Ons doel is schoonheid

Het leven van Anna Adriana van Prooijen (1858-1933) kent een opvallende tweedeling. Tot 1910 werkt ze namelijk als tekenonderwijzeres en stort ze zich vol overgave in het maatschappelijke debat over onderwijshervormingen. Na haar pensionering vertrekt ze voor langere tijd naar het buitenland. Nadat ze in 1926 terugkeert in Nederland, is zij vooral actief als kunstschilderes en gebruikt zij haar organisatietalent en netwerk voor de zichtbaarheid van vrouwelijke kunstenaars. Onder andere is ze betrokken bij de oprichting van een schildervereniging, uitsluitend voor vrouwen, waarvoor zij bovendien de naam bedenkt: Ons Doel Is Schoonheid. Met deze vereniging draagt ze bij aan de emancipatie van vrouwen in het algemeen, en vrouwelijke kunstenaars in het bijzonder.

Verblijf in Italië

In 1918 staat er een bericht in de Nieuwe Groninger courant (28 augustus 1918) over het competerende pensioen dat Van Prooijen uitgekeerd krijgt na haar pensionering in 1910. Daarna wordt het een tijd stil rond de gepensioneerde onderwijzeres die oorlogsjaren waarschijnlijk doorbrengt in Italië. Zoveel blijkt tenminste uit een memoriam dat na haar overlijden verschijnt in Het vaderland (5 april 1933). Tien jaar woont zij op het Italiaanse schiereiland, onder andere op Capri en aan het Gardameer. Bovendien bezoekt zij West-Rusland en Oostenrijk waarover zij volgens de bevriende wetenschapshistoricus en natuurkundige Johan Adriaan Vollgraff veel kon vertellen.[1]

In 1926 keert Van Prooijen terug in Nederland na een langdurige afwezigheid. Ze woont dan eerst tijdelijk aan de Veldweg 24 in Laren.[2] In oktober van hezelfde jaar verhuist Van Prooijen echter naar Den Haag waar ze de rest van haar leven blijft wonen.[3] Daar wijdt ze zich volledig aan de schilderkunst waaraan ze voor haar pensionering maar mondjesmaat toekomt, zoals ik beschreef in de blogpost ‘Onvermoeid aan het werk’. Haar nieuwe roeping blijkt vervolgens uit de bevolkingsregisters. Hoewel ze onderwijzeres was, wordt daarin als haar beroep immers “kunstschilderes” genoemd.[4]

Haagse gemeenschap

Johannes Gerardus Happel, Koninklijke Kunstzaal Kleykamp aan de Scheveningseweg 17 te Den Haag, 1925, zwart-witfoto. Den Haag, Haags Gemeentearchief, archief 8135-01, inv. nr. 0.63598. Bron: Haags Gemeentearchief

Eenmaal in Den Haag wordt ze snel opgenomen in de hechte Haagse kunstenaarsgemeenschap. Dat blijkt bijvoorbeeld als ze in 1929 deelneemt aan een tentoonstelling van Haagse kunstenaressen in de Koninklijke Kunstzaal Kleykamp, volgens Haagsche courant (8 juni 1929).

Bovendien is ze in 1927 betrokken bij de oprichting van de schilderessenvereniging waarvoor zij volgens kunstenares en voorzitter Rosa Spanjaard de naam bedenkt: Ons Doel Is Schoonheid.[5] Alleen vrouwen kunnen lid worden, maar dat wil niet zeggen dat elke vrouw kan deelnemen. Aspirant-leden moeten namelijk wel aan criteria voldoen.

Odis

Onder het acroniem Odis krijgt de groep bekendheid, vooral in Den Haag. Spanjaard wordt dan voorzitster van de vereniging, Van Prooijen vice-voorzitter. Als doelstellingen neemt de vereniging vervolgens het beoefenen, tentoonstellen en verloten van de beeldende kunsten en kunstnijverheid.[6]

Schilderes Rosa Spanjaard, 1935, zwart-witfoto. Den Haag, Haags Gemeentearchief, archief 8100-01, inv.nr. 1.67171. Bron: Haags Gemeentearchief

Contacten met andere (schilderende) vrouwen onderhoudt Van Prooijen echter ook via de Vrouwenclub waarvan ook Spanjaard lid is. Wanneer de Vrouwenclub in 1931 haar tienjarig jubileum viert, draagt Van Prooijen “’n geestig vers” voor, gecomponeerd door Spanjaard die zelf vanwege een ziek familielid niet aanwezig kan zijn.[7] Uit de diverse lidmaatschappen blijkt hoe snel Van Prooijen zich in Den Haag weet te nestelen.

Exposities

Ondertussen exposeert Van Prooijen geregeld met de leden van Odis en krijgt daarbij vaak positieve kritieken op haar werk. Zo schrijft een verslaggever van Haagsche courant (23 mei 1930) over “zeer geslaagde tulpen en een studiekop” die te zien zijn op een tentoonstelling in 1930. Ook een recensent met de initiaal K. bespreekt de tulpen in weekblad De Haagsche vrouwenkroniek en noemt het schilderij “een fleurig bloemstuk”.

Zie tentoonstellingsoverzicht hieronder.

De tulpen passen in het beeld dat kunstenaarsbiograaf Pieter Scheen van Van Prooijen schetst, namelijk als kunstschilderes van stillevens en bloemstukken.[8] Ook voor haar vertrek naar Italië schildert Van Prooijen bloemen, zoals rododendrons, waarvan ze in 1890-1891 (in Maastricht) en in 1893 (bij kunsthandel M.L. Delboij te Den Haag) voorbeelden tentoonstelt. In 1991 wordt er bovendien een schilderij met hortensia’s van Van Prooijen geveild. Volgens de veilingcatalogus is het doek gesigneerd en gedateerd 1893.[9] Ook exposeert ze op de genoemde tentoonstelling van Haagse kunstenaressen in 1929 een “groot en licht vruchten-stilleven”.

Landschappen

Het oeuvre van Van Prooijen is echter diverser dan dat en omvat veel meer dan bloemen en stillevens. Een journalist van Het vaderland (5 april 1933) schrijft bijvoorbeeld naar aanleiding van haar overlijden dat Van Prooijen vooral landschappen maakt. Wellicht schildert ze de omgeving als ze haar vakanties doorbrengt in schilderachtige plaatsjes, zoals Scheveningen. Ze is daar namelijk in de zomer van 1902 volgens Het vaderland (8 augustus 1902).

Bovendien is Italië, waar ze gedurende haar lange verblijf in het buitenland woont, een bron van inspiratie. Lagune bij Venetië dat ze in 1931 in de Van Dijkzaal aan de Hooge Nieuwstraat te Den Haag tentoonstelt, is ongetwijfeld ontstaan tijdens een van de studiereizen die ze tussen 1910 en 1926 maakt, of ter herinnering daaraan. Een recensent van Haagsche courant (16 mei 1931) beschrijft het Italiaanse landschap overigens als “teer van licht en wijd van ruimte”.

In de zomer van 1931 verblijft ze bovendien in pension Huize ’t Witte Huis te Bergen volgens Bergensche bad-, duin- en boschbode (20 juni 1931) waar ze ongetwijfeld ook tekent. Een resultaat daarvan zijn de duinlandschappen die ze het jaar erop tijdens een tentoonstelling van de club Odis exposeert. Behalve aan het landschappen wijdt ze zich bovendien aan het stadsgezicht. In 2014, ten slotte, kwam een schilderij van Van Prooijen onder de hamer, met de titel Stadrand met marinewerf.[10]

Genretaferelen en portretten

Zwart-wit foto van een schilderij met paarden langs de rand van een pad. Daarbij staat een groepje mensen.
Anna Maria van Prooijen, Het nieuwste bericht, olie op paneel, 10,5 x 19 cm. Bron: Artnet

Op 26 mei 1993 – en opnieuw op 11 juni 1994 – kwam er bij een Duits veilinghuis vervolgens een werk van Van Prooijen op de markt onder de Duitse titel Het nieuwste bericht. Hoewel het schilderij slechts bekend is van een slechte foto, is duidelijk zichtbaar dat Van Prooijen hier een landschap met een genretafereel combineert. Het paneel toont namelijk een gezelschap dat paarden aan de rand van een landweg laat uitrusten.

Ten slotte noemt eerder genoemde journalist van Het vaderland (5 april 1933) portretten van Van Prooijen. Ook daarvan zijn enkele voorbeelden op tentoonstellingen te zien, bijvoorbeeld in 1930, wanneer ze een Studiekop exposeert. Van Prooijens thematiek is dus veel gevarieerder dan je op basis van Scheens biografie zou vermoeden.

Waardering

Uit de reacties van de pers blijkt de waardering die Van Prooijen voor haar geëxposeerde doeken krijgt. Na haar dood schrijft een verslaggever bovendien:

Zij was steeds vol belangstelling voor haar vereeniging en op menige tentoonstelling van Odis mocht haar werk veel waardeering ondervinden.

Hoewel de pers de tentoonstellingen van Odis vaak gunstig bespreekt, wordt samenstelling van de vereniging toch wel eens met enig dédain bekeken. Zo schrijft een journalist van Haagsche courant (23 mei 1930): “Er is hier, tusschen middelmatigs of onbelangrijks, menig heel verdienstelijk staal van ’t werk dezer schilderessen, die geenszins allen slechts schilderende dames zijn.” Hier schemert enige minachting door voor sommige van de leden, hoewel ieder die zich bij Odis wil aansluiten weldegelijk door een ballotage moet. Hieruit blijken toch de onderliggende vooroordelen waar veel schilderende vrouwen mee te maken krijgen. Het is tegelijkertijd een voorbeeld van vooringenomenheid die tot de oprichting van Odis leidt.

Overlijden

Op 5 april 1933 overlijdt Van Prooijen.[11] Uit de opkomst bij haar crematie op 7 april blijkt nogmaals de populariteit van de kunstenares. Onder andere spreken Spanjaard en de bevriende hoogleraren Abraham Frans Gips en Johan Adriaan Vollgraff over de overledene.

In Den Haag krijgt haar overlijden ook in de pers ruime aandacht. De Haagsche vrouwenkroniek en Maandbulletin van het Nationaal Bureau voor Vrouwenarbeid besteden bijvoorbeeld aandacht aan de overleden kunstenares. De verslaggever van De Haagsche vrouwenkroniek schrijft bijvoorbeeld dat zij “in het Haagsche kunstleven een zeer geziene figuur” was.[12] Een andere noemt haar “de bekende schilderes”.[13]

Ook in de nationale pers wordt haar overlijden besproken. Dezelfde dag nog verschijnt namelijk een in memoriam in de sectie Kunst en Letteren van Het vaderland (5 april 1933). Daarin komt vooral haar werk voor Odis ter sprake.

Kunstcollectie

De ruime aandacht in de pers voor Odis hoeft niet te verbazen. De kunstenares legt in haar laatste levensjaren namelijk een grote liefde voor de kunstenaarsvereniging aan de dag. Haar ijver blijkt ook na haar dood, wanneer zij het werk dat zij voor tentoonstelling van Odis bestemd had, aan de vereniging nalaat. In dankbaarheid wijden de leden van de vereniging vervolgens een in memoriam hoekje aan Van Prooijen op hun volgende tentoonstelling. “Deze daad van piëteit getuigt voor den geest van Odis,” schrijft vervolgens een verslaggever met de initiaal R. in De Haagsche vrouwenkroniek, waaruit wel blijkt dat de toewijding wederzijds is.[14]

Enkele maanden later komt vervolgens de kunstcollectie van Van Prooijen onder de hamer. Tijdens haar leven heeft ze een grote verzameling aangelegd die op 27 juni in Koninklijke Kunstzaal Kleykamp wordt geveild, volgens Algemeen Handelsblad (24 juni 1933). De collectie mag imposant genoemd worden. Onder de kunstwerken bevindt zich namelijk onder andere werk van Anna Abrahams, George Breitner, Jacob en Matthijs Maris, Anton Mauve en Jan Toorop volgens bericht in Het vaderland (23 juni 1933).

Ten dele zal de collectie het werk bevat hebben van kunstenaars waarmee Van Prooijen bevriend was. Dat geldt zeker voor Jan Toorop met wie Van Prooijen ook gecorrespondeerd heeft. In het jaar van Van Prooijens overlijden schenkt Charley Toorop, kunstenares en dochter van Jan Toorop, drie brieven van haar vader, gericht aan Van Prooijen, aan de Koninklijke Bibliotheek.[15]

Verre familie

Van Prooijen heeft dus een groot sociaal netwerk. Naaste familie heeft zij op het moment van haar overlijden echter niet meer. Zij heeft slechts “verre familie in Amerika” volgens Vollgraff die tijdens haar uitvaart spreekt.[16] Haar oudste broer Hubertis is immers naar Amerika geëmigreerd.[17]

Hubertis is echter overleden wanneer Anna Adriana van Prooijen sterft. Na het vroegtijdige overlijden van Wilhelmina Cornelia in 1866 en Johan Mathijs in 1867 – die ter sprake kwamen in de blogpost ‘Onvermoeid aan het werk’ – heeft Van Prooijen nog haar vader, moeder en drie broers: Hubertis Bernard Adrianis, Adriaan Bernard en Bernard Hendrik. Vader overlijdt in 1882, broer Adriaan in 1894.[18] Die laatste is dan pas 42 jaar oud.

Overlijdensadvertentie van Bernard Hendrik van Prooijen, geplaatst door Anna Adriana van Prooijen.
Familiebericht in Algemeen Handelsblad (28 november 1927), p. 8. Bron: Delpher

Moeder Adriana van Heel overlijdt in 1902.[19] Onder haar overlijdensadvertentie in Algemeen handelsblad (27 december 1902) staat alleen de naam van Anna Adriana. Die plaatst de advertentie “uit aller naam” waarmee dus die van haar broer Bernhard en mogelijk Hubertis worden bedoeld. Echter, wanneer Bernardus in 1927 overlijdt, laat Anna Adriana van Prooijen een overlijdensadvertentie plaatsen waarin zij het overlijden van haar “eenige Broeder” betreurt. Hubertis leeft dan blijkbaar ook al niet meer. De “verre familie” waaraan Vollgraff tijdens de uitvaart refereert, woont dus niet alleen ver weg, maar is ook qua bloedverwantschap ver verwijderd.

Tweedeling

Aan het einde van mijn post ‘Onvermoeid aan het werk’ stelde ik al vast dat het leven van Van Prooijen een duidelijke tweedeling kent. Tot 1910 werkt ze als tekenonderwijzeres en na 1926 is ze vooral actief als kunstschilderes. Toch zijn er duidelijke rode lijnen te trekken die de twee delen van haar leven onlosmakelijk met elkaar verbinden. Allereerst kent Van Prooijen gedurende haar hele leven een grote maatschappelijke betrokkenheid. Vóór haar pensionering zet zij haar organisatietalent en enorme netwerk in om aandacht te vragen voor hervormingen in het tekenonderwijs, zoals ik ze ter sprake bracht in mijn voorgaande blog ‘Kunst boven de natuur’. Na 1926 gebruikt Van Prooijen diezelfde kwaliteiten om vrouwelijke kunstenaars in Den Haag te verenigen, zichtbaar te maken en zo te emanciperen.

Ten tweede is schoonheid een belangrijke drijfveer voor Van Prooijen, zowel tijdens haar onderwijsloopbaan als na haar pensionering. In haar ideologie als onderwijshervormer staat het ontwikkelen van een schoonheidsgevoel bij kinderen centraal. Ook als kunstenares laat ze zich leiden door een streven naar schoonheid. Niet voor niets wordt de naam van de schilderessenvereniging die ze met Spanjaard opricht ‘Ons Doel Is Schoonheid’.

Als onderwijzeres spreekt ze bovendien de overtuiging uit dat een tekenleraar ook altijd kunstenaar moet zijn. Met die opmerking lijkt de onderwijzeres haar ware aard prijs te geven. In haar gaat immers een kunstenaar schuil die tijdens haar onderwijsloopbaan geen kans krijgt om zich te ontplooien. Niet voor niets meent de bevriende hoogleraar Gips dat Van Prooijen een kunstenares van faam zou zijn geweest als zij niet “om der bestaans wille” een onderwijscarrière had moeten vervullen.[20] Pas na pensionering van de onderwijzeres, die Van Prooijen tot 1910 is, krijgt de kunstenares kans om zichzelf te laten zien.


Tentoonstellingen

Omdat Van Prooijen pas na haar pensionering als kunstenares aan de slag gaat, is het misschien niet zo vreemd dat er maar zo weinig schilderijen van haar bekend zijn. In overzichten van veilingen ben ik haar naam bijna niet tegengekomen. Toch valt er op basis van een levensbeschrijving en een tentoonstellingsoverzicht wel iets meer over haar werk te zeggen. Hoewel ze in haar kunstenaarsbiografieën vooral herinnerd wordt als schilderes van stillevens en bloemen, blijkt dat ze zich daarnaast ook toelegt op landschappen. Uit ‘Studiekop’, in 1930 tentoongesteld, blijkt ten slotte dat ze soms ook aan portretten wijdt.

Zwolle 1888: Tentoonstelling van kunstwerken ter verloting ten behoeve der kunststudiën van een veelbelovend jongmensch, gehouden in de bovenzaal der sociëteit De Harmonie, 16 december [aankondiging in Maandblad gewijd aan de belangen van het teekenonderwijs en de kunstnijverheid in Nederland 5, nr. 7 (1888), p. 1 via Delpher]

  • “Studie naar levend model”

Maastricht 1890-1891Internationale tentoonstelling van schilderijen, aquarels, teekeningen, etsen, enz. en beeldhouwwerk, 21 december – 18 januari

  • “Begonia Rex en Rhododendrums” (nr. 480)

Den Haag, kunsthandel M.L. Delboij, 1893: Expositie [aankondiging in Dagblad van Zuidholland en ’s Gravenhage (17 oktober 1893), p. 2 via Delpher]

  • “Rhododendrons”

Den Haag 1898: Nationale tentoonstelling van vrouwenarbeid [Dagblad van Zuidholland en ’s Gravenhage (12 augustus 1898), p. 6 via Delpher]

  • “O Tannenbaum!”, ontwerp voor een smyrnatapijt
  • “tekeningen” op de afdeling Onderwijs

Zwolle 1902: Tentoonstelling van kunstwerken te verloten voor liefdadig doel, gehouden in De Harmonie [verslag in Nieuwe Groninger courant (22 december 1902), p. 2 via Delpher]

  • “onbekend”

Amsterdam 1906: Tentoonstelling van werken van oud-leerlingen van de Rijksnormaalschool van Teekenonderwijzers en de School voor Kunstnijverheid in het Suasso-Museum, september [aankondiging in Het nieuws van den dag (30 juli 1906), p. 13 via Delpher]

  • “onbekend”

Den Haag 1929: Tentoonstelling van Haagsche kunstenaressen in Koninklijke Kunstzaal Kleykamp [recensie in Haagsche courant (8 juni 1929), p. 22 via Delpher]

  • “groot en licht vruchten-stilleven”

_ 1930: Tentoonstelling van Schilderessenclub Odis [recensies in Haagsche courant (23 mei 1930), p. 26 via Delpher] en K. in De Haagsche vrouwenkroniek 17, nr. 21 (1930), p. 3 [Delpher].

  • “tulpen”
  • “een studiekop”

Renkum, Pictura Veluvensis, 1930: 28ste tentoonstelling van kunstwerken, vervaardigd door werkende leden, 12 juli – 7 september [verslag in Utrechtsche courant (15 juli 1930), p. 9 via Delpher].

  • “werk”

Den Haag 1931: Tentoonstelling Odis [recensie in Haagsche courant (16 mei 1931), p. 22 via Delpher]

  • “Lagune bij Venetië”
  • “fleurige rozen”

_ 1932: Crisistentoonstelling

  • “Tulpen bij kunstlicht” [aangekocht volgens Het vaderland (16 maart 1932), p. 1 via Delpher]

_ 1932: Tentoonstelling van Schilderessenclub Odis [recensie in Haagsche courant (21 mei 1932), p. 3 [Delpher]

  • “frissche duinlandschappen”

_ 1933: Tentoonstelling van werk door Haagsche schilderessen bij Kleykamp [recensie in Algemeen handelsblad (8 juli 1933), p. 9 via Delpher]

  • “bediening van Bellino” (postuum)

Literatuur

Catalogi

  • Cat. Maastricht 1890Internationale tentoonstelling van schilderijen, aquarels, teekeningen, etsen, enz. en beeldhouwwerk (buiten programma) te Maastricht, georganiseerd door de Societeit Momus. Afdeeling: Beeldende Kunsten (Maastricht: Leiter-Nypels), p. 34. [Google Books en RKD Library]

Overig

  • Hostyn, Norbert en Willem Rappard, Dictionaire van Belgische en Hollandse bloemenschilders geboren tussen 1750 en 1880 (Knokke-Zoute 1995).
  • Scheen, Pieter A., Lexicon Nederlandse beeldende kunstenaars, 1750-1880, herziene ed. (Den Haag: Scheen, 1981).

Noten

[1] ‘Verassching Mej. A.A. van Prooyen’, Het vaderland (7 april 1933), p. 2 [Delpher]. Over Vollgraff, zie H.A.M. Snelders, ‘Vollgraff, Johan Adriaan (1877-1965)’, in Biografisch Woordenboek van Nederland [Resources Huygens Instituut].

[2] Ze woont in bij Celius van Starckenborg van Straten. Zie Streekarchief Gooi en Vechtstreek te Hilversum, archief SAGV066 – Bevolkingsregister Laren, inv.nr. 80, aktenr. 120, folio Veldweg [Archief Gooi- en Vechtstreek]. Voor de verhuizing van Celius van Starckenborg van Straten van de Veldweg 24, zie Streekarchief Gooi en Vechtstreek te Hilversum, archief SAGV066 – Bevolkingsregister Laren, inv.nr. 80, aktenr. 120, folio Ruiterweg [Streekarchief Gooi en Vechtstreek].

[3] Haags Gemeentearchief, archief 0354-01, inv.nr. 1398, 1913, Haags Bevolkingsregister (gezinskaarten) [Haags Gemeentearchief].

[4] Id.

[5] ‘Verassching Mej. A.A. van Prooyen’, Het vaderland (7 april 1933), p. 2 [Delpher].

[6] Haags Gemeentearchief, archief 0750-01 Vereniging ‘Ons doel is schoonheid’ (ODIS).

[7] Zie De Haagsche vrouwenkroniek 18, nr. 5 (1931), p. 6 [Delpher].

[8] Scheen 1981, p. 412. Zie ook Hostyn en Rappard 1995, p. 308.

[9] Den Haag, Venduehuis Dickhaut Maastricht, veiling 23 april 1991, lot 160 [Invaluable].

[10] Website Artprice, zonder illustratie.

[11] Haags Gemeentearchief, archief 0335-01, inv.nr. 1588, 06-04-1933, Overlijdensakten Den Haag, aktenr. 1375 [Haags Gemeentearchief].

[12] De Haagsche vrouwenkroniek 20, nr. 14 (1933), p. 8 [Delpher].

[13] Maandbulletin van het Nationaal Bureau voor Vrouwenarbeid 14, nr. 3 (1933), p. 4 [Delpher].

[14] De Haagsche vrouwenkroniek 20, nr. 27 (1933), p. 3 [Delpher].

[15] Brieven van Jan Toorop (1858-1928), geschreven aan Anna van Prooijen. Den Haag, Koninklijke Bibliotheek, Toorop-archief Map 1a: NBM Mfm KW TOOROP. De schenking wordt genoemd in De Nederlander (22 augustus 1933), p. 3 [Delpher].

[16] ‘Verassching Mej. A.A. van Prooyen’, Het vaderland (7 april 1933), p. 2 [Delpher].

[17] Op 21 juli 1869 is hij met Elisabeth Streefkerck trouwt, terwijl hij in Salzbergen (Pruissen) woont. Zie Zeeuws Archief, archieftoegang 25, inv.nr. VLI-H-1869, 21 juli 1869, aktenr. 46 [Zeeuws Archief]. Daaraan voorafgaand is op 9 februari 1869 hun dochter Mathilda Adriana geboren. Zie id., archieftoegang 25, inv.nr. VLI-G-1869, 06-03-1869, Vlissingen geboorteakten burgerlijke stand, aktenr. 4 [Zeeuws Archief]. Het echtpaar Van Prooijen-Streefkerck gaat vervolgens met hun dochter Mathilda Adriana in Goes wonen. Op 28 mei 1872 overlijdt hun jonge dochtertje, pas 3 jaar oud. Zeeuws Archief, archieftoegang 25, inv.nr. VLI-O-1872, 1872, aktenr. 149 [Zeeuws Archief]. In juni 1872 emigreert Hubertis vervolgens naar Noord-Amerika, op de voet gevolgd door zijn vrouw en hun tweede dochter Adriana Wilhelmina. Zie Zeeuws Archief, archieftoegang 7434, inv.nr. 510, 1860-1890, Vlissingen, bevolkingsregister 1860-1890 deel S1, folio 204 [Zeeuws Archief]. Voor de geboorte-akte van Adriana Wilhelmina, zie is., archieftoegang 25, inv.nr GOE-G-1871, 10-04-1871, aktenr. 72 [Zeeuws Archief].

[18] Voor de overlijdensakte van Barend van Prooijen, zie AlleGroningers, BS Overlijden Bron: boek, Periode: 1882, Groningen, 22 november 1882, Overlijdensregister 1882, aktenr. 1026 [AlleGroningers], voor Adriaan Bernard, zie Brabants Historisch Informatie Centrum, archief 50, inventaris­num­mer 680, Overlijdensregister Bergen op Zoom 1894, aktenummer 209 [BHIC].

[19] Voor de overlijdensakte van Adriana van Heel, zie AlleGroningers te Groningen, BS Overlijden Bron: boek, Periode: 1902, Groningen, 26 december 1902, Overlijdensregister 1902, aktenr. 1259 [AlleGroningers],

[20] ‘Verassching Mej. A.A. van Prooyen’ in Het vaderland (7 april 1933), p. 2 [Delpher].

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Back to Top