Edelen en geestelijken tijdens de Elisabethsvloed

In 1421 – precies 600 jaar geleden – vond de Sint-Elisabethsvloed plaats. In de jaren 1490 gaven de nakomelingen van de slachtoffers uit Wieldrecht de opdracht tot het vervaardigen van een altaarstuk in de Grote Kerk van Dordrecht. Hierop lieten zij de watersnood afbeelden. Het drieluik zou een inspiratie blijven voor talrijke schilders en prentmakers, de Amsterdamse etser en graveur Romeyn de Hooghe (1645 – 1708) bijvoorbeeld. Hij maakte een ets van de Sint-Elisabethsvloed voor het overzichtswerk van de Dordtse brouwer, dichter en kroniekschrijver Matthijs Jansz. Balen. De Sint-Elisabethsvloedpanelen inspireerden De Hooghe, maar er zijn ook opvallende verschillen tussen de ets en het altaarstuk. De Hooghe richt zich vooral op de gevolgen voor edelen en geestelijken tijdens de Elisabethsvloed.

Blijvende inspiratie

Tot aan de Reformatie waren de panelen met de Sint-Elisabethsvloed te zien in de Grote Kerk. Toen men ze uit de kerk verwijderde, raakten ze niet in de vergetelheid. Ze verhuisden naar de Heelhaaksdoelen aan Steegoversloot waar ze zichtbaar bleven. Daar maakten schilders en graveurs kopieën. Anderen, zoals Romeyn de Hooghe, lieten zich door de panelen inspireren tot het maken van nieuwe voorstellingen.

Romeyn de Hooghe, Sint-Elisabethsvloed, ets en gravure, in Matthys Balen, Beschryvinge der stad Dordrecht (1677). Den Haag, KB Nationale Bibliotheek van Nederland, 892 B 79. Bron: Early European Books

De Hooghe maakte de voorstelling voor Matthys Balens Beschryvinge der stad Dordrecht van 1677. In zijn geschiedenis besteedde Balen veel aandacht aan de Sint-Elisabethsvloed die hij bestempelde als een ‘grote en vreeselike vloed’.

Voor de ets baseerde De Hooghe zich op de Elisabethsvloedpanelen. De opbouw van het landschap is identiek, evenals de plaats van Dordrecht daarin en de dorpen eromheen. Net als op de panelen beeldde De Hooghe Wieldrecht weinig prominent af. Dordrecht en de Grote Kerk spelen nog steeds de hoofdrol.

Balen plaatste de prent bij het hoofdstuk over de Grote Kerk, niet bij het gedeelte over de Sint-Elisabethsvloed. De panelen waarop de kerk zo duidelijk figureert, waren daarom een logisch uitgangspunt voor De Hooghe. De Grote Kerk bekleedde een prominente rol op de panelen omdat die liefdadigheid na de ramp als voornaamste onderwerp hebben, zo legde ik elders uit. Bovendien was een prent die naar de panelen verwijst, een voor de hand liggende voorstelling voor dit hoofdstuk, omdat ze ooit onderdeel hadden uitgemaakt van het interieur van die kerk. Ook al waren ze inmiddels verhuisd naar de Heelhaaksdoelen, lezers van Balens geschiedwerk associeerden de panelen nog steeds met de kerk waarvoor ze ooit gemaakt waren.

Verhalen over de vloed

Hoewel de Elisabethsvloedpanelen het uitgangspunt waren, laat De Hooghes prent duidelijk zien dat de verhalen over de vloed veranderden. Op de panelen is het landschap overstroomd, maar het water is rustig. Rechtsvoor liggen verdronken mensen in het water.

De drijvende lichamen zijn lugubere getuigenissen van de ramp. Zo bracht de schilder met de reizende figuren ook het verloop van de tijd in beeld. Terwijl op de achtergrond de dijk breekt, is ook de nasleep van de vloed al zichtbaar. De overlevenden hebben hun geld en goed verzameld en trekken verslagen naar Dordrecht.

De Hooghe daarentegen koos ervoor om niet de afloop, maar het hoogtepunt van de storm in beeld te brengen. Boomtoppen buigen ver door in de wind. Mensen verkeren in paniek. Velen proberen uit alle macht het hoofd boven water te houden. De etser-graveur koos niet alleen voor het geweld tijdens de stormnacht; hij verbeeldde ook een volledig ondergelopen landschap met woest kolkend water. Kortom, de sfeer van rampspoed is een heel andere dan die in het getroffen, maar enigszins gekalmeerde landschap op de Elisabethsvloedpanelen.

Romeyn de Hooghe, Sint-Elisabethsvloed, ets en gravure, 1675-77. Amsterdam, Rijksmuseum, RP-P-OB-76.843. Bron: Rijksstudio

Slachtoffers

Bovendien verkoos De Hooghe andere slachtoffers te portretteren. Links op de voorgrond plaatste hij een opvallende edelman. De man is gekleed in een jas met een met bont afgezette kraag en enorme pofmouwen, zoals edelen gewoon waren te dragen in de eerste decennia van de zestiende eeuw. Jakob Seisenegger portretteerde keizer Karel V bijvoorbeeld in vergelijkbare kledij in 1532. In die tijd was dergelijke kleding modieus.

Jakob Seisenegger, Portret van Karel V, 1532, olie op doek, 203,5 x 123 cm. Wenen, Kunsthistorisches Museum, Gemäldegalerie, A 114. Bron: KHM

De Hooghe, die actief was tussen 1662 en 1708, gebruikte kleding die in zijn tijd als ouderwets werd beschouwd, maar de kledingstijl komt niet overeen met de tijd waarin de vloed plaatsvond, 1421. De dracht past ook niet bij de periode waarin de Elisabethsvloedpanelen ontstonden, de jaren 1490. Zoals gezegd dateert de kleding pas van het begin van de 16de eeuw. Mogelijk wilde De Hooghe hiermee de scène voor de contemporaine beschouwer in een ver verleden plaatsen, ook al komt de mode niet overeen met de verbeelde tijd.

Parochiekerken en ridderhofsteden

Behalve de edelman valt ook de geestelijke in pij met het kruis op de borst op.

Romeyn de Hooghe, Sint-Elisabethsvloed, detail: edelman links en geestelijke rechts. Den Haag, KB Nationale Bibliotheek van Nederland, 892 B 79. Bron: Early European Books

Met de keuze voor een edelman en een geestelijke lijkt De Hooghe visueel vorm te geven aan een opmerking van Balen. Die beschrijft in zijn geschiedwerk van 1677 de Grote Waard, ‘daar wel 72 Karspel-Kerken, en eenige Ridder-Hofsteden in waren’. Mogelijk gaat deze verwoording terug op de Divisiekroniek van de Goudse humanist Cornelius Aurelius. Die schreef namelijk in 1517 dat na de dijkdoorbraak een vruchtbaar gebied met 72 parochiekerken ‘ende menich scoen ridderhoefstede’ verloren ging. Ten gevolge van de Sint-Elisabethsvloed verloren geestelijken hun kerken en edelen hun hoven.

De verarmde adel bleef een veel herhaald motief in de verhalen over de Sint-Elisabethsvloed, ook nog in de achttiende eeuw. Historicus Jan Wagenaar stelde in 1750:

Ook was de schade, die ‘er door veroorzaakt werdt, zo groot, dat veele voornaame, ook adelyke Luiden, tot de diepste armoede gebragt zynde, buiten ’s Lands dienst zoeken, of hier hun brood bedelen moesten.

– Jan Wagenaar, Vaderlandsche Historie, Vervattende de Geschiedenissen der Vereenigde Nederlanden (1750), deel III, pp. 453-54.

De edelman en de geestelijke van De Hooghe zijn vertegenwoordigers van deze twee bij uitstek getroffen groepen, zoals deze vanaf het begin van de 16de eeuw gedefinieerd werden. De een symboliseert de religieuzen die uit hun kerken moesten vluchten, de ander de mensen die hun ridderhofsteden moesten verlaten.

Aanpassing

De Hooghe nam de Elisabethsvloedpanelen als uitgangspunt voor zijn ets. De opbouw van het landschap is grotendeels hetzelfde. Hij kopieerde bovendien de prominente plaats van Dordrecht daarin. Dit hoeft niet te verbazen: zijn prent illustreert immers een boek over de geschiedenis van Dordrecht waarin Balen de Sint-Elisabethsvloed noemt vanwege zijn betekenis voor de stad.

Maar De Hooghe paste de figuren op de voorgrond aan om beter aan te sluiten bij Balens geschiedwerk. In de vroege 16de eeuw was de nadruk immers komen te liggen op de gevolgen van de Sint-Elisabethsvloed voor edelen en geestelijken.


Literatuur

Meer lezen over de verbeelding van de Sint-Elisabethsvloed in de culturele verbeelding van deze overstroming in latere tijden?

De grote en vreeselike vloed (Amsterdam: De Bezige Bij)

Voor De grote en vreeselike vloed schreef ik een essay met bijzondere aandacht voor de Elisabethsvloedpanelen, maar ook voor de prent van Romeyn de Hooghe en andere voorstellingen van de vloed. Ook schreef ik over de panelen op deze website, bijvoorbeeld over de manier waarop naastenliefde in beeld wordt gebracht. Ook schreef ik over latere voorstellingen van de Sint-Elisabethsvloed, bijvoorbeeld die van Simon Fokke voor het geschiedwerk van Jan Wagenaar en die van 19de-eeuwse kunstenaars, zoals Sir Lawrence Alma Tadema.

Zie verder:

  • M. Wolters, “Master of the St Elizabeth Panels, Outer Right Wing of an Altarpiece with the St Elizabeth’s Day Flood, 18-19 November 1421, with the Broken Dike at Wieldrecht, Northern Netherlands, c. 1490 – c. 1495.” In Early Netherlandish Paintings, red. J.P. Filedt Kok [online coll. cat. Amsterdam]
  • Hanneke van Asperen, “Charity after the Flood: The Rijksmuseum’s St Elizabeth and St Elizabeth’s Flood Altar Wings.” The Rijksmuseum Bulletin 67, nr. 1 (2019): 30-53. [jstor]
  • Liesbeth Helmus, “Het altaarstuk met de Sint Elisabethsvloed uit de Grote Kerk van Dordrecht. De oorspronkelijke plaats en de opdrachtgevers.” Oud Holland 105, nr. 2 (1991): 127-39. [jstor]
  • J. Wagenaar en Petrus Loosjes Azn, Vaderlandsche Historie, Vervattende de Geschiedenissen der Vereenigde Nederlanden, inzonderheid die van Holland, van de vroegste tyden af, 24 dln (Amsterdam: Allart, 1749-1789), III (1750), 453-54.
  • Matthys Balen, Beschryvinge der stad Dordrecht, vervatende haar begin, opkomst, toeneming, en verdere stant … zijnde de voornoemde beschryvinge, geçierd, en verrijkt, met verscheyde kopre konst-platen (Dordrecht: Simon onder de Linde, 1677). [Early European Books]

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Back to Top