Naar oude meesters

Eléonore Eugénie van Genabeth (1819-1891) gaat rond 1843 in de leer bij kunstschilder Jan Willem Pieneman. Deze helpt haar om zich in de kunst van het schilderen te bekwamen. Haar professionele carrière gaat dan veelbelovend van start met tentoonstellingen in 1844 en 1846. Ze krijgt bovendien positieve kritiek, maar met overlijden van haar ouders beginnen de moeilijkheden. Desalniettemin blijft ze landschappen schilderen, veelal naar oude meesters, ook al zijn deze niet of weinig meer te zien op tentoonstellingen.

Doornik en Brugge

Van Genabeth komt uit een familie van onderwijzers. Ze is een dochter van Petrus (Pieter) van Genabeth en Maria Louisa Catharina Eugenia Schabracq (ook: Chabraque of Schabraag) die beiden in Amsterdam lesgeven.[1] In 1817 wordt Van Genabeth professor in de Nederduitse taal aan het Athenaeum te Doornik. Daar wordt op 12 juni 1817 een zoon Henricus Petrus Philippus geboren, maar deze sterft 2 dagen na de geboorte.[2] Op 4 september 1819 komt dan Eléonore Eugénie ter wereld.

In het jaar van Eléonores geboorte wordt Van Genabeth professor aan het Athenaeum te Brugge. In de Vlaamse stad komen vervolgens nog 4 kinderen ter wereld, eerst Rosalia Catharina (geb. 7 september 1821), dan Euphrosina Celestina Coleta Francisca (geb. 20 maart 1823), vervolgens Petrus Augustinus Benedictus (geb. 15 oktober 1824), Wilhelmina Anna Helena Francisca (geb. 18 november 1826) en ten slotte Elisa Henriette (geb. 3 januari 1829). Eléonore groeit dus op in Brugge.

Belgische Revolutie

Vader Van Genabeth timmert ondertussen hard aan de weg als letterkundige. Hij richt in Brugge een letterkundig genootschap op – de Koninklijke Maatschappij van Vaderlandsche Taal en Letterkunde. Bovendien publiceert hij er artikelen over de Nederlandse taal, maar dan breekt de gewapende opstand tegen koning Willem I uit die uiteindelijk leidt tot de afscheiding van België. Vanwege de revolutie verlaat het gezin in september 1830 noodgedwongen zijn Vlaamse woonplaats.[3] Eerst vlucht Van Genabeth halsoverkop naar Sluis waarna zijn vrouw zich de volgende dag bij hem voegt.

In zijn persoonlijke verslag van gebeurtenissen beschrijft Van Genabeth vervolgens in eigen woorden hoe die nacht in Brugge zonder hem voor zijn vrouw en hun kinderen geweest was:

Het vuuren duurde den geheelen nacht, en bij ieder schot, als dat van een kanon, rezen de haren te berge. De kinderen, ongewoon aan al die verschijnselen … liepen beangst rondom de moeder, even als de kiekens om de klokhen, ten einde zich onder hare vleugelen, voor den naderenden roofvogel te beveiligen.

Van Genabeth 1831, p. 60

Onder de “kiekens” is ook Eléonore, dan net 11 jaar oud.

Na enkele omzwervingen komt het gezin uiteindelijk in Amsterdam terecht. Van Genabeth krijgt daar vanwege zijn verdiensten een buitengewoon pensioen van koning Willem I, maar het blijkt onvoldoende om zijn gezin te onderhouden. Daarom schrijft hij als journalist artikelen voor dagbladen zoals De avondpost.[4] Bovendien begint Schabracq een meisjesschool als broodnodige aanvulling op het pensioen van haar man.

Tentoonstellingen

Ook komt het gezin in contact met kunstschilder Jan Willem Pieneman die Pieter van Genabeth van juli 1843 tot november 1846 een aanstelling als klerk en opzichter bij de tentoonstellingen van Maatschappij Arti et Amicitiae bezorgt.[5] Bij Pieneman gaat Eléonore vervolgens schilderlessen volgen. Als zij een bosgezicht exposeert op een tentoonstelling in Zwolle in 1844, wordt ze nog élève van Pieneman genoemd.

Eléonore Eugénie van Genabeth, Italiaans landschap met een muilezeldrijver, naar een schilderij van Jan Both, gesigneerd ‘E. Kramer v Genabeth’ (rechtsonder) en gedateerd 1884, paneel (hout), olieverf, 39,6 x 53 cm (nr. 3). Bron: RKD

Op die Zwolse tentoonstelling springt haar werk ook in het oog van een recensent van Algemeen handelsblad (7 juni 1844). Deze noemt het werk van de kunstschilderes die

zich in de kunst van het landschapschilderen zoo voordeelig begint te onderscheiden

De recensent vermeldt bovendien dat Van Genabeth een landschap van Jan Both in het Rijksmuseum heeft gekopieerd. Het Rijksmuseum bezit indertijd verschillende doeken van Jan Both, dus het blijft de vraag welk bosgezicht Van Genabeth precies kopieert. Hoe dan ook, Both blijft een geliefd onderwerp zijn van het werk van de kunstschilderes. In 1884 kopieert ze namelijk nogmaals een doek van Both: een Italiaans landschap met een muilezeldrijver.

Jan Both, Italiaans landschap met een muilezeldrijver, gesigneerd ‘JBoth’ (rechtsonder), olie op doek, ca 1645-1650. Amsterdam, Rijksmuseum, SK-C-110. Bron: Rijksstudio

Van Genabeth kopieert ook andere doeken in het Rijksmuseum. “Eene kleine Schilderij … zijnde een landschap met twee elkander aanvallende ossen, naar D. van Bergen op het Rijks Museum” wordt bijvoorbeeld aangekocht door de Amsterdamse kunstverzamelaar Adriaan van der Hoop in 1846. Volgens kunsthistorici Bergvelt, Filedt Kok en Middelkoop gaat het hier waarschijnlijk om een schilderij van schilder Dirck van Bergen.[6]

Gezien de omschrijving lijkt het me eerder te gaan om een kopie van De ossendrift van schilder Nicolaes Berchem. Dat schilderij, dat zich ook in het Rijksmuseum bevindt, kopieert Van Genabeth vaker, nogmaals in 1887.

Afwijzing

In eerste instantie lijkt haar jongere broer Petrus Augustinus Benedictus van Genabeth een carrière in het onderwijs te ambiëren in navolging van zijn ouders. In oktober 1840 wordt hij namelijk naar de vierde klas voor lagere-schoolonderwijs bevordert.[7] Toch wordt ook hij uiteindelijk schilder. Net als zijn zus kopieert hij werk van oude meesters. Zowel van Petrus als van Eléonore is vervolgens werk te zien op de stedelijke tentoonstelling in Amsterdam in 1846, van hem “een Teekening naar Teniers, met sapverw”, van haar “Een landschap”.[8]

Petrus Augustinus Benedictus van Genabeth, De Berkenlaan, naar een schilderij Jan Hackaert in het Rijksmuseum, 1848, olie op doek, 65 x 52,5 cm. Collectie onbekend. Bron: Lot-Art

Eléonores start als kunstschilderes is dus veelbelovend. Het eerste professionele succes gaat echter ook gepaard met verdriet op persoonlijk vlak. In 1845 sterft haar zus Rosalia Catharina na een kortstondige maar hevige ziekte volgens een familiebericht, geplaatst door Pieter van Genabeth in Algemeen handelsblad (13 maart 1845). Rosalia Catharina wordt slechts 23 jaar. In 1847 overlijdt tot overmaat van ramp ook hun moeder “na een langdurig lijden” volgens bericht in Algemeen handelsblad.

Familiebericht in Algemeen handelsblad (28 september 1847), p. 3. Bron Delpher

Daarna verhuist het gezin naar Den Haag. Daar gaat Petrus vervolgens exposeren. In het jaar van moeders overlijden is zijn werk – een getekende kopie naar een schilderij van Teniers – namelijk te zien op een stedelijke tentoonstelling in Den Haag.[9]

Zowel Petrus als Eléonore sturen vervolgens opnieuw werk naar de commissie van stedelijke tentoonstelling in Amsterdam in 1848. Petrus’ tekening naar een werk van Cornelis Poelenburg wordt dan geplaatst.[10] Eléonores landschap “bij ondergaande zon in de omstreken van Bloemendaal bij Haarlem” wordt echter afgewezen.

Een modiste en een toonkunstenares

Op 30 oktober 1850 trouwt Petrus. Op de dag van het huwelijk vestigt vader Pieter dan met zijn dochters in Haarlem.[11] In het bevolkingsregister van Haarlem staan tevens de beroepen van de zussen vermeld: Eléonore is kunstschilderes, haar jongste zus Elisa Henriette is “modiste” wat waarschijnlijk wil zeggen dat ze modeartikelen maakt dan wel verkoopt. Euphrosina heeft geen beroep en ook de jongste Wilhelmina staat er “zonder beroep”, maar zij is toonkunstenares. Ze verzorgt namelijk concerten waarbij ze zingt en piano speelt.[12]

Eléonore Eugénie van Genabeth, Herderin met kudde koeien, gesigneerd en gedateerd 1887 (rechtsonder), olie op doek, 56 x 95 cm (nr. 5). Bron: RKD

In april 1852 keert vader vervolgens met 3 van de 4 dochters – zonder Euphrosina – terug naar Amsterdam waar ze gaan wonen aan de Nieuwendijk.[13]

Moeilijkheden

Op 19 september 1852 overlijdt dan Pieter van Genabeth en daarmee begint een lastige periode. Allereerst laat vader de zussen niet bepaald bemiddeld achter. Uit de boedelinventaris blijkt bijvoorbeeld dat alleen aan de vorderingen van preferente crediteurs kan worden voldaan.[14] Dit suggereert op zijn minst dat er niet heel veel te halen is uit de nalatenschap. Dat stemt overeen met de opmerking van onderwijzer en onderwijsinspecteur Henricus Wijnbeek, die in 1853 een in memoriam over Van Genabeth schrijft, dat het buitengewoon pensioen van de emeritus niet voldoende was om zijn gezin te onderhouden.[15]

Op 26 februari 1853 schrijft Eléonore bovendien een brief aan Johannes Jacobus Franciscus Wap waarin ze verzoekt om duidelijkheid aangaande zijn inspanningen om een schilderij van haar op een tentoonstelling geplaatst te krijgen.[16] In de tussentijd kan ze het schilderij nergens anders kwijt waardoor ze inkomsten misloopt. Daarbij laat ze in zoveel woorden weten dat ze in moeilijkheden verkeerd:

UWEd zal ligtelijk beseffen, WelEd Heer, dat mijn positie van dag tot dag moeyelijker wordt …

Ongetwijfeld zinspeelt ze daarmee op haar vaders overlijden en de oncomfortabele financiële positie waarin deze zijn kinderen heeft achtergelaten. De brief laat dus zien hoe Eléonore probeert om met haar kunst toch rond te komen, zoals bijvoorbeeld ook kunstschilderes Adriana van Ravenswaay doet in financieel lastige tijden na het overlijden van haar broer. Daarover schreef ik al eens een blogpost ‘Uitbundige boeketten’, gewijd aan Van Ravenswaay.

Eléonore is bovendien niet de enige die alle zeilen moet bijzetten na het overlijden van haar vader. Haar zus Wilhelmina van Genabeth probeert eveneens eigen inkomsten te generen. Zij doet dat namelijk door onderwijs te geven in de toonkunst, volgens Leydse courant (25 november 1857).

Voortdurend ongeluk

Het einde van het ongeluk is echter nog steeds niet in zicht. Op 23 december 1857 overlijdt immers Petrus van Genabeth, pas 33 jaar oud. Zijn weduwe geeft daarvan kennis in Algemeen handelsblad (29 december 1857). Ze spreekt er van een “lang, doch geduldig lijden”.

Familiebericht in Algemeen handelsblad (29 december 1857), p. 2. Bron: Delpher

Het lange ziekbed verklaart mogelijk waarom Petrus’ werk sinds 1848 niet meer op groepstentoonstellingen te zien is geweest. Toch hangt er enkele maanden voor Petrus’ overlijden, in mei 1857, plots weer een werk op een stedelijke tentoonstelling in Den Haag.[17] In maart 1858 vind vervolgens een verloting plaats van “eene schilderij, door wijlen den kunstschilder van Genabeth” volgens Dagblad van Zuidholland en ’s Gravenhage (16 maart 1858). Mogelijk zijn beide ondernemingen – tentoonstelling en verloting – pogingen van de echtgenote om inkomsten aan te vullen de eerste maal tijdens het ziekbed van Petrus, de laatst na zijn overlijden.

Huwelijken

Het overlijden van hun enige broer maakt de situatie niet makkelijker voor de zussen Van Genabeth. Deze zoeken vervolgens hun toevlucht tot huwelijken om de omstandigheden beter het hoofd te kunnen bieden. Op 14 oktober 1858 trouwt eerst Elisa Henriette met kunstschilder Andries Beetz.[18] Na een kort verblijf op de Keizersgracht 217 vertrekt het echtpaar vervolgens in juli 1860 naar Brussel.

Drie vrouwen in eenvoudige boerenkleding zijn bezig met oogsten van knollen of aardappelen. Een steekt een schep in de grond, een ander raapt en de derde bewaart de oogst in haar schort.
Eléonore Eugénie van Genabeth, Vrouwen in een veld, gesigneerd en gedateerd ‘E.E. Kramer van Genabeth 1889’ (rechtsonder), olie op doek, 61 x 97,2 cm (nr. 6). Bron: Doyle

In november 1858 staat Eléonore als hoofd ingeschreven op hetzelfde Amsterdamse adres als reiziger Willem Carel Christoph Henri Kramer.[19] Op 28 april trouwen zij waarna het stel in Den Haag gaat wonen. In de trouwakte wordt Van Genabeth overigens nog steeds “kunstschilderesse” genoemd. In hetzelfde jaar trouwt ten slotte ook de jongste Wilhelmina, en wel met Franciscus Joannes van Son.[20] In 1860 trouwt ten slotte ook Euphrosina met commissionair Johannes van Graauwenhaan.[21] Kramer treedt daarbij trouwens op als een van de getuigen.

Van huis naar huis

Korte tijd woont Eléonore met haar echtgenoot in Friesland. Vóór 1868, waarschijnlijk in 1865, vertrekken ze namelijk naar Harlingen.[22] Volgens informatie in de bevolkingsarchieven verlaten ze die stad weer op 18 juni 1874, waarbij wordt vermeld dat het stel dan naar Franeker gaat. Echter, op 20 juni 1874 wonen Van Genabeth en Kramer weer in Amsterdam, waar ze tot hun dood blijven. Rust vinden ze daar echter niet, want ze wisselen geregeld van adres.

PeriodeAdresBron
juni 1874 – oktober 1876Overtoomscheweg 60Stadsarchief Amsterdam
oktober 1876 – september 1877 Gerard Doustraat 57Stadsarchief Amsterdam
september 1877 – mei 1878Gerard Doustraat 55Stadsarchief Amsterdam
mei 1878 – augustus 1881Gerard Doustraat 123Stadsarchief Amsterdam
augustus 1881 – juni 1882Jacob van Campenstraat 73Stadsarchief Amsterdam
juni 1882 – mei 1886Govert Flinckstraat 300Stadsarchief Amsterdam
mei 1886 – december 1886Govert Flinckstraat 45Stadsarchief Amsterdam
december 1876 – 20 jan 1891Govert Flinckstraat 132Stadsarchief Amsterdam

Kramer wisselt bovendien nogal eens van beroep. Eerst staat er in de bevolkingsarchieven dat hij boekhouder is, vervolgens deurwaarder en ten slotte schrijver bij de politie.

Al die tijd wordt Van Genabeth geen kunstschilderes meer genoemd, ook al is dat in de huwelijksakte in 1859 nog wel zo. Kramer is inmiddels de officiële kostwinner. Toch blijft Van Genabeth zeker schilderen en kopiëren naar oude meesters. Zoveel blijkt immers uit bewaard gebleven werk dat de kunstschilderes steevast signeert met haar getrouwde naam ‘Kramer van Genabeth’. (Zie selectie van werk hieronder). Waarschijnlijk blijft ze al die tijd haar werk ook verkopen, al doet ze dat niet meer via tentoonstellingen. De kunstenares overlijdt op 20 januari 1891, 71 jaar oud.

Tegenslag

Toen ik me ging verdiepen in het leven en het werk van Eléonore Eugénie van Genabeth, dacht ik weinig meer over haar te zullen vinden dan al bekend was, namelijk: Van Genabeth schildert naar oude meesters, stelt twee maal tentoon en eigenlijk is er maar weinig werk van haar bekend. Toch viel me al snel een discrepantie op: ze exposeert haar schilderijen vóórdat ze trouwt in 1859, maar overgebleven werk dateert vooral van daarna. Meer dan dat, een schilderij met drie boerenvrouwen in een veld is gedateerd 1889. Van Genabeth is dan 69 of 70 jaar oud. Het toont aan dat de kunstenares niet ophoudt met schilderen als ze eenmaal getrouwd is, ook al staat ze dan niet meer in de bevolkingsarchieven als kunstschilderes. Desalniettemin blijft ze schilderen en verkoopt ze de kopieën naar Berchem en Both die ze, wellicht in opdracht, vervaardigt.

Er blijkt bovendien veel te vertellen over Van Genabeth. Haar geschiedenis is een verhaal over een kunstschilderes die in haar persoonlijke leven veel tegenslag te verduren krijgt. Het overlijden van haar moeder (1847), haar vader (1852) en ten slotte haar schilderende broer (1857) maken dat zij en haar 3 zussen – Euphrosina, Wilhelmina en Elisa Henriette – alles op alles moeten zetten om de slechte financiële omstandigheden het hoofd te bieden. Eléonore doet dat, al schilderend.


Werk

Zoals gezegd dateren de meeste bewaard gebleven schilderijen van Eléonore Eugénie van Genabeth van na haar huwelijk in 1859. Ze signeert die werken met haar getrouwde naam “Kramer van Genabeth”. Het gaat steevast om landschappen en vaak om kopieën naar oude 17de-eeuwse meesters, zoals Both en Berchem. Dat stemt overeen met geschreven bronnen, zoals catalogi, waarin vooral kopieën van Van Genabeth naar Both en Berchem worden genoemd.

1845

1. Rivierlandschap met vissers, olie op doek, gesigneerd en gedateerd 1845, (linksonder), 52 x 68 cm

Herkomst: Ahlden (Aller), Kunstauktionshaus Schloss Ahlden, veiling 179: Große Kunstauktion, dag 3: 12 september 2020, lot 2154.

Bron: Lot-Art en The Saleroom

1867

2. Boerenfamilie bij een bosrand, gesigneerd en gedateerd 1867 (linksonder), olie op doek, 51 x 67 cm.

Herkomst: Den Haag, Venduehuis, veiling Schilderijen, aquarellen, tekeningen en grafiek,, zilver, porselein en aardewerk, sculpturen, meubelen, 4 november 2009, lot 295.

Bron: Artprice (met ill.)

1884

3. Italiaans landschap met een muilezeldrijver, naar een schilderij van Jan Both in het Rijksmuseum, gesigneerd ‘E. Kramer v Genabeth’ (rechtsonder) en gedateerd 1884, paneel (hout), olieverf, 39,6 x 53 cm.

Particuliere collectie

Bron: RKD

1887

4. Ossendrift, naar een schilderij van Nicolaes Berchem in het Rijksmuseum, gedateerd 1887, olie op doek, afmetingen onbekend.

Collectie onbekend

Bron: Stamboom Schabracq

5. Herderin met kudde koeien, gesigneerd en gedateerd 1887 (rechtsonder), olie op doek, 56 x 95 cm.

Herkomst: München, Neumeister, veiling Fayence, Porcellan, Jugendstil, Silber, Schmuck, Möbel, Teppiche, Graphik, Gemälde, 12 juni 1991, lot 434; Londen, Christie’s, veiling 14 februari 1991, lot 54; Londen, Sotheby’s, veiling 30 november 1977, lot 1

Bron: RKD en artprice

1889

6. Vrouwen in een veld, gesigneerd en gedateerd ‘E.E. Kramer van Genabeth 1889’ (rechtsonder), olie op doek, 61 x 97,2 cm.

Herkomst: New York, Doyle, veiling Doyle at Home, 10 april 2019, lot 41.

Bron: Doyle


Literatuur

Catalogi

  • Cat. Amsterdam 1846. Tentoonstelling te Amsterdam voor den jare 1846 (Amsterdam: Stads-Drukkerij), p. 10 (P.A.B. van Genabeth) en p. 29 (E.E. van Genabeth). [RKD]
  • Cat. Amsterdam 1848Tentoonstelling te Amsterdam voor den jare 1848 (Amsterdam: Stads-Drukkerij), p. 8 (P.A.B. van Genabeth). [RKD]
  • Cat. Den Haag 1847Tentoonstelling van schilder- en kunstwerken, welke zijn toegelaten tot de tentoonstelling te ’s Gravenhage van den jare 1847 (Den Haag: H.S.J. de Groot), p. 12 (P.A.B. van Genabeth). [RKD]
  • Cat. Den Haag 1857Tentoonstelling van schilder- en kunstwerken van levende meesters, ’s Gravenhage 1857 (Den Haag: H.S.J. de Groot), p. 21 (P.A.B. van Genabeth). [RKD]
  • Cat. Zwolle 1844. Lijst der schilderijen en kunstwerken, door nog in leven zijnde Nederlandsche meesters vervaardigd, welke zijn toegelaten tot de tentoonstelling te Zwolle, voor den jare 1844 (Zwolle: J.J. Tijl), p. 8 (E.E. van Genabeth). [RKD]

Overig

  • Bergvelt, Ellinoor, Jan Piet Filedt Kok en Norbert Middelkoop, De Hollandse meesters van een Amsterdamse bamkier: De verzameling van Adriaan van der Hoop (1778-1854) (Zwolle: Waanders, 2004).
  • Genabeth, Petrus van, Veertien jaren in België, en vlugt uit Brugge (Amsterdam: Schalekamp en Van de Grampel, 1831). [Google Books]
  • Klarenbeek, Hanna, Penseelprinsessen & broodschilderessen. Vrouwen in de beeldende kunst 1808-1913 (Bussum: Thott, 2012).
  • Scheen, Pieter A., Lexicon Nederlandse beeldende kunstenaars 1750-1950, herziene ed. (Den Haag: Scheen, 1981).
  • Weijermans, Janneke, Stiefbroeders: Zuid-Nederlandse letteren en natievorming onder Willem I, 1814-1834 (Hilversum: Verloren, 2012). [Google Books]
  • Wijnbeek, Henricus, ‘Levensberigt van Petrus van Genabeth’, Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, 1853 (1853), p. 10-14 [DBNL].

Noten

[1] Noord-Hollands Archief te Haarlem, BS Huwelijk burgerlijke stand van de gemeente Amsterdam, archief 358.6, inv.nr. 27, 10-07-1816, Huwelijksakten van de gemeente Amsterdam, 1816, aktenr. Reg. 3 fol. 56 [Noord-Hollands Archief]. Zie ook ‘Petrus van Genabeth’, in Biographisch woordenboek der Noord- en Zuidnederlandsche letterkunde, red. F. Jos. van den Branden, J.G. Frederiks (Amsterdam: L.J. Veen, 1888-1891), p. 270 [DBNL].

[2] Amsterdamsch letterlievend maandschrift 1 (1817), p. 143 [Google Books].

[3] Weijermans 2012, p. 366-368.

[4] Wijnbeek 1853, p. 12.

[5] Wijnbeek 1853, p. 13.

[6] Bergvelt, Filedt Kok en Middelkoop 2004, p. 37, 191 (C7) en 203 (Lijst 224). ZIe ook Klarenbeek 2012, p. 152.

[7] ‘Schoolnieuws’, Nieuwe bijdragen ter bevordering van het onderwijs en de opvoeding, voornamelijk met betrekking tot de lagere scholen in het Koningrijk der Nederlanden 2 (1841), p. 64 [Delpher].

[8] Cat. Amsterdam 1846, p. 10, nr. 120 en p. 29, nr. 409. Zie ook Scheen 1981, p. 163. Eléonore verzoekt in een begeleidend schrijven bij het ingezonden Landschap aan de commissie van de stedelijke tentoonstelling om anoniem te blijven, of slechts genoemd te worden met de initialen D.v.G. Die brief ondertekent ze met uwedele dienaresse “D. van Genabeth”. Het verzoek om anoniem te blijven trekt de schilderes echter weer in, als de organisatie er bezwaar tegen maakt. Zie Stadsarchief Amsterdam, archief 64: Archief van de Commissie voor de Tentoonstelling van Kunstwerken van Levende Meesters, inv.nr. 2: Tentoonstelling 1846, 5: Ingekomen stukken van inzenders [Stadsarchief Amsterdam]. Zie ook Klarenbeek 2012, p. 100-101. Als “mw. E.E. van Genabeth” wordt ze vervolgens in de catalogus Amsterdam 1846 vermeld.

[9] Den Haag 1847, p. 12, nr. 128 (“Teekening naar eene schilderij van Teniers, berustende op ’s Rijks Museum te Amsterdam”).

[10] Stadsarchief Amsterdam, archief 64: Archief van de Commissie voor de Tentoonstelling van Kunstwerken van Levende Meesters, inv.nr. 3: Tentoonstelling 1848, 7: Schilderijen-dagboek, nr. 155 (P.A.B. v Genabeth) [Stadsarchief Amsterdam] en nr. 356 (Mejvr E. Eléonore van Genabeth) [Stadsarchief Amsterdam].

[11] Voor de huwelijksakte van Petrus, zie Haags Gemeentearchief te Den Haag, BS Huwelijk Ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente ‘s-Gravenhage, archief 0335-01, inv.nr. 599, 30-10-1850, Huwelijksakten Den Haag, aktenr. 574 [Haags Gemeentearchief]. Voor de vestiging in Haarlem, zie Noord-Hollands Archief te Haarlem, Bevolkings­register Gemeentebestuur van Haarlem (Gemeente Haarlem), Haarlem, archief 2295, inv.nr. 2647, 1849, Bevolkingsregister Haarlem, 1849-1859 [Noord-Hollands Archief].

[12] Voor concerten van Wilhelmina van Genabeth, zie onder andere aankondigingen in Algemeen handelsblad (16 december 1850), p. 4 [Delpher], Algemeen handelsblad (6 februari 1852), p. 6 [Delpher], Dagblad van Zuidholland en ’s Gravenhage (5 februari 1855), p. 2 [Delpher] en het programma van ‘Muzikale Vereeniging “Aurora”. Derde Concert, 28 Februarij 1855’, Caecilia: algemeen muzikaal tijdschrift van Nederland 12, nr 6 (15 maart 1855), p. 56 [Delpher].

[13] Stadsarchief Amsterdam, Bevolkingsregister 1851-1853 Deel: 404, Periode: 1851-1863, Amsterdam, archief 5000, inv.nr. 404, 4 september 1819, Bevolkingsregister 1851-1853, folio pagina 473 [Stadsarchief Amsterdam].

[14] Algemeen handelsblad (22 november 1852), p. 6 [Delpher].

[15] Wijnbeek 1853, p. 13.

[16] Brief van Eléonore Eugénie van Genabeth, d.d. 26 februari 1853. Amsterdam, Rijksmuseum, RP-D-GENABETH.E.V-1 [Rijksstudio].

[17] Cat. Den Haag 1857, p. 21, nr. 178: “Een jong meisje met bloemen”.

[18] Voor huwelijksakte van Elisa Henriette, zie Noord-Hollands Archief te Haarlem, BS Huwelijk burgerlijke stand van de gemeente Amsterdam, archief 358.6, inv.nr. 320, 14-10-1858, Huwelijksakten van de gemeente Amsterdam, 1858, aktenr. Reg. 8 fol. 61 [Noord-Hollands Archief]. Vervolgens: Stadsarchief Amsterdam, Bevolkingsregister 1853-1863 Deel: 900, Periode: 1851-1863, Amsterdam, archief 5000, inv.nr. 900, 3 januari 1829, Bevolkingsregister 1853-1863 [Stadsarchief Amsterdam]. Zie ook Rijksarchief België (Brussel), Vreemdelingendossiers Ministerie van Justitie. Bestuur Openbare Veiligheid. Dienst Vreemdelingenpolitie. Alfabetische Steekkaarten van de Individuele dossiers geopend tussen 1835 en 1912 (dossiers nrs. 1-999.999); archiefblokken 1538, 1534 en 1535 met T 413., Brussel].

[19] Stadsarchief Amsterdam, Bevolkingsregister 1853-1863 Deel: 348, Periode: 1851-1863, Amsterdam, archief 5000, inv.nr. 348, 4 september 1819, Bevolkingsregister 1853-1863 [Stadsarchief Amsterdam]. Voor de huwelijksakte van Eléonore, zie Noord-Hollands Archief te Haarlem, BS Huwelijk burgerlijke stand van de gemeente Amsterdam, archief 358.6, inv.nr. 326, 28-04-1859, Huwelijksakten van de gemeente Amsterdam, 1859, aktenr. Reg. 3 fol. 54 [Noord-Hollands Archief].

[20] Voor de huwelijksakte van Wilhelmina, zie Haags Gemeentearchief te Den Haag, BS Huwelijk Ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente ‘s-Gravenhage, archief 0335-01, inv.nr. 619, 14-12-1859, Huwelijksakten Den Haag, aktenr. 657 [Haags Gemeentearchief].

[21] Voor de huwelijksakte van Euphrosina, zie Haags Gemeentearchief te Den Haag, BS Huwelijk Ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente ‘s-Gravenhage, ‘s-Gravenhage, archief 0335-01, inv.nr. 620, 04-04-1860, Huwelijksakten Den Haag, aktenr. 117 [Haags Gemeentearchief].

[22] AlleFriezen te Leeuwarden, Bevolkings­register Deel: 2092, Periode: 1860-1880, Harlingen, inv.nr. 2092, Bevolkingsregister K-L [AlleFriezen] en AlleFriezen te Leeuwarden, Bevolkings­register Deel: 2092, Periode: 1860-1880, Harlingen, inventaris­num­mer 2092, Bevolkingsregister K-L [Alle Friezen].

2 reacties

  1. Beste mevrouw Van Asperen,

    Wat leuk dat ik deze informatie heb gevonden. Ik ben een rechtstreekse afstammeling van Petrus van G.
    Veel van de door u beschreven informatie kende ik al maar er zaten toch weer nieuwe aspecten tussen. U heeft er heel wat zoekwerk aan gehad.

    Hartelijk dank en warme groet,
    Marianne van Genabeth.

    1. Beste mevrouw Van Genabeth,

      Hartelijk dank voor uw vriendelijke reactie. Ik vind het altijd leuk om van mensen te horen dat ze mijn blogposts gelezen hebben. Dat u als nazaat van Petrus van Genabeth het artikel over Eléonore Eugénie en haar familie – uw familie – hebt gevonden, vind ik heel speciaal. Fijn dat u er zelfs nog wat nieuws in aantrof.

      Veel dank dat u me dit wilde laten weten.

      Met vriendelijke groet,
      Hanneke van Asperen

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Back to Top