Beschermende hand
Wanneer Maria Zubli-van den Berch van Heemstede in 1905 overlijdt, laat ze geld na aan diverse stichtingen en instellingen. Daarnaast begunstigt ze “verschillende personen, onder wie eenige artisten” volgens De nieuwe courant (18 april 1905). Haar steun aan kunstenaars, die hier in een bijzin wordt afgedaan, beperkt zich echter niet tot legaten. Als ze overlijdt, betreuren diverse journalisten haar overlijden. Het is te vroeg, schrijft er één, niet alleen omdat Zubli maar 64 jaar oud is geworden. Het is ook voortijdig omdat ze een leegte achterlaat. Een ander roemt haar beschermende hand die menig kunstenaar verder heeft geholpen. Mijn vorige twee blogposts gingen over Zubli als schilderes en als dichteres. Deze is gewijd aan haar rol als verzamelaar en beschermvrouwe.
Opvoeding
Zubli-van den Berch van Heemstede groeit op in een kunstminnende omgeving. Daar krijgt ze de liefde voor de kunst waarschijnlijk met de paplepel ingegoten. Niet voor niets laat haar vader Isaac van den Berch van Heemstede zichzelf op 25-jarige leeftijd portretteren. Met zijn linkerhand ondersteunt hij een schilderij dat op zijn schoot staat en dat we slechts op de rug zien. In zijn rechterhand houdt hij een brilletje. Daarmee wekt de schilder de suggestie dat Van den Berch van Heemstede juist bezig was het schilderij aan een onderzoek te onderwerpen, voordat hij opkeek. Zo laat Isaac – hier nog een jonge man – zich, samen met zijn moeder, vastleggen als kunstverzamelaar en kunstkenner.[1]

Behalve kunstverzamalaar is Van den Berch van Heemstede een begenadigd amateur-graveur. Kunstenaarsbiograaf Emmanuel Bénezit noemt beide aspecten in zijn lexicon wanneer hij over Isaac van den Berch van Heemstede komt te spreken. Volgens hem was Isaac een “aquafortiste-amateur … qui était aussi collectioneur”.[2]
Familieportret
In 1840 trouwt Van den Berch van Heemstede met Christina Elizabeth Roelants.[3] Dit echtpaar telt diverse kunstenaars in hun vriendenkring, onder wie de kunstschilder David Bles. Die schildert in 1847 een familieportret met het echtpaar en hun kinderen. Dat zijn er op dat moment 3: Maria is de oudste.

Voorafgaand aan het portret maakt Bles studietekeningen van de gezinsleden. Op één van de voorstudies, gemaakt in december 1846, tekent Bles de jonge Maria. Zij zit op de voet van haar vader en houdt zich vast aan zijn been. Je kunt je voorstellen hoe vader zijn been beweegt alsof Maria op een hobbelpaard zit. Het plezier is van het gezicht van het meisje te lezen.

Het vastgelegde moment bevalt Bles kennelijk. Hij neemt het namelijk bijna onveranderd over in het voltooide familieportret waarop overigens ook de beide ouders van Roelants figureren. Die van Van den Berch van Heemstede zijn inmiddels beide overleden. Zijn moeder, die nog wel op het eerdere portret is afgebeeld, is in 1836 gestorven.[4]
Vriendenkring
Maria van den Berch van Heemstede blijft, ook na haar huwelijk met Daniël Zubli, contact houden met Bles. In 1886 verschijnt er immers een gedicht in De leeswijzer dat is gewijd aan zijn dochter Henriette Bles. Daarin dicht Zubli:
D’un peintre rêve enchanteur / Jeune fille aux cheveux blonds / tu nous charmes comme la fleur / dont le printemps fait sa moisson. / De l’oeuvre que ton père enfante / Dis, n’est-tu pas l’incarnation / De son art, la Muse charmante / l’empreinte de sa vocation?
Een schilders verrukkelijk visioen / Jong meisje met de blonde haren / je betovert ons zoals een bloem / waarvan de lente haar oogst doet vergaren. / Van het oeuvre ontstaan door je vaders creatie / Zeg, ben jij niet de incarnatie / Van zijn kunst, de betoverende Muzische inspiratie / de impressie van zijn vocatie?
Het gedicht zijn twee opeenvolgende kwatrijnen. In het eerste beschrijft Zubli vooral de schoonheid van de jonge vrouw, betoverend “als een bloem” (charme comme la fleur). In het tweede bezingt de dichteres Henriette in relatie tot haar vaders kunst waarvan zij de belichaming is (l’incarnation de son art). Ze is volgens Zubli zowel zijn inspiratiebron (La Muse charmante) als een uitdrukking van zijn roeping (l’empreinte de sa vocation).
Henriette trouwt in 1894 met Pandia Petrocokino, telg uit een Engelse koopmansfamilie met Griekse wortels. Behalve haar vader zijn daar de Rotterdamse schilders Charles Rochussen en Johannes Gerardus Smits tegenwoordig.[5] Ten tijde van het huwelijk is Henriette 34 jaar, wat betekent dat ze in 1860 of 1861 geboren is. Wanneer Zubli haar gedicht schrijft, is ze dus ongeveer 27 jaar oud.[6]
Salons
In haar woning aan de Houtweg organiseert Zubli geregeld salons. Beeldend kunstenaars, schrijvers en musici komen er samen, zo memoreert een journalist in Het vaderland (9 december 1910). De verslaggever laat ondertussen doorschemeren zelf ook eenmaal een van Zubli’s salons bezocht te hebben. Deze waren niet alleen gezellig. Er werd bovendien geregeld “aan de Muzen geofferd” om de woorden van de schrijver te gebruiken.
Meermaals brengt de jonge componist Joseph Ryelandt bij Zubli thuis concerten ten gehore, volgens journalisten van Dagblad van Zuidholland en ’s Gravenhage (27 november 1900) en Dagblad van Zuidholland en ’s Gravenhage (5 november 1901). Ook componist Louis Florentine Delune wordt een protégé nadat Zubli hem via Paul Alberdingk Thijm heeft leren kennen, volgens een verslaggever van Het vaderland (9 december 1910). In 1904 schrijft een journalist van Het vaderland (26 februari 1904) immers nog dat “Eenige Hagenaars .. het voorrecht [hadden deze klaviervirtuoos] te horen ten huize van mevr. Zubli v.d. Berch v. Heemstede”. Ongetwijfeld is dit wederom een referentie aan de fameuze salons aan de Houtweg.
Gedichten op muziek
Ryelandt zet bovendien een gedicht van Zubli, getiteld ‘La nuit’, op muziek als onderdeel van zijn Opus 19 (Six mélodies).[7] Het opus bevat daarnaast gedichten van anderen en een journalist van Het vaderland (16 november 1897) feliciteert Zubli met “zulk goed gezelschap”. Zubli schrijft het betreffende gedicht overigens al eerder. Als zij in 1885 met Joseph Alberdingk Thijm correspondeert, stuurt zij hem tevens de tekst van ‘La nuit’.[8]
Ze blijft aan het gedicht sleutelen en in enigszins gewijzigde vorm vindt het gedicht vervolgens een plaats in haar dichtbundel Poésies (1890).[9] De uiteindelijke versie luidt:
Sur la terre et dans l’aire règne un calme profond / Une brise légère ainsi qu ‘un froid frisson / Fait frémir le feuillage, fait trembler les rameaux. / Les Anges à cette heure allument leurs flambeaux.
Op aarde en de lucht heerst diepe verstilling / Een licht briesje, evenals een koude rilling / Schudt de bladeren en laat trillen de takken. / Op dat moment ontsteken Engelen hun fakkels.
Net als Ryelandt zet ook Delune Zubli’s verzen op muziek “wat tot zeer gelukkig geslaagde compositie heeft geleid” volgens een verslaggever in Dagblad van Zuidholland en ’s Gravenhage (27 november 1900).[10] In februari 1901 maakt Delune bovendien een rondreis. Daarbij doet hij Wenen aan alwaar hij een concert ten gehore brengt dat aan Zubli is opgedragen, volgens Het vaderland (7 januari 1901).

Collectie Rijksmuseum Twenthe, Enschede, 1497. Bron: Rijksmuseum Twenthe
Het blijft niet bij deze twee musici. Ook anderen eren Zubli door composities te maken van haar rijmen. In 1891 verschijnen bijvoorbeeld twee gedichten Heine ‘Im Rhein’ en ‘Warum’ op muziek van de jonge componist H. van der Burg. De composities zijn opgedragen aan Van den Berch van Heemstede, meldt Dagblad van Zuidholland en ’s Gravenhage (9 juni 1891). In 1893 draagt Van den Burg opnieuw vier stukken op aan Zubli volgens Het vaderland (10 februari 1893). Ook hier gaat het mogelijk om een componist die zijn eerste publiek vindt tijdens bijeenkomsten in de woning van Zubli.
Kunstverzameling
Niet alleen nodigt Zubli beeldend kunstenaars en musici uit voor haar salons aan de Houtweg. Ze verzamelt ook kunst, net als haar ouders, en in haar collectie bevindt zich werk van zowel jonge als gevestigde kunstenaars. Geregeld leent ze namelijk werk aan tentoonstellingen.

Zo bezit Zubli onder andere werk van schilder Philip Zilcken die haar naar eigen zeggen in het schilderen van het landschap adviseert.[11] Voor een jaarlijkse kunsttentoonstelling in Rotterdam leent de verzamelaarster diens schilderij Vroege morgen te Dinant, volgens Dagblad van Zuidholland en ’s Gravenhage (6 juni 1882).[12]
In 1884 staat ze bovendien Drinkend vee van Jan Vrolijk tijdelijk af aan kunstgenootschap Kunstliefde in Utrecht voor een expositie.[13] Als Vrolijk overlijdt, kenschetst een journalist van Dagblad van Zuidholland en ’s Gravenhage (4 september 1894) dit schilderij als “een zeer fraaije”. Sterker nog, kunsthistoricus Pieter Anne Haaxman meent zelfs dat het werk in bezit van Zubli onder Vrolijks beste werk valt.[14]
Icke
Als Zubli’s eigen werk te zien is in een van de benedenzalen van de Internationale Kunstvereeniging in 1886, hangt daartussen ook een getekend portret van de kunstenares, vervaardigd door Hendrik Godfried Icke. Het portret hangt er op instigatie van Zubli zelf. Zij suggereert het immers als een mogelijke aanvulling op haar eigen werken in een brief aan Joseph Alberdingk Thijm die bij de voorbereidingen betrokken is.[15]

Mogelijk is het portret dat Icke van Zubli maakt, een tegenhanger van een getekend portret van haar echtgenoot Daniël Zubli door dezelfde, genoemd in Dagblad van Zuidholland en ’s Gravenhage (2 juli 1884). Zubli heeft naast deze twee getekende portretten ook nog ander werk van Icke in bezit. Zo noemt een verslaggever van Dagblad van Zuidholland en ’s Gravenhage (29 november 1893) een ets naar een portret van Frans Hals in een museum te Brussel.
Zubli heeft een zwak voor het werk van Icke. In haar brief aan Alberdingk Thijm schrijft ze namelijk:
Dit portret is niet te koop, doch ik wenschte dat het werk van den Heer Icke daardoor meer bekendheid zou krijgen.[16]
Zubli’s hoop is niet ijdel. Het oog valt namelijk op het portret, wanneer de verslaggever van Dagblad van Zuidholland en ’s Gravenhage (24 februari 1886) schrijft dat het is “vervaardigd naar een kleine photographie”. Deze zegt bovendien:
Van alle beeltenissen in crayon of inkt wint dit portret het verre door verwonderlijke fijnheid in de arceering der vleeschtonen, die eer aan de dunne waterverf dan aan den stroeven inkt doen denken. Ook uit een artistiek oogpunt … is dit portret te loven.
Zubli gebruikt haar connecties dus om het werk van Icke onder een bredere aandacht te brengen. Anders gezegd, ze laat kunstenaars zoals Icke meeprofiteren van haar bekendheid in de kunstwereld. Haar eigen artistieke succes geeft Zubli nog meer mogelijkheden om ook werk van anderen voor het voetlicht te brengen.
Aquarellen
Naast werk in olieverf en pentekeningen, zoals die van Icke, verzamelt Zubli ook aquarellen. Haar persoonlijke talent voor waterverf maakt haar ongetwijfeld tot een kenner. Als het studentencorps in Utrecht in 1901 een kunstbeschouwing organiseert, wordt daar dan ook met succes een portefeuille met aquarellen uit haar bezit getoond.
Een journalist die de tentoonstelling voor Vox studiosorum recenseert, beschrijft de getoonde werken waarmee webovendien een beter beeld krijgen van de aard van Zubli’s collectie.[17] Bij de getoonde werken zitten onder andere aquarellen van Alex Boom, Charles Dankmeyer, Wilhelmine Kiehl – over wie ik eerder de blogposts ‘Een gelukkig talent’ en ‘Kunstschilderes en oorlogscorrespondente’ schreef – Sientje Mesdag-van Houten, Marinus van der Maarel, Maurits Constantijn Lapidoth, Pieter de Zwart en Isaäc Israëls. Ook bevat de portefeuille opnieuw werk van de eersder genoemde Jan Vrolijk.
Naast deze aquarellen zijn er bovendien etsen van Philip Zilcken, een portret van Zilcken door eerdergenoemde Icke (een pentekening), een crayontekening van Zubli’s familievriend David Bles, een houtskooltekening van Cornelis Spoor en een pastel van Hendrik van Steenwijk. Het is ongetwijfeld slechts een kleine greep uit de kunst die de 59-jarige Zubli inmiddels heeft verzameld.
Bescherming
Verschillende journalisten schrijven met bewondering over de steun die Zubli aan kunstenaars biedt. “Zelden bleef een beroep op haar vruchteloos en meer dan éen jong artist heeft haar bescherming den weg geëffend”, schrijft een verslaggever van Het vaderland (14 februari 1905) kort na haar overlijden. Het voorgaande is dus niet meer dan een eerste indicatie van enkele manieren waarop Zubli kunstenaars bijstaat.
Onder andere biedt ze jonge en oudere kunstenaars een podium door de salons die ze in haar woning in Den Haag organiseert. Naar aanleiding daarvan schrijft een andere journalist van Het vaderland (9 december 1910):
Meer dan een dezer heeft daar den eersten stap gedaan die tot bekendheid leidt, en de beschermende hand der altijd beminnelijke en hoffelijke gastvrouw heeft meer dan een verder gebracht.
Onder deze kunstenaar zijn verschillende musici als Ryelandt, Delune en Van der Burg. Onder de artiesten die haar salons bezoeken, zijn ongetwijfeld ook getalenteerde schilders, zoals Icke.
Over de aard en omvang van Zubli’s steun aan kunstenaars, jong en oud, aanstormend en gevestigd, is nog lang niet alles gezegd. Met het voorgaande lichtte ik slechts een tipje van de sluier.
Noten
[1] Volgens Valkhof Museum wordt met het afgebeelde schilderij gezinspeeld op Isaacs vader Izak Godfried van den Berch die in 1816 is overleden. Het zou namelijk een portret van Isaacs vader kunnen zijn. Voor deze interpretatie, zie website Collectie Gelderland. Voor de overlijdensakte van Izak Godfried van den Berch, zie Gelders Archief te Arnhem, BS Overlijden Burgerlijke stand Gelderland, dubbelen, Zaltbommel, archief 0207, inv.nr. 2222.06, 09-03-1816, Zaltbommel, Overlijdensregister, aktenr. 13 [Gelders Archief].
[2] E. Bénézit, Dictionnaire des peintres, sculpteurs, dessinateurs et graveurs, 3 delen (Parijs: Roger et Chernoviz , 1911-1923), deel I (1939), p. 33 (abusievelijk als “Berch van Heestmede, Isaac-Lambertus”) [Gallica]. Bovendien schenkt Van den Berch in 1843 een schilderij ‘Faun en nimf’ van Jacob Jordaens aan het Haags Gemeentemuseum. Zie Catalogue des tableaux et des sculptures du musée royal de la Haye, 3de ed., met voorwoord van Victor de Stuers (1882), p. 34 [Gallica].
[3] Drents Archief te Drenthe, BS Huwelijk Bron: Huwelijk, Deel: 1840, Periode: 1840, Zuidlaren, archief 0166.032, inv.nr. 1840, 5 september 1840, Huwelijksregister Zuidlaren 1840, aktenr. 7 [Drents Archief].
[4] Erfgoed Leiden en omstreken te Leiden, BS Overlijden Stadsarchief van Leiden (Stadsbestuur (SA III)) (1816-1929), Deel: 4957, Periode: 1836, Leiden, archief 0516, inv.nr. 4957, 6 april 1836, Overlijdensakten 1836, aktenr. 279 [Erfgoed Leiden].
[5] Haags Gemeentearchief, BS Huwelijk Ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente ‘s-Gravenhage, ‘s-Gravenhage, archief 0335-01, inv.nr. 734, 15-03-1894, Huwelijksakten Den Haag, aktenr. 214 [Haags Gemeentearchief]. Over Rochussen kwam ik al enkele malen eerder te spreken, meest uitgebreid in een blogpost over het gelegenheidsalbum Rotterdam-Krakatau naar aanleiding van een vulkaanuitbarsting in 1883.
[6] Een eerdere versie van het gedicht stuurt Zubli ter beoordeling aan Joseph Alberdingk Thijm in een brief d.d. 8 januari 1886. Voor de brief, zie Nijmegen, Katholiek Documentatie Centrum, Radboud Universiteit, archief THYM: J.A. Alberdingk Thijm, inv.nr. 1217 [KDC].
[7] Joseph Ryelandt, Opus 19 (Six mélodies) nr. 2: ‘La nuit’ (tekst: Marie Zubli van den Berch van Heemstede). Zie ook The Liedernet Archive [online].
[8] Voor de brieven van Brieven van Marie Zubli-van den Berch van Heemstede aan Alberdingk Thijm, 1885-1887, zie opnieuw Nijmegen, KDC, archief THYM, inv.nr. 1217 [KDC].
[9] Maria Zubli-van den Berch van Heemstede, Poésies. A la mémoire du Professeur Jos. A. Alberdingk Thym (Parijs, Librairie Fischbacher, 1890), z.p. (gedicht nr. 9). De eerdere versie van dit gedicht luidt:
Partout règne un silence profond / Une brise légère comme dans un frisson / Agite le feuillage, fait trembler les rameaux / C’est alors que les Anges allument leurs flambeaux.
[10] Zie Adolphe Boschot, Adam Villiers de l’Isle, Albert Giraud, Maria Zubli-van den Berch van Heemstede, Emile Verhaeren en Louis Delune, 12 liederen (fragmenten) (Brussel: Breitkopf & Härtel, 1906).
[11] Zoveel blijkt opnieuw uit haar brieven aan Alberdingk Thijm. Nijmegen, KDC, archief THYM, inv.nr. 1217 [KDC]. Zie bovendien Norbert Hostyn en Willem Rappard, Dictionaire van Belgische en Hollandse bloemenschilders geboren tussen 1750 en 1880 (Knokke-Zoute: Berko, 1995), p. 118 en Scheen 1981, p. 33.
[12] Cat. Rotterdam, Catalogus der tentoonstellingen van schilderijen en andere kunstwerken in het gebouw der Academie van Beeldende Kunsten en Technische Wetenschappen ([Rotterdam] 1882), p. 47, nr. 476 [Google Books en RKD Library].
[13] Zie recensie in Dagblad van Zuidholland en ’s Gravenhage (21 april 1884), p. 9 [Delpher].
[14] Kunstcriticus Pieter Anne Haaxman noemt het schilderij van Vrolijk in Het schildersboek. Nederlandsche schilders der negentiende eeuw in monographieën door tijdgenooten (Antwerpen: De Nederlandsche Boekhandel, 1899), p. 192 [Wikimedia Commons]. De bijbehorende ets naar Vrolijks schilderij wordt gemaakt door Zilcken met wie Zubli zoals gezegd ook nauw contact onderhoudt.
[15] Nijmegen, KDC, archief THYM, inv.nr. 1217 [KDC].
[16] Zie opnieuw Nijmegen, KDC, archief THYM, inv.nr. 1217 [KDC].
[17] Recensie in Vox studiosorum 37, nr. 9 (21 maart 1901), z.p. [Delpher].