Tot troost
In mijn vorige post ‘Met meesterhand’ besprak ik de veelzijdige kunstenares Maria Zubli-van den Berch van Heemstede (1841-1905). Vanaf 1882 maakt zij snel naam voor zichzelf, vooral met schilderwerk – aqaurellen, schilderijen – maar zij boetseert ook. Bovendien beperkt ze zich niet tot de beeldende kunst: ze zingt en musiceert namelijk. Daarnaast schrijft ze gedichten die ze richt aan familieleden, collega-dichters en andere beeldend kunstenaars. Ook haar jong gestorven zoontje Egbert is onderwerp van haar poëzie. Daarmee probeert ze anderen, die net als zij geliefden hebben verloren, tot troost te zijn, zoals bijvoorbeeld haar schilderende vriendin Carolina Anna Teixeira de Mattos.
Kwatrijnen
Onder haar vrienden rekent Zubli veel schrijvers. In 1882 doet ze bijvoorbeeld een bijdrage aan het vriendenalbum voor schrijfster Geertruida Bosboom-Toussaint.[1] Daar citeert ze nog versregels van de Duitse dichter Ludwig Uhland, maar Zubli schrijft zelf ook gedichten, en met succes. Rond de tijd dat Zubli met haar schilderwerk in de openbaarheid treedt, valt ze namelijk ook in de prijzen met haar kwatrijnen, korte gedichten van vier versregels. De jury van het Concours poétique du midi de la France roept in 1885 immers een van Zubli’s kwatrijnen uit als beste van 400 inzendingen volgens Het vaderland (7 december 1885).

Dezelfde eer valt haar het jaar erop nogmaals te beurt, volgens Algemeen handelsblad (25 augustus 1886), wanneer een gedicht – wederom een kwatrijn – opnieuw bekroond wordt. Ook in 1887 krijgt ze aan bijzondere vermelding volgens Het vaderland (6 april 1887) voor een 4-versregelige hommage aan haar leermeester Margaretha Roosenboom, die haar naar eigen zeggen “de taal van de bloem” leert:
Vos roses sentent bon, c’est pourquoi je les aime / Oh! Vous qui m’enseignez la langue de la fleur! / Dans vos bouquets charments vous donnez vous mêmes / A l’artiste, voici l’hommage de mon coeur.
Uw rozen ruiken heerlijk, daarom dat ik ze bemin / Oh! U die mij met bloementaal vervulde! / Uw charmante boeketten, u geeft uzelf erin / Voor haar, hier uit mijn hart een hulde.
Toch worden de Franse dichtregels die Zubli in 1886 opstuurt naar het literaire tijdschrift De nieuwe gids niet geplaatst, omdat deze volgens de redactie “buiten het kader van ons tijdschrift vallen.” In De nieuwe gids staan uitsluitend poëzie en proza van bekende Franse auteurs, zo verklaart redacteur Willem Kloos in een korte reactie aan de dichteres.[2]
Nederlands debuut
Zubli’s gedichten vinden daarentegen wel een podium in de Dietsche warande. Ter verduidelijking, dit tijdschrift wordt in 1855 opgericht door kunstcriticus en schrijver Joseph Alberdingk Thijm die tot eind 1886 de redactie van het blad voert. In mijn vorige post beschreef ik al hoe Zubli in 1885 contact opneemt met deze Amsterdamse hoogleraar vanwege een tentoonstelling van haar werk in de zalen van de Internationale Kunstvereeniging in Amsterdam.
Tevens stuurt zij hem dan de tekst van een gedicht met de titel ‘La nuit’.[3] Voorts voegt ze in haar volgende brief aan de Amsterdamse hoogleraar opnieuw een gedicht toe waarin ze de jonge dochter van kunstschilder David Bles bezingt.
Het lijkt erop dat Alberdingk Thijm gecharmeerd is van de gedichten, want kort daarna verschijnen Zubli’s verzen in de Dietsche warande. In 1886 wordt eerst haar Franse gedicht ‘La religieuse’, afgedrukt, bestaand uit drie opeenvolgende kwatrijnen.[4] Niet veel later verschijnt ook een gedicht met de titel ‘Un cri du coeur’ in het literaire tijdschrift De leeswijzer. Het is echter geenszins haar Nederlandse debuut, zo benadrukt Alberdingk Thijm in een ingezonden brief aan de redactie van De leeswijzer.[5] De eer van haar debuut komt immers op naam van zijn eigen Dietsche warande.
Pennenstrijd
Bovendien grijpt Alberdingk Thijm de gelegenheid aan om kritiek van Damas – pseudoniem van schrijver Frederik van Hogendorp – te weerleggen. Deze had namelijk voorzichtig op een taalfoutje gewezen in de verzen waarin de dichteres volgens hem weldegelijk “blijk wist te geven van een fijn poëtisch gevoel”. Tevens bevat Zubli’s gedicht volgens Damas een vergrijp tegen de regelen der dichtkunst, omdat ‘entière’ niet rijmt op ‘amères’. De criticaster roept daarmee de eindredacteur van de Dietsche warande ter verantwoording.
Die oproep legt de Alberdingk Thijm niet naast zich meer. Damas heeft dan wel gelijk wat betreft de foutjes die hij aanwijst, maar maakt zelf even goed fouten in zijn eigen kritische stuk, merkt Alberdingk Thijm fijntjes op.
De pennenstrijd tussen de twee critici naar aanleiding van Zubli’s dichtwerk wordt vervolgens gretig opgepikt door de pers. Alberdingk Thijms reactie op Damas’ kritiek wordt immers uitgebreid geciteerd door een verslaggever van Dagblad van Zuidholland en ’s Gravenhage (19 november 1886) die vooral onder de indruk is van Alberdingk Thijms weerwoord en vervolgens concludeert:
’t Blijkt dus ten slotte dat de verzen van mevr. Zubli de toets der critiek, ook de meest galante, tamelijk wel kunnen doorstaan.
Zowel de Dietsche warande als De leeswijzer zullen in de jaren daarna verschillende gedichten van Zubli afdrukken. Via Alberdingk Thijm komt Zubli in contact met zijn jongere broer Paul die eind 1886 de redactie van Joseph overneemt. Ook onder deze opvolger blijven Zubli’s gedichten geregeld te lezen in de Dietsche warande.
Dichtervriendschap
Met Joseph blijft Zubli ondertussen veelvuldig corresponderen en de pennenvriendschap vindt ook haar uitdrukking in gedichten van beiden. Zo schrijft Zubli in augustus 1886 een naamdicht met de titel ‘Simple Rimes d’arima sur le nom du Professeur’ waarin ze de letters van de naam Alberdingk Thijm gebruikt als beginletters van iedere nieuw versregel.[6] Andersom eert ook Alberdingk Thijm zijn vriendin met verzen, onder andere in een gedicht dat hij een maand voor zijn dood schrijft:
Peintre, poète et divine organiste / Ame de feu, sous un coup d’oeil sereine / En tout pays éloquente linguiste / Femme du monde, et chrétienne et artiste / Jamais, jamais – au bout de son Latin!
Schilder, dichter en hemels organist / Ziel van vuur, in een serene staat / In elk land een eloquent linguïst / Vrouw van de wereld, en christen en artist / Nooit, nooit – is zij ten einde raad!
– Alberdingk Thijm, gedateerd 14 februari 1889, gepubliceerd in Zubli, Poésies (1890) [KDC].[7]
Volgens een journalist van De Amsterdammer is bovenstaand een gedicht “op de wijze der zeventiende eeuwsche dichtervrienden”.[8] Het is een mooie karakterisering van de vriendschap tussen Zubli en Alberdingk Thijm.
Alberdingk Thijms gedicht op Zubli lijkt bovendien een creatieve omvorming van een kwatrijn dat Zubli hem op 30 januari 1888 heeft toegestuurd. De aanhef daarvan luidt: “Poète, historien, administrateur du Beau!”, ofwel “Dichter, historicus, beheerder van het schone!”

Alberdingk Thijm reageert daarop dus met een gedicht dat eveneens aanvangt met drie nevengeschikte karakteriseringen ter identificatie van het subject: Zubli. De twee vinden elkaar dus in een vriendschappelijk dichtspel.
In memoriam
Wanneer Joseph Alberdingk Thijm overlijdt, wijdt Zubli een in memoriam aan haar dichtervriend met wie ze in de jaren ervoor uitvoerig heeft gecorrespondeerd.[9] Daarin bewierookt ze bovenal Alberdingk Thijms standvastigheid in het geloof, maar met citaten uit zijn persoonlijke brieven zorgt ze ook voor flinke ophef.
In een van de citaten fulmineert Alberdingk Thijm namelijk naar aanleiding van een artikel van redacteur Charles Boissevain. In Algemeen handelsblad van 3 mei 1888 had deze geopperd dat het ongepast was dat Alberdingk Thijm het Bijbelse scheppingsverhaal als leidraad had genomen in zijn cantate ter gelegenheid van het 50-jarig bestaan van Artis.
Het schijnt ons een vreemd denkbeeld van den heer Alberdingk Thym, om ter eere van een wetenschappelijk genootschap te zingen van een aarde die bestond, vóórdat de zon bestond.
– Boissevain in Algemeen handelsblad (3 mei 1888), p. 3 [Delpher]
Het blijkt tegen het zere been van Alberdingk Thijm, maar deze had niet openlijk te kennen gegeven hoe gebelgd hij zich voelde door de aanval. In een persoonlijke brief aan Zubli echter schrijft hij laaiend te zijn. Alleen goed fatsoen belet hem “om zijn laars vies te maken met het verpletteren van het reptiel.”[10] Zubli neemt de tekst uit de brief letterlijk over in haar ingezonden stuk over de overledene. De passage valt echter niet in goede aarde.
Reptiel
Zubli citeert uit Alberdingk Thijms brief om diens sterke geloofsovertuiging te illustreren en waarschijnlijk niet om Boissevain af te vallen, maar uit de context van de brief gerukt, raken de woorden een gevoelige snaar. Boissevain schrijft daaropvolgend een reactie gericht aan Zubli:
U hebt, het Fransche briefje van Alberdingk Thijm aan halende, zijn nagedachtenis geen dienst bewezen en mij geheel noodeloos gegriefd. Nu vraag ik daarom, wat ter wereld u het recht geeft uit iets dat ik ooit schreef het besluit te trekken dat Alberdingk Thijm, door mij achter mijn rug in drift een reptiel te noemen, op schitterende wijze voor het geloof tegenover het ongeloof partij trok. Hoe heb ik deze beleediging verdiend?
– Boissevain in De Amsterdammer 667 (6 april 1890), p. 7 [Delpher].
In haar poging om wijlen Alberdingk Thijm te prijzen, heeft Zubli Boissevain dus zwaar beledigd en ze bereikt daardoor wellicht het tegenovergestelde van wat ze beoogt. Ook een verslaggever in Arnhemsche courant (9 april 1890) meent dat Zubli’s stuk de nagedachtenis van Alberdingk Thijm geen goed doet.
Op haar beurt reageert Zubli op Boissevain met een ingezonden brief dat zij niet gecharmeerd is van de boze reactie. Zij was immers niet op de hoogte van de identiteit van de schrijver van het artikel waartegen Alberdingk Thijm fulmineerde. Tot haar verrassing bleek dit Boissevain te zijn, schrijft Zubli. Bovendien is zij niet van mening dat Alberdingk Thijms driftige ontboezeming zijn nagedachtenis schade doet, want:
er bestaat een toorn die gemotiveerd wordt door de heiligheid der zaak die men te verdedigen heeft, nl. het, Christelijk geloof, dat ik niet heb kunnen ontdekken, ook niet in het slot van uwe rede.
– Zubli in De Amsterdammer 668 (12 april 1890), p. 6
Tot slot voert Zubli nog ter verdediging aan dat zij een oude vriend van Alberdingk Thijm haar stuk heeft laten lezen alvorens het voor publicatie op te sturen, en dat die niks ongepasts vond, evenmin als daarna de redactie van De Amsterdammer.
Ook Alberdingk Thijms dochter Catharina reageert op Boissevain met een ingezonden brief in hetzelfde nummer van De Amsterdammer.[11] Meer dan Zubli probeert zij het inmiddels verhitte debat te sussen door te benadrukken dat haar vader weldegelijk een grote vriendschap voor Boissevain koesterde en dat hij met ‘reptiel’ waarschijnlijk doelde op ketterse gedachten, niet op de persoon van Boissevain. De brieven van Maria Zubli en Catharina Alberdingk Thijm kunnen niet meer verschillen: Zubli, die Boissevain en passant van onchristelijke overtuiging beschuldigt, gooit olie op het vuur. Alberdingk Thijm daarentegen probeert de angel uit de discussie te halen.
Ontboezemingen
Als Catharina Alberdingk Thijm in 1896 enkele brieven van haar vader uitgeeft, zit het schandaal naar aanleiding van Zubli’s in memoriam mogelijk nog vers in haar gedachten. Wellicht schrijft ze daarom in het voorwoord dat haar vaders zachtmoedige karakter veranderde, wanneer het zaken van het geloof of kunst aanging: “… dan vloeiden er woorden van zijn lippen, krachtig en scherp”.[12] Het lijkt erop dat ze hernieuwde kritiek voor wil zijn.
Het is mogelijk ook vanwege eerdere ophef rondom Zubli dat journalist Antonius Johannes Oostdam vervolgens over het boekje met brieven schrijft:
Al willen we hier niet beslissen over de vraag, of het aanbeveling verdient, brieven van beroemde mannen aan het groote publiek prijs te geven; noch over de quaestie, of men al dan niet in den geest der auteurs van die brieven handelt door hun meer intieme ontboezemingen aan de groote klok te hangen…
– A.J. Oostdam, Het Belfort 11 (1896), p. 225 [DBNL]
Het lukt dus ook Catharina Alberdingk Thijm niet om helemaal te ontkomen aan de discussie of het verstandig is om persoonlijke brieven te publiceren. Overigens kiest Catharina Alberdingk Thijm ervoor om maar twee brieven aan Zubli op te nemen in de bundeling. Dat zijn bovendien – bewust of niet – brieven waarin van de scherpe tong van Alberdingk Thijm niets te merken is.
Dichtbundel
De openlijke dichtervriendschap tussen Zubli en Alberdingk Thijm is na het overlijden van de man nog niet ten einde. In 1890 geeft Fischbacher in Parijs namelijk een 16-tal van Zubli’s Franstalige gedichten uit in een bundel Poésies die Zubli opdraagt aan haar overleden vriend.[13] Een criticus van de De Amsterdammer heeft een wisselend oordeel over de gedichten in deze bundel “onder welke eenige uiterst bekoorlijk zijn”. Terwijl de recensent weinig goeds over heeft voor het gedicht ‘Aimer’, valt het oordeel over ‘La religieuze’ – het gedicht waarmee Zubli in Nederland in 1886 debuteerde – gunstiger uit. “Ook L’automne en la Ballerine hebben een paar goede verzen”, schrijft dezelfde.[14]
In de Dietsche warande waarover Paul Alberdingk Thijm sinds 1886 de redactie voert, is het oordeel volstrekt lovend:
Hetzij Mevrouw Zubli De Nacht en De sterren, hetzij zij de Seizoenen of in ’t algemeen de bewegingen van een gevoelig hart bezingt – zij is en blijft altijd poëtisch waar.
– recensie van Poésies in Dietsche warande n.s. 2, 3 (1890), p. 648 [DBNL]
Ook met Paul Alberdingk Thijm heeft Zubli inmiddels een goede verstandhouding, want een tweede bundel Gedichtjes (1897) is aan hem opgedragen.
Aan dichters
Behalve met de familie Alberdingk Thijm onderhoudt Zubli relaties met andere geestverwanten, zoals de dichteres Hélène Swarth. Een exemplaar van Zubli’s Poésies met een handgeschreven opdracht aan deze dichteres getuigt van hun persoonlijke contact.[15] Zubli wijdt bovendien nog een gedicht aan de Swarth die wordt opgenomen in haar bundel Gedichtjes (1897). Ook in 1901 schrijft Zubli een gedicht met de titel ‘Autrefois’ “naar Hélène Swarth” volgens Dagblad van Zuidholland en ’s Gravenhage (5 november 1901). Hieruit spreekt dus Zubli’s bewondering voor de 18 jaar jongere dichteres.
Journalisten bemerken bovendien overeenkomsten tussen Zubli en Swarth. De eerdergenoemde recensent van De Amsterdammer benadrukt dat Zubli, met haar Poésies, in het Frans dicht, zoals Hélène Swarth. Die neemt haar eerste stappen in de poëzie immers ook met verzen in de Franse taal, alvorens in het Nederlands te debuteren met haar bundel Eenzame bloemen (1883).
Behalve aan Swarth wijdt Zubli haar gedichten aan andere poëten. Daaronder zijn Franse dichters, als Victor Hugo (1887) en Paul Verlaine (1896), maar ook Nederlandse dichters zoals David François van Heyst, tevens toneelschrijver (1897).
Aan beeldend kunstenaars
Geregeld wijdt Zubli bovendien gedichten aan beeldend kunstenaars. Eerder noemde ik al de Franse verzen waarin Zubli haar schilderdocent Margaretha Roosenboom bezingt. Het wordt afgedrukt in De leeswijzer van het jaar 1887. In de voorgaande jaargang van hetzelfde tijdschrift worden de eerdergenoemde versregels afgedrukt die Zubli wijdt aan Henriëtte Bles, dochter van kunstschilder David Bles. Daarin bezingt ze de jonge vrouw als de vervolmaking van haar vaders kunst.

Zubli refereert bovendien aan haar eigen schilderwerk in een gedicht, gewijd ‘aan haar zesde medaille’, afgedrukt in de bundel Poésies (1890). Daarin laat ze doorschemeren hoe ze troost put uit haar schilderwerk als ze ontmoedigd raakt.
Aan Egbert
Tot slot richt Zubli zich in haar verzen tot familieleden. Zo dicht ze bijvoorbeeld voor haar kleinzoon Christiaan Eliza, geboren op 13 mei 1895 te Voorburg, in ‘Aan mijn kleinzoon’, opgenomen in de bundel Gedichtjes (1897).[16] Ook ‘wiegenliedje voor mijn kleinkind’ gaat over hem.
Een ander die Zubli meermaals aanspreekt met haar gedichten, is haar jong gestorven zoontje Egbert.[17] Nadat in 1866 haar oudste zoon Berthold Justus Daniel geboren wordt, komt – 12 jaar later – in 1878 Egbert Joan Isaac ter wereld, maar hij wordt niet ouder dan 1 jaar en 9 maanden. Hij sterft namelijk op 28 januari 1880.

Het is begrijpelijkerwijs een gebeurtenis die Zubli niet meer loslaat. Het overlijden van haar zoontje treft haar zwaar, zo blijkt bijvoorbeeld uit het gedicht, getiteld ‘Aan mijn overleden Egbert’ dat enkele jaren later wordt afgedrukt in de Dietsche warande (1890):
Als ‘k peinzend droevig denk aan ’t lieve kind, / Dat mij ontviel, – een lenteknopje teêr! / Dan weet ik dat een Engel op mij wacht, / Een Engel die mij “Moeder” noemt, heel zacht. / Een engel zweeft gedurig om mijn hoofd; / Een engel die uit mij geboren is; / Een engel om Gods troon die voor mij bidt, / Een rein kind Gods, als helder starren-wit.
Het gedichtje wordt tevens opgenomen in een bundel Gedichtjes (1897) met andere Nederlandstalige verzen uit de pen van Zubli. Ook een gedichtje met de titel ‘Aan E.’ in hetzelfde boekje is ongetwijfeld aan Egbert gericht. Daarin dicht Zubli:
Liev’ling toen ge waart verdwenen / Scheen mij alles somber toe – / En zoo eenzaam om mij henen; / Vaak ben ik des levens moe.
Met haar gedichten geeft ze dus woorden aan heftige emoties. Bovendien laat Zubli in de gedichten duidelijk doorschemeren dat ze troost put uit haar geloof. Steeds geeft ze immers blijk van de overtuiging dat ze na haar dood met haar overleden zoontje verenigd zal worden.
Verlies
Vaker nog dan het verlies van haar eigen zoon draaien haar gedichten om verlies dat anderen te lijden hebben. Zo schrijft ze ‘Aan een vierjarig meisje (R.S.), bij het overlijden harer lieve moeder’ (1896) en ‘Aan de verloofde van den overl. kunstschilder G. Rollé’ (1895). Dit laatste vers is ook nog gedateerd op 9 september 1895. De genoemde kunstschilder is echter niet te vinden in kunstenaarslexica zoals RKDartists of het lexicon Nederlandse beeldende kunstenaars 1750-1950 van kunstenaarsbiograaf Pieter Scheen
Op basis van de genoemde datum is toch te achterhalen aan wie Zubli refereert. “G. Rollé” kan niemand anders zijn dan Gerard Joannes Marie Rollé die overlijdt op 9 september 1895, pas 24 jaar oud.[18]
De jonge schilder lijkt een glanzende carrière voor de boeg te hebben. In 1889 krijgt hij immers een eervolle vermelding als een van de leerlingen van de Academie van Beeldende Kunsten volgens Het vaderland (17 mei 1889). Het jaar erop ontvangt hij bovendien dezelfde bekroning volgens Dagblad van Zuidholland en ’s Gravenhage (18 april 1890) en in 1891 zelfs een zilveren medaille volgens Dagblad van Zuidholland en ’s Gravenhage (8 mei 1891).
Het mag echter niet voortduren, want Rollé overlijdt in 1895 op 24-jarige leeftijd. Daardoor krijgt de jonge man nauwelijks kans om naam te maken, maar uit de krantenberichten blijkt wel dat met zijn vroegtijdig overlijden een talent verloren gaat.
Aan vrienden
In 1896 laat Zubli het gedicht aan Egbert nogmaals afdrukken in de Dietsche warande, nu met de titel ‘Mijn Kind’. Ze draagt het dan op aan haar vrienden T. de M. “in hun droefheid” (1896).
Hoogstwaarschijnlijk is het gedicht gericht aan een lid van de familie Teixeira de Mattos waarmee Zubli nauwe banden onderhoudt. Wanneer in 1897 Zubli’s nichtje Maria Johanna van den Berch van Heemstede trouwt met Henry Teixeira de Mattos, treedt Zubli’s echtgenoot Daniël Johan daarbij op als getuige. Ook andere leden van deze familie met Portugese wortels, zijn in Den Haag gevestigd, bijvoorbeeld Carolina Anna Teixeira de Mattos die net als Zubli kunstschilderes is.

In 1893 huwt Teixeira de Mattos haar volle neef David François Teixeira de Mattos en kort daarna, op 12 september 1894, krijgt het jonge echtpaar een zoon die de naam Diego Jean Louis krijgt.[19] De jongen komt echter in Boulogne-sur-Mer te overlijden op 10 september 1895, vlak voor zijn eerste verjaardag. Het overlijden wordt in 1896 in de Haagse archieven opgenomen:
Heden den Twaalfden Juni 1896 hebben wij Ambtenaar van den Burgerlijken Stand der Gemeente ‘s-Gravenhage … een extract uit het register van overlijden te Boulogne sur mer houdende dat Diego Jean Louis Teixeira de Mattos op den tienden September aghttien honderd vijf en negentig des avonds te elf uur vijf en vijftig minuten te Boulogne sur mer is overleden, oud een jaar, geboren alhier.[20]
Zubli richt zich met haar gedicht dat ze dateert op 20 november 1895 – slechts 2 maanden na het overlijden van Diego Jean Louis – waarschijnlijk tot Carolina Anna en David François Teixeira de Mattos.
Na kruis komt kroon
Een andere gedicht van Zubl bevestigt dit vermoeden. “Aan mijne vrienden T. de M.” wijdt ze namelijk een tweede gedicht, gedateerd augustus 1896. Daarin spreekt ze van een “tweede zoon”:

Een kind werd ons door God gegeven, Een tweede zoon; – Nu zij diens heilgen naam geprezen: Na kruis komt kroon!
De regels beschrijven dus de geboorte van een tweede kind, een ‘roosje’ dat nu ‘bloeit’. Inderdaad heeft het echtpaar Teixeira de Mattos op 21 juli 1896 een tweede zoon gekregen, die eveneens de naam Diego Jean Louis krijgt.[21]
Op onze woning zag God neder (Hof zonder bloem); Doch ’t roosje bloeit nu, o zoo teeder, Onz’ trots, onz’ roem!
Ongeveer drie jaar later schildert Carolina Anna Teixeira de Mattos, moeder van Diego, een miniatuurportret van haar zoon. Deze is dan twee of drie jaar oud.
Het onderwerp van dit gedicht – de jonge Diego – krijgt met het miniatuurportret van zijn moeder dus een gezicht.
Troost
Veel van Zubli’s gedichten, kortom, vervullen een sociale en verbindende functie. Ze onderhoudt bijvoorbeeld vriendschappen middels haar verzen, zoals met Joseph Alberdingk Thijm.
Ook spreekt ze via haar berijmde verzen familieleden en geestverwanten toe. Meer dan eens komt daarin het verlies van een dierbare aan de orde. Soms gaat het over het verlies van haar eigen zoon, maar vaker over verdriet en verlies waarmee anderen te kampen hebben. Voor Zubli zijn haar soms verdrietige maar altijd hoopvolle gedichten dus een middel om anderen tot troost te zijn.
Mijn blog van vorige week ging over Maria Zubli als beeldend kunstenaar. In deze blog ging ik dieper in op haar gedichten. In mijn volgende post staat Zubli als kunstverzamelaar en beschermvrouwe centraal. Dat is dan het derde en laatste deel van dit drieluik, al is het laatste over deze veelzijdige vrouw nog lang niet gezegd.
Gedichten
De gepubliceerde gedichten van Maria Zubli-van den Berch van Heemstede heb ik hieronder op een rijtje gezet met een verwijzing naar het tijdschrift of krant waarin ze zijn afgedrukt. Haar gepubliceerde oeuvre bevat ook twee bundels, een Franstalige (1890) en een Nederlandstalige (1896). Eerder gepubliceerde gedichten worden daarin nogmaals afgedrukt.
1886
- ‘La Religieuse’, Dietsche warande n.s., 5 (1886), p. 382. [DBNL]
- ‘Un cri du coeur’, Leeswijzer 10 (1886), volgens Dagblad van Zuidholland en ’s Gravenhage (4 oktober 1886), p. 7. [Delpher]
- titel onbekend [aan Victor Hugo], Leeswijzer 14 (1886). [Delpher]
1887
- titel onbekend [aan Margaretha Roosenboom], Leeswijzer 4 (1887).
- titel onbekend [aan Henriëtte Bles], idem, geciteerd in Schiedamsche courant (14 november 1887), p. 6. [Gemeentearchief Schiedam – Krantenkijker]
- ‘L’amour, l’été’, Leeswijzer 8 (1887) volgens Het vaderland (6 september 1887), p. 2. [Delpher]
- ‘L’automme’, Leeswijzer 11 (1887) volgens Het vaderland (21 oktober 1887), p. 2. [Delpher]
1890
- ‘Aan mijn Egbert (overleden in 1880)’, Dietsche warande n.s. 2, 3 (1890), p. 623. [DBNL]
- ‘De zomer, naar L’Eté’, idem, p. 624. [DBNL]
- Poésies. A la mémoire du Professeur Jos. A. Alberdingk Thym (Parijs, Librairie Fischbacher, 1890). [KDC]
1893
- ‘Aan Jezus. Gebed’, Dietsche warande n.s. 2, 6 (1893), p. 434. [DBNL]
- ‘De hemel’, idem, p. 526. [DBNL]
1894
- ‘Morgenlied’, Dietsche warande n.s. 2, 7 (1894), p. 333. [DBNL]
- ‘Het bidden’, idem, p. 571-572. [DBNL]
- ‘Moeders heengaan’, idem, p. 671. [DBNL]
1895
- ‘Voorjaar’, Dietsche warande n.s. 2, 8 (1895), p. 310. [DBNL]
- ‘Aan de verloofde van den overl. kunstschilder G. Rollé, te ’s Gravenhage overleden 9 Sept. 1895′, idem, p. 586-587. [DBNL]
- ‘Sterven’, idem, p. 587. [DBNL]
1896
- ‘Vertrouwen, vrij naar ’t Engelsch’, Dietsche warande n.s. 2, 9 (1896), p. 95. [DBNL]
- ‘Mijn Kind. Aan mijne vrienden T. de M… in hunne droefheid. – 20 Nov. 1895’, idem, p. 96. [DBNL]
- ‘Aan Paul Verlaine’, idem, p. 200. [DBNL]
- ‘Aan een vierjarig meisje (R.S.), bij het overlijden harer lieve moeder’, idem, p. 200. [DBNL]
- ‘Aan mijn kleinzoon Christiaan Zubli’, idem, p. 414. [DBNL]
1897
- Gedichtjes (Gent: A. Siffer, 1897). [Google Books]
- ‘Aan mijn vrienden T. de M.’, Dietsche warande n.s. 2, 10 (1897), p. 186. [DBNL]
- ‘Vrije vertaling van het Kernhukers Wachtlied’, idem, p. 187-188. [DBNL]
- ‘De sterren’, idem, p. 189. [DBNL]
- ‘Avond’, idem, p. 511. [DBNL]
- ‘De maaier’, idem, p. 511. [DBNL]
- ‘Aan Prof P. Alberdingk Thijm voor het Pinksterfeest 1897’, Dietsche warande 11 (1898), p. 271. [Delpher en DBNL]
- ‘Aan de muzijk’, idem p. 271. [Delpher en DBNL]
- ‘Avond aan het Lucernermeer’, idem, p. 272. [Delpher en DBNL]
- ‘Rigi en Pilatus. Opgedragen aan den heer D.F. v. Heyst, letterkundige te ’s Gravenhage’, idem, p. 272. [Delpher en DBNL]
1898
- ‘Eenzaam, met God gemeenzaam’, Dietsche warande, n.s. 2, 11 (1898), p. 441. [Delpher en DBNL]
- ‘Beproeving’, idem, p. 441-442. [Delpher en DBNL]
- ‘Vertwijfeling’, idem, p. 519. [Delpher en DBNL]
1899
- ‘Voor het nieuwe Jaar 1899’, Dietsche warande 12 (1899), p. 180-184. [Delpher en DBNL]
- ‘Beproeving’ (verbeterde versie), idem, p. 183. [Delpher en DBNL]
- ‘Gedichtjes (naar het Engelsch)’, idem, p. 184. [Delpher en DBNL]
- [zonder titel], idem, p. 184. [Delpher en DBNL]
- ‘Gebed’, idem, p. 291. [Delpher en DBNL]
- ‘Bij het aanschouwen van het Christusbeeld van Thorwaldsen’, idem, p. 484. [Delpher en DBNL]
1901
- ‘Autrefois’ naar Hélène Swarth [gedeclameerd door mejonkvrouw S.E. volgens D.F.v.H. in Dagblad van Zuidholland en ’s Gravenhage (5 november 1901), p. 1. [Delpher]
Noten
[1] Regionaal Archief Alkmaar, RAA01_CA701_b_119 [Geheugen].
[2] ‘Nieuwe Gids-correspondentie: Amsterdam, 7 Mei 1886’, De nieuwe gids 48 (1933), p. 629 [DBNL].
[3] Voor de brieven van Brieven van Marie Zubli-van den Berch van Heemstede, 1885-1887, zie Nijmegen, Katholiek Documentatie Centrum, Radboud Universiteit, archief THYM: J.A. Alberdingk Thijm, inv.nr. 1217 [KDC].
[4] ‘La religieuse’, Dietsche warande n.s., 5 (1886), p. 382 [DBNL]. Het gedicht tot de dochter van David Bles zal in 1887 in de vierde jaargang van Leeswijzer worden afgedrukt, tezamen met de hommage aan schilderes Margaretha Roosenboom.
[5] Voor het ingezonden stuk over de Zubli bestemd voor De leeswijzer (1886), zie Nijmegen, Katholiek Documentatie Centrum, Radboud Universiteit, archief THYM: J.A. Alberdingk Thijm, inv.nr. 3321 [KDC].
[6] Voor het naamdicht ‘Simple rimes d’arima sur le nom du Professeur’ van Zublibestemd voor De leeswijzer (1886), zie Nijmegen, Katholiek Documentatie Centrum, Radboud Universiteit, archief THYM: J.A. Alberdingk Thijm, inv.nr. 4211 [KDC].
[7] Een kladversie bevindt zich in het Katholiek Documentatie Centrum van de Radboud Universiteit in Nijmegen, archief THYM: J.A. Alberdingk Thijm, , inv.nr. 3585: Gedicht “A Madame Marie Zubli, née v.d. B. v. H” bestemd voor Poésies, 1889 [KDC].
[8] Voor de recensie van Zubli’s Poésies, zie De Amsterdammer (25 mei 1890), p. 5 [Historische Groene].
[9] Zubli, in De Amsterdammer 666 (30 maart 1890), p. 4 [Historische Groene].
[10] “… le bon goût me défendait, d’éclabousser ma botte en ecrasant le reptile”‘”, geciteerd in Arnhemsche courant (9 april 1890) p. 1 [Delpher].
[11] Ingezonden brieven van Maria Zubli-van den Berch van Heemstede en van Catharina Alberdingk Thijm, in De Amsterdammer 668 (13 april 1890) p. 6-7 [Historische Groene]. Karel Alberdingk Thijm noemt wat hij “het incident Zubli-Boissevain-Catharina Alberdingk Thijm” noemt, in een brief d.d. 13 april 1890. Daarin geeft hij te kennen zich vooral te storen aan de “kluchtige” commentaren van “mijne charmante zuster op de ongelukkige versregels van mijn vader”. Zie De briefwissseling tussen Frederik van Eeden en Lodewijk van Deyssel, bezorgd en toegelicht door H.W. van Tricht en Harry G.M. Prick, 2de herziene druk (Den Haag: Nijhoff, 1981), p. 69.
[12] Jos. Alb. Alberdingk Thijm in zijne brieven, geschetst als christen mensch, kunstenaar, red. Catharina Alberdingk Thijm (Amsterdam: Langenhuyzen, 1896), p. v [Google Books].
[13] Voor het exemplaar van Zubli’s Poésies met een handgeschreven opdracht aan “Mademoiselle C Alberdingk Thijm Bruxelles 27 Avenue de Cortenbergh de la part de l’auteur MZvdBvH”, zie Nijmegen, Katholiek Documentatie Centrum, Radboud Universiteit, archief THYM: J.A. Alberdingk Thijm, inv.nr. 4418 [KDC].
[14] De Groene Amsterdammer (25 mei 1890), p. 5 [Historische Groene].
[15] Het exemplaar van Zubli’s Poésies, met handgeschreven opdracht van de schrijfster aan Hélène Swarth – “à Madlle H. Swarth/ de la part de/ l’auteur”, werd te koop aangeboden bij antiquariaat Fokas Holthuis te Den Haag en is inmiddels verkocht. Zie Nieuwsbrief 989: Stekelblaadjes, gepubliceerd 1 maart 2022 [online].
[16] Voor de huwelijksakte van Christiaan Eliza Zubli, zie Haags Gemeentearchief te Den Haag, BS Huwelijk Ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente ‘s-Gravenhage, ‘s-Gravenhage, archief 0335-01, inv.nr. 995, 25-01-1927, Huwelijksakten Den Haag, aktenr. B55 [Haags Gemeentearchief].
[17] Stadsarchief Amsterdam, archief 1507: archief van de familie Zubli [Stadsarchief Amsterdam]. Zie ook familiebericht in Dagblad van Zuidholland en ’s Gravenhage (20 april 1878), p. 3 [Delpher]. Voor de overlijdensakte van Egbert Joan Isaac, zie Haags Gemeentearchief te Den Haag, BS Overlijden Ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente ‘s-Gravenhage, ‘s-Gravenhage, archief 0335-01, inv.nr. 1331, 30-01-1880, Overlijdensakten Den Haag, aktenr. 283 [Haags Gemeentearchief].
[18] Voor de overlijdensakte van Gerard Joannes Marie Rollé, zie Haags Gemeentearchief te Den Haag, BS Overlijden Ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente ‘s-Gravenhage, ‘s-Gravenhage, archief 0335-01, inv.nr. 1393, 09-09-1895, Overlijdensakten Den Haag, aktenr. 2714 [Haags Gemeentearchief].
[19] Voor de geboorteakte van Diego Jean Louis in 1894, zie Haags Gemeentearchief, BS Geboorte Ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente ‘s-Gravenhage, ‘s-Gravenhage, archief 0335-01, inv.nr. 406, 14-09-1894, Geboorteakten Den Haag, aktenr. 3835 [Haags Gemeentearchief].
[20] Voor de overlijdensakte van Diego Jean Louis in 1895, zie Haags Gemeentearchief te Den Haag, BS Overlijden Ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente ‘s-Gravenhage, ‘s-Gravenhage, archief 0335-01, inv.nr. 1396, 12-06-1896, Overlijdensakten Den Haag, aktenr. 1427 [Haags Gemeentearchief].
[21] Voor de geboorteakte van Diego Jean Louis in 1896, zie Haags Gemeentearchief te Den Haag, BS Geboorte Ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente ‘s-Gravenhage, ‘s-Gravenhage, archief 0335-01, inv.nr. 416, 23-07-1896, Geboorteakten Den Haag, aktenr. 3123 [Haags Gemeentearchief].
Goed artikel weer! Ben altijd onder de indruk van jouw artikelen. Ik weet uit ervaring hoe veel werk het is om (soms de meest basale) informatie te vinden over vrouwen in de kunst.
Dank je wel Sunny, voor je vriendelijke reactie!