpost over Rondeau. Met behulp van het archief van de stedelijke tentoonstellingen is namelijk iets meer over deze onbekende kunstenaar te vertellen. Hoewel het eerst bewaarde briefje bij een inzending van haar nog de schijn heeft dat ze haar werk eigenhandig inzendt, blijkt uit begeleidende briefjes dat haar vader Samuel Rondeau dat voor haar doet. Ook schildert de kunstenares vaker naar voorbeeld dan uit de catalogi blijkt. Onder andere tekent ze naar werk van Kasparus Karsen en Georgius Jacobus Johannes van Os.

Daarnaast illustreert deze post over Rondeau de betekenis van familienetwerken voor de ontwikkeling van kunstenaars. In het geval van Rondeau is het vooral haar vader die zijn contacten aanwendt om het werk van zijn dochter onder bredere aandacht te brengen. Mogelijk zorgt hij er ook voor dat ze naar kunstwerken in belangrijke Amsterdamse privécollecties kan tekenen. Zo zorgt hij ervoor dat zijn dochter zich als kunstenaar kan ontwikkelen.


Noten

[1] Hanna Klarenbeek, Penseelprinsessen & broodschilderessen. Vrouwen in de beeldende kunst 1808-1913 (Bussum: Thott, 2012), , p. 98.

[2] Stadsarchief Amsterdam, archief 64: Archief van de Commissie voor de Tentoonstelling van Kunstwerken van Levende Meesters [Stadsarchief Amsterdam].

[3] Id., 2: Tentoonstelling 1846, 5: Ingekomen stukken van inzenders: Adriana van Ravenswaay [Stadsarchief Amsterdam].

[4] Id., 2: Tentoonstelling 1846, 5: Ingekomen stukken van inzenders: Rondeau [Stadsarchief Amsterdam].

[5] Ibidem.

[6] Cat. Amsterdam, Tentoonstelling te Amsterdam voor den jare 1846 (Amsterdam: Stads-Drukkerij, 1846), p. 29, nr. 496 [RKD Library].

[7] Stadsarchief Amsterdam, archief 64, 2: Tentoonstelling 1846, 3: Schilderijen-dagboek, nr. 346 [Stadsarchief Amsterdam].

[8] Id., 3: Tentoonstelling 1848, 9: Ingekomen stukken van inzenders: Rondeau [Stadsarchief Amsterdam].

[9] Id., 4: Tentoonstelling 1850, 18: Ingekomen stukken van inzenders: Rondeau [Stadsarchief Amsterdam].

[10] Id., 4: Tentoonstelling 1850, 15: Schilderijen-dagboek, nr. 322 [Stadsarchief Amsterdam].

[11] Id., 7: Tentoonstelling 1856, 36: Ingekomen stukken van inzenders: Rondeau [Stadsarchief Amsterdam].

[12] Amsterdam, Tentoonstelling van schilder- en andere werken van levende kunstenaars te Amsterdam, in den jare 1856 (Amsterdam: Stads-Drukkerij, in de Nes, 1856), nr. 348 [RKD Library].

[13] Laura van Hasselt, Geld, geloof en goede vrienden. Piet van Eeghen en de metamorfose van Amsterdam, 1816-1889 (Amsterdam: Balans, 2023), p. 179.

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Back to Top