Verlies voor de kunst

Er zit een eigenaardige discrepantie in het vroege en latere artistieke leven van bloem- en fruitschilderes Cornelia Maria Haakman (1787-1834). Enerzijds zijn er enkele werken van haar bekend, met signatuur en datering. Hieruit volgt dat ze die allemaal maakt vóór haar huwelijk met dichter en schrijver Willem Hendrik Warnsinck (1782-1857) in 1807. Anderzijds duikt haar naam op in catalogi van Amsterdamse tentoonstellingen vanaf 1814. Deze deelname dateert dus van na haar huwelijk. Vanwege de catalogi weten we zeker dat Haakman tijdens haar getrouwde leven nog steeds veelvuldig tekent en schildert op papier. Echter, werk uit die tijd is niet bekend en dat is vreemd voor iemand wier vroegtijdig overlijden “een verlies voor de kunst” wordt genoemd.

Meer inzicht in het leven en werk van Haakman krijgen we gelukkig toch, als we bijvoorbeeld gelegenheidsgedichten in ogenschouw nemen waarin haar artistieke talent expliciet aan bod komt. Ook Haakmans hechte vriendschap met dichteres Petronella Moens verdient hernieuwde aandacht.

Oude meesters

Cornelia Maria Haakman brengt al vóór haar huwelijk een groot deel van haar tijd met tekenen door. Haar vroegst bekende werk dateert bijvoorbeeld van 1803. Het dook op tijdens een veiling in Londen in 1990, ook al is er helaas alleen een zwart-wit foto van bekend. Toch wordt duidelijk dat Haakman veel inspiratie trekt uit stillevens van oude meesters.

Voor dit weelderige bloemstuk grijpt Haakman terug op de gevulde en asymmetrische boeketten van de Amsterdamse schilder en tekenaar Jan van Huijsum (1682-1749). Van Huijsums paneel is weliswaar in een andere techniek, namelijk olieverf, dan het getekende werk op papier van Haakman, maar de compositie met de uittorenende keizerskroon als blikvanger komt grotendeels overeen. Ook de terracotta vaas met putti en de stenen plint zijn vergelijkbaar.

Eigen ogen

Cornelia Maria Haakman kan Van Huijsums werk met eigen ogen hebben gezien. Het hierboven afgebeelde bloemstuk is nu in Los Angeles County Museum, maar rond 1800 nog in Amsterdam. Dan schaft Pieter, baron de Smeth, het immers aan voor 3000 florijnen. Ook daarvoor bevond het zich in een de Amsterdamse kunstcollectie van Gildemeester die kunstliefhebbers indertijd graag bezochten (Walsh 1990, p. 112).

Schilderij van een siervaas met bloemen, van Jan van Huijsum, gesigneerd en gedateerd 1723,
Jan van Huijsum, Siervaas met bloemen, gesigneerd en gedateerd 1723, olie op paneel, 81 x 61 cm. Amsterdam, Rijksmuseum, SK-A-188. Bron: Rijksstudio

Op een ander schilderij van Van Huijsum zien we een vaas met putti in dezelfde houding. De organisatie van dit boeket is iets anders, met de keizerskroon die anders is gepositioneerd, maar de compositie van putti op de vaas is vergelijkbaar. Hier zien we bovendien een vogelnestje, zoals bij Haakman.

Aquarel van een siervaas met bloemen, gesigneerd door Cornelia Maria Haakman en gedateerd 1805
Cornelia Maria Haakman, Siervaas met bloemen, gesigneerd en gedateerd 1805 (linksonder), waterverf op dik papier, 32,1 x 24,3 cm. Onbekende collectie. Bron: Invaluable.com

Duidelijk mag zijn dat Haakman niet letterlijk naar Van Huijsum en anderen kopieert maar vrijelijk door de werken van de oude meester grasduint. Vervolgens maakt ze nieuwe samenstellingen in kleiner formaat, losjes gebaseerd op bekende voorstellingen.

Zilveren bruiloft

Als haar ouders in 1806 hun zilveren bruiloft vieren, schrijven Cornelia’s broers Hermannus en Gerrit Cornelis gedichten bij deze bijzondere gelegenheid. In zijn verzen beschrijft Hermannus kort zijn zus Cornelia Maria:

Uw dochter streelt uw huislijk leven

Doet op papier ’t natuurschoon zweeven

Of beurt u op door geestigheid.

– Hermannus Haakman in Huwelijkszangen (1806), p. 9 via Google Books.

Het is bijzonder dat Hermannus de artistieke activiteiten van zijn zus expliciet benoemt. Klaarblijkelijk maakten deze een essentieel deel uit van haar bezigheden. Inderdaad weten we door haar overgeleverde stillevens dat Cornelia Maria dan al jaren schildert. Haar vroegst bekende werk dateert immers van 1803. Ook zijn er werken van haar bekend die ze in 1805 en 1806 maakte. [1]

Aquarel van een siervaas met bloemen en insecten, getekend door Cornelia Maria Haakman in 1806
Cornelia Maria Haakman, Siervaas met bloemen en verschillende insecten, gesigneerd en gedateerd 1806 (rechtsonder), potlood en waterverf op papier, 33,8 x 27,8 cm. Onbekende collectie. Bron: RKD Explore

Niet alleen Hermannus bezingt haar schildertalent in de huwelijksgedichten Ter zilveren bruilofte. Nadat ook Cornelia Maria de pen ter hand genomen heeft, is de zilveren bruidegom zelf aan de beurt. Die beschrijft eerst zijn beide zonen en ten slotte zijn jongste:

Zo ‘k de deugden op ging noemen van mijn’ waarden Benjamin,

Uw hartentrekster! Cornelia, vreugde van het gantsch gezin;

‘k Maakte mij aan vleitaal schuldig, roemde ik op haar kunstbeleid,

Zij zou, als haar bloemen, bloozen; ‘k kwetste dan haar zedigheid.

– Isaac Haakman in Ter zilveren bruilofte (1806), p. 36 via Google Books

Isaac Haakman wil zijn dochter niet in verlegenheid brengen, schrijft hij, maar noemt – zoals iedere trotse vader zou doen – haar bijzondere verdiensten toch. Het was dan ook gebruikelijk in dit soort poëzie om deugden te benadrukken. Daarom maakt Isaac Haakman de vergelijking tussen zijn dochter en haar blozende bloemen: Voor hem symboliseren deze haar deugdzaamheid. Tegelijkertijd is het betekenisvol dat hij ervoor kiest om haar met haar stillevens te kenschetsen, zoals Hermannus deed.

Huwelijk

Ook dichter en schrijver Willem Hendrik Warnsinck Bernsz bezingt Isaac Haakman en Helena Adriana Styger bij hun zilveren huwelijk. Hij was Haakmans verloofde: Op 16 april 1807 gaan zij in Amsterdam in ondertrouw, blijkt uit het ondertrouwregister in Stadsarchief Amsterdam. Die akte toont tevens de krullende handtekening van Cornelia Maria Haakman, onder die van haar kersverse echtgenoot.

Akte van ondertrouw van Willem Hendrik Warnsinck en Cornelia Maria Haakman met beider handtekening
Akte van ondertrouw van Willem Hendrik Warnsinck en Cornelia Maria Haakman. Stadsarchief Amsterdam, Ondertrouwregister
Deel: 655, Periode: 1806-1807, Amsterdam, 16 april 1807, Ondertrouwregister, folio p. 320. Bron: open archieven

Bij deze bruiloft verschijnt wederom een boekje, getiteld Huwelijkszangen, waarin vrienden en familie het echtpaar bezingen. Aangezien het om dezelfde familie gaat, zijn weer dezelfde personen aan het woord. Ook in deze bundel beschrijft Haakmans vader zijn geliefde dochter:

Zal ik, door waan vervoerd, ten breedsten af gaan malen,

Hoe gij ons vruchten schenkt met bloemen op papier?

Zal ik, tot uwen lof, uw deugden hier verhalen?

Dan wierd mijn zang getooid met een’ verkeerden zwier.

Opnieuw zijn Haakmans schildertalenten onderwerp van zang. Helaas gaat Isaac Haakman niet verder in op Cornelia Maria’s schildertalent, maar het mag duidelijk zijn: Hij acht haar talent voor “vruchten … met bloemen op papier” bijzonder genoeg om het steeds weer tussen neus en lippen door te noemen.

Aquarel van een fruitstilleven met noten en vlinder op marmeren blad, getekend door Cornelia Maria Haakman in 1805
Cornelia Maria Haakman, Fruitstilleven met noten en vlinder op marmeren blad, gesigneerd en gedateerd 1805 (linksonder), waterverf op papier, 33,5 x 27,5 cm. Onbekende collectie. Bron: RKD Explore

Tentoonstellingen

Het echtpaar Warnsinck krijgt tussen 1808 en 1817 vier kinderen. Op 28 april 1808 wordt allereerst een dochter geboren: Jacoba Hermina. Op 22 maart 1811, drie jaar later, komt een zoon ter wereld. Deze krijgt de naam Isaac naar Haakmans vader. Op 21 januari 1815 wordt vervolgens Hendriëtta Theodora geboren en op 26 oktober 1817 ten slotte Willem Hendrik.

Daarnaast blijft Haakman tekenen. Ze gaat haar stillevens in waterverf vervolgens exposeren op tentoonstellingen van levende meesters in Amsterdam (zie het tentoonstellingsoverzicht hieronder). Vanaf 1814 doet Haakman mee aan de tweejaarlijkse tentoonstellingen, tot en met 1822. In 1816 exposeert ze bijvoorbeeld een “Bloemstuk, in kleuren, geteekend”, in dat laatste jaar ten slotte een stilleven met schelpen.

Kunstminnaresse

Alleen op de tentoonstelling van 1820 is ze om onbekende redenen afwezig. In dat jaar – 1820 – nemen kunsthistorici Roeland van Eijnden en Adriaan van der Willigen haar echter wel op in hun encyclopedische overzichtswerk Geschiedenis der Vaderlandsche schilderkunst. Daarin schrijven zij:

C.M. Warnsinck, geboren Haakman, kunstminnaresse te Amsterdam, schildert op eene verdienstelijke wijze Bloemen en Vruchten.

Geschiedenis der Vaderlandsche schilderkunst sedert de helft der XVIIIe eeuw (Haarlem 1820), dl 3, p. 361-362 via Google Books

Het geeft maar aan dat Haakman gedurende haar getrouwde leven faam als tekenares blijft genieten. Toch kan geen enkel overgeleverd werk aan een tentoonstelling worden gekoppeld. De overgeleverde stukken pre-dateren immers alle het huwelijk in 1807. De tentoonstellingen waaraan Haakman deelneemt, daarentegen, dateren van na de bruiloft. In de catalogi staat Haakman dan ook consequent vermeld als “C.M. Warnsinck, geb. Haakman, te Amsterdam”, niet als “Haakman” zoals ze haar werk voor haar trouwen signeert.

Literaire kringen

Na haar huwelijk met dichter en schrijver Willem Hendrik Warnsinck verkeert Cornelia Maria Haakman in literaire kringen. Onder de vrienden van het echtpaar bevindt zich bijvoorbeeld de dichteres, roman- en kinderboekenschrijfster Petronella Moens (1762-1843). Over Moens schrijft historica Ans Veltman-van den Bos bijvoorbeeld:

Zij raakte zeer goed bevriend met de Warnsincks en zij verbleef dikwijls op hun landgoed Willemsoord bij Overveen.

– Veltman-van den Bos in Petronella Moens (2000), p. 71

Toch is de naam van Cornelia Maria Haakman verder niet te vinden in de studie van Veltman-van den Bos over Moens. Eigenlijk is dat vreemd, want Haakman was een goede vriendin. Ter illustratie, zij ondertekent, samen met haar man, een bijdrage aan het vriendenboek van Moens, gedateerd op 29 juni 1819.

Bijdrage van WIllem Hendrik Warnsinck Bernsz. en Cornelia Maria Haakman aan het vriendenalbum van Petronella Moens, gedateerd 29 juni 1819
Bijdrage van Willem Hendrik Warnsinck Bernsz. en Cornelia Maria Haakman aan het vriendenalbum van Petronella Moens, gedateerd Amsterdam, den 29 van zomermaand 1819. Stichting Petronella Moens, in bruikleen van het Letterkundig Museum te Den Haag sinds 2001, bewaard in KB – Nationale Bibliotheek van Nederland, signatuur 79 L 5, f. 91v. Bron: KB Digitaal topstuk

Hollandse kleding

Bovendien lijkt het drietal elkaar op politiek en cultureel vlak te stimuleren. Moens en Haakman schrijven bijvoorbeeld beide voor Euphrosyne. Tijdschrift voor de Hollandsche kleding (1832). Dat tijdschrift stelt zich als voornaamste doel om een nationale klederdracht in Nederland te introduceren, naar een idee dat Warnsinck in belangrijke mate propageert (lees o.a. Jensen 2001, p. 222). In maart van hetzelfde jaar verschijnt er bovendien een tegenhanger, gewijd aan mannenkleding: Proteus. Tijdschrift voor de Hollandse Heerenkleding en ter bevordering van nationale nijverheid. In de bladen uit zich bovenal de aversie tegen Franse invloeden waaraan de redacteurs met behulp van een nieuwe klederdracht tegengewicht hopen te bieden. [2]

Illustratief voor de gedeelde interesses van het drietal is ook Haakmans naam op de intekenlijst in het vrouwentijdschrift Penelope in 1822. Behalve kunstzinnig handwerk heeft dit blad een groot lectuurkatern waarvoor ook schrijfsters als Moens inzenden. Enerzijds toont de intekening dus Haakmans aandacht voor proza en poëzie, maar het verraadt ook haar gelijkgestemde nationalistische inclinatie. Penelope beoogt vanaf 1830 immers eveneens de nationale klederdracht.

De verwantschap tussen de tijdschriften blijkt nogmaals als Penelope’s redactie haar lezeressen aanspoort om over het onderwerp van de Nederlandse kleding vooral Euphrosyne te raadplegen (1830, p. 328). Ook zou Penelope’s redactie in 1834 een brief plaatsen van PM die daarin ageert tegen de “wufte dart’le Fransche mode”. Mogelijk gaat het hier om Petronella Moens, opperde literatuurhistorica Lotte Jensen (2002, p. 223).

Uit deze voorbeelden blijkt dat de stemmen van Haakman, Moens en Warnsinck vaak gelijkgestemd klinken. De thema’s die in de tijdschriften tot uitdrukking komen, zullen in huize Warnsinck veelvuldig aan bod zijn geweest en het is niet altijd duidelijk wie waarin het voortouw neemt.

Leerschool voor meisjes

Daarnaast onderstrepen Moens en Warnsinck in hun gezamenlijk werk ’s Menschen begin, midden en einde het belang van tekenen en schilderen als nuttige tijdsbesteding voor de jeugd, vooral voor meisjes.

Geen huisvader of huismoeder, die door penseel en verwen de schoone natuur op het spoor leerde volgen, zal ooit ledige uren of pijnigende zelfverveling kenne

– Moens en Warnsinck in ’s Menschen begin, midden en einde (1824), p. 40 via dbnl

Iemand die jong leert tekenen, zal daar op latere leeftijd profijt van hebben, zo beweren zij.

Voorstelling van nuttig vermaak voor de jeugd met een tekenende vrouw, gravure uit 's Menschen begin, midden en einde
Uitspanning, gravure in Moens’ en Warnsincks ’s Menschen begin, midden en einde (1824), p. 4. Bron: dbnl

Uiteraard kan een tijdsbesteding voor de jeugd ook zingen of musiceren zijn. Voorbeelden daarvan zien we op de bijbehorende gravure in ’s Menschen begin, midden en einde. Op de voorgrond bespeelt een jongeman een virginaal, terwijl twee vrouwen daarbij zingen. Bij het raam zit ten slotte een jonge vrouw een rozenstruik te tekenen. Het had zomaar een jeugdportret van Cornelia Maria Haakman geweest kunnen zijn.

Jacoba Hermina

Zeker is dat Haakman de artistieke talenten van haar eigen kinderen op eenzelfde wijze stimuleert. Immers, op de Amsterdamse tentoonstelling in 1824 treffen we een “Een Bloemteekening op fluweel” van mejuffrouw J.H. Warnsinck (nr. 410). Hoewel deze bijdrage wel aan Cornelia Maria Haakman is toebedeeld, hebben we hier waarschijnlijk met haar 16-jarige dochter Jacoba Hermina van doen. Niet alleen stemmen de voorletters overeen, de exposant wordt bovendien met mejufvr. aangeduid. Deze titel is gereserveerd voor ongetrouwde vrouwen.

Het is dan ook de bloemtekening van Jacoba Hermina Warnsinck die in de Beschouwing der kunstwerken naar aanleiding van de Amsterdamse tentoonstelling wordt genoemd en geprezen:

Fraai ook was het zeegezigt van Plugger met O. I. inkt, die van Carp en Eelkema, gelijk ook die van Thijs en van Mejufvr. Warnsink, De Kruyff, Mejufvr. Medts en Munster goed waren uitgevoerd.

Beschouwing der kunstwerken van de nog in leven zijnde Nederlandsche meesters (Amsterdam 1824), p. 31 via RKD Explore.

Het ligt voor de hand dat Jacoba Hermina in haar jeugd tekenlessen krijgt van haar eigen moeder. Misschien is het ook wel haar moeder die haar stimuleert om een werk in te zenden naar de Amsterdamse tentoonstelling, zoals zijzelf in het verleden vaker deed.

Verlies voor de kunst

Haakman overlijdt in 1834 in Arnhem in een logement aan de Rijnstraat, op 47-jarige leeftijd. Kunsthistoricus Johannes Immerzeel neemt haar vervolgens op in zijn Levens en werken en schrijft naar aanleiding van haar vroegtijdige dood:

Het was niet alleen een treffend verlies voor hare dierbare betrekkingen, maar ook voor de kunst, dat deze begaafde Dame in den bloei des levens te Arnhem op den 14 Julij 1834 kwam te overlijden.

– Johannes Immerzeel, De levens en werken der Hollandsche en Vlaamsche kunstschilders (1842), p. 219-220 via Google Books.

Maar de waardering houdt niet aan. In 1913 krijgt één van haar aquarellen bijvoorbeeld een plaats op de historische afdeling van de tentoonstelling ‘De vrouw 1813-1913’, bijna 100 jaar na Haakmans eerste tentoonstelling in 1814. Dan kan het bloemstilleven niet ieders goedkeuring wegdragen. Het organiserend comité schrijft immers zelf over de historische afdeling als geheel:

De schilderkunst wordt vertegenwoordigd door ‘lieve bloem- en fruitstukjes’ en enkele portretten, een en ander vervaardigd door dames ‘uit den deftigen stand’. Enkelen zonden haar werk wel eens op eene tentoonstelling in, maar dit werd toen zeer geëmancipeerd gevonden.

– ‘De vrouw in wetenschap, kunst, spel en sport’ in Catalogus van de tentoonstelling ‘De vrouw, 1813-1913’ (Amsterdam 1913), p. 77-78 via Delpher.

De organisatoren leggen vooral de nadruk op het dilettantisme: de tentoongestelde kunstwerken zijn volgens hen “liefhebberijen van vrouwen uit beschaafde, min of meer welgestelde kringen”. Het totaal bestempelen zij ten slotte als “middelmatig”.

Omkering

Het is een vervreemdende tegenstelling. In 1913 lijkt de opinie 180 graden gedraaid. Mogelijk is de middelmatigheid van het gros der tentoongestelde kunstschilderessen de oorzaak dat de verdiensten van Haakman onzichtbaar zijn. Tijdens haar leven is haar werk echter onderwerp van grote bewondering, zodanig dat Immerzeel na haar overlijden nog spreekt van een “treffend verlies voor de kunst”.

Nu roept de naam Haakman weinig herkenning meer op, terwijl er bijvoorbeeld wel groeiende aandacht is voor het werk van Petronella Moens, en voor Moens’ samenwerking met Warnsinck. De culturele uitwisseling tussen de leden van dit drietal – en vooral de bijdrage van Haakman daaraan – verdient zeker nog meer studie.


Tentoonstellingen

Amsterdam 1814

  • Een Bloemstukje, geteekend (nr. 146)

_ 1816

  • Een Bloemstuk, met kleuren, geteekend (nr. 189)

_ 1818

  • Een geteekend Fruitstuk (nr. 286)

_1822

  • Twee stuks Teekeningen, met Hoorns en Schelpen (nr. 385)

_ 1913: De Vrouw 1813-1913

  • Aquarel (bloemstukje) (nr. 460)

Catalogi

  • Cat. Amsterdam 1814, Lijst der kunstwerken van nog in leven zijnde Nederlandsche meesters, welke zijn toegelaten tot de tentoonstelling van den jare 1814 ([Amsterdam]), p. 16. [RKD Library]
  • Cat. Amsterdam 1816, Lijst der kunstwerken van nog in leven zijnde Nederlandsche meesters, welke zijn toegelaten tot de tentoonstelling van den jare 1816 ([Amsterdam]), p. 17. [RKD Library]
  • Cat. Amsterdam 1818, Lijst der kunstwerken van nog in leven zijnde Nederlandsche meesters, welke zijn toegelaten tot de tentoonstelling van den jare 1818 ([Amsterdam]), p. 21. [RKD Library]
  • Cat. Amsterdam 1822, Lijst der kunstwerken van nog in leven zijnde Nederlandsche meesters, welke zijn toegelaten tot de tentoonstelling van den jare 1822 ([Amsterdam]), p. 23. [RKD Library]
  • Cat. Amsterdam 1913, Catalogus van de tentoonstelling ‘De vrouw, 1813-1913’ ‘Meerhuizen’ – Amsteldijk, Mei-October 1913 (Amsterdam), p. 107. [Delpher]

Gelegenheidsgedichten

  • Huwelijkszangen. Ter zilveren bruilofte van den heere Isaac Haakman en Helena Adriana Styger; gevierd binnen Amsterdam, den 24sten van grasmaand 1806 (s.l. 1806). [Google Books]
  • Huwelijkszangen. Ter Bruilofte van den heer Willem Hendrik Warnsinck, bsz. en jongkvrouwe Cornelia Maria Haakman, gevierd te Amsteldam, den 12den van bloeimaand, 1807 (Amsterdam 1807). [Google Books]
  • Willem Hendrik Warnsinck, Ter gelegenheid der echtvereeniging van mijne geliefde dochter, Jacoba Hermina Warnsinck, met den heere Willem de Vos, Jacobsz: (Den 11den maart, 1840) (s.l., 1840). [Google Books]

Verder

  • Roeland van Eijnden en Adriaan van der Willigen, Geschiedenis der Vaderlandsche schilderkunst sedert de helft der XVIIIe eeuw (Haarlem 1820), dl 3, p. 361-362. [Google Books]
  • Johannes Immerzeel jr, De levens en werken der Hollandsche en Vlaamsche kunstschilders, beeldhouwers, graveurs en bouwmeesters van het begin der vijftiende eeuw tot heden (Amsterdam 1842), p. 219-220. [Google Books]
  • Amy L. Walsh, The Mr. and Mrs. Edward Carter Collection of Dutch Paintings (1990), p. 108-113, nr. 17 (Jan van Huijsum). [internet archive]
  • Ans J. Veltman-van den Bos, Petronella Moens (1762-1843). De Vriendin van ’t Vaderland (Nijmegen 2000). [Radboud Repository]
  • Lotte Jensen, ‘De Nederlandse vrouwenpers in een internationaal perspectief’, Nederlandse Letterkunde 6 (2001), p. 219-239. [dbnl]

Noten

[1] De mij bekende werken van Haakman heb ik door het artikel heen afgebeeld. Het zijn er vier in totaal en ze stammen uit 1803, 1805, nogmaals 1805 en 1806. Op 15 november 1973 veilt Sotheby’s bovendien nog een aquarel, eveneens gedateerd 1806, volgens RKD Explore. Hiervan is mij echter geen afbeelding bekend. Mogelijk is het dezelfde aquarel die in 2012 bij Dorotheum in Wenen onder de hamer komt, op veiling Antiquitäten & Bilder, 20 juni 2012, lot 7901.

[2] De redactie van het tijdschrift Euphrosyne was een vereniging van ‘oud-Nederlandsche vrouwen en Jonkvrouwen, te Amsterdam’. Vermoedelijk was dit een fictieve vereniging, schrijft Jensen (2001, p. 222) en mogelijk waren Haakman en Warnsinck zelfs direct betrokken bij de redactie. In ieder geval staat Warnsinck vermeld als redacteur van Euphrosyne in Jan Izaak van Doornincks Vermomde en naamlooze schrijvers opgespoord op het gebied der Nederlandsche en Vlaamsche letteren, dl 2: Naamlooze geschriften (Leiden 1885), p. 194 (Euphrosyne). Proteus was een product van beide, volgens dezelfde, p. 464 (Proteus). Deze opvatting neemt historicus Chris Leonards over in De ontdekking van het onschuldige criminele kind. Bestraffing en opvoeding van criminele kinderen in jeugdgevangenis en opvoedingsgesticht 1833-1886 (Hilversum 1995), p. 74 n. 17.

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Back to Top