In haar atelier

Hoe gaat ’t tegenwoordig met mejuffr. Uw dochter, om een germanisme te gebruiken. Zonder twijfel schildert ze veel, misschien meer dan ik, want ik heb dikwijls last van malaise, een vervelend ding, waartegen evenwel niet veel baat is, dan werken. – Gaarne zou ik weder eens een kijkje op haar atelier willen komen nemen.

Deze woorden schrijft schilder George Hendrik Breitner (1857-1923) op 21 oktober 1879 aan zijn weldoener, de Rotterdamse zakenman en graanhandelaar Adriaan Pieter van Stolk. [1] De genoemde dochter is schilderes Anna Joanna van Stolk (1853-1938) over wie ik al eerder schreef.

Kunsthistorici gebruiken de brieven van Breitner vaak om aandacht te vestigen op de relatie tussen schilder en mecenas. Zakenman en fervent kunstverzamelaar Adriaan Pieter van Stolk ondersteunt Breitner in zijn academietijd en koopt bovendien enkele werken van hem. Toch blijkt uit de geciteerde brief dat Breitner ook contact onderhoudt met Anna Joanna van Stolk en bewondering voor haar koestert. De correspondentie is bovendien niet het enige bewijs van contact tussen de twee jonge schilders. Ook schilderijen en gezamenlijke tentoonstellingen getuigen van kruisende paden.

Haar atelier

Uit Breitners brieven blijkt dat hij bekend is met Van Stolks werk. Hij heeft haar atelier bezocht en is van zins dat nogmaals te doen. Breitner portretteert Van Stolk bovendien in een aquarel, nu in Groninger Museum. De schilderes staat er met schilderstok, penselen en palet in de hand achter een stoel waarin haar zus Griettie plaats heeft genomen. Zus heeft jas en hoed nog aan, alsof ze juist is binnengestapt.

George Hendrik Breitner, Anna Joanna van Stolk in haar atelier met haar zus, gesigneerd ‘G.H. Breitner’ (rechtsonder), waterverf op papier, 36,5 x 27 cm, Groninger Museum, 1969.0102. Bron: Groninger Museum

Beide vrouwen werpen een blik op een werk dat op een schildersezel staat uitgestald.

Vrouwenfiguren

Breitner pakt de compositie van de twee vrouwen in het atelier nogmaals op. Immers, op 12 oktober schrijft Adriaan Pieter van Stolk enigszins geagiteerd aan Breitner dat hij enkele onafgemaakte schilderijen van hem in bezit heeft, waaronder “een klein schilderijtje met 2 vrouwenfiguren voor een schildersezel.” [2] Het gaat hier waarschijnlijk om het olieverfschilderij, nu in Museum Boijmans van Beuningen.

George Hendrik Breitner, Op het atelier, gesigneerd ‘G.H. Breitner’ (rechtsonder), olie op doek, 37,5 x 27 cm. Museum Boijmans van Beuningen, 1089 (MK). Bron: Boijmans van Beuningen

Uit de formulering “vrouwenfiguren” blijkt wel dat het hier nauwelijks meer gaat om portretten. De gezichten zijn namelijk veel minder uitgewerkt en de vrouwen niet meer als specifieke personen herkenbaar. De toets in olieverf is bovendien veel losser dan die in aquarel. Compositie, houding en toon krijgen voorrang ten opzichte van de herkenbaarheid van de figuren.

In het atelier

Breitner zal nogmaals teruggrijpen op de voorstelling. In 1883 vraagt Breitner Van Stolk namelijk om hem “die schets (die dametjes in ’t atelier) per omgaand toe te zenden”:

Ik wil daar een schilderij naar maken. Aan het Uwe zal ik niets doen. Maar ik heb nu een geschikt model, zoolang als het duurt en daar moet ik nu gebruik van maken. Ik hoop dat u dat wel zal willen. ’t Beste is het schilderijtje tussen twee plankjes te binden en als postpakket enfin u weet dat even goed als ik. [3]

Van Stolk stuurt inderdaad de gevraagde olieverfschets van “de twee vrouwtjes” blijkens een antwoord, d.d. 26 oktober 1882, met het uitdrukkelijke verzoek om er “voor eerst” niets aan te veranderen. [4]

George Hendrik Breitner, Op het atelier, olie op doek, 75,3 x 50,3 cm. Kunstmuseum Den Haag, 0332817 (langdurig bruikleen Wibbina-Stichting. Bron: Kunstmuseum

Tevreden is Breitner niet als hij het werk terugziet. Hij schrijft namelijk:

’t viel me volstrekt niet mee toen ik het weer zag. Er is wel iets goeds in, maar heel veel is het niet. Is dat een bewijs dat ik vooruit ging, ik hoop het.

Breitner gaat toch met de compositie aan de slag. Het resultaat van deze hernieuwde inspanning is een groot doek van 75 cm hoog, nu in Kunstmuseum Den Haag.

Helderder kleuren

In de derde en laatste versie gaat de aandacht van de kunstenaar vooral uit naar de lichtval. Bovendien brengt Breitner weer meer kleur in dan de voorgaande versie, nu in Boijmans. Vooral het kleed dat lijkt te baden in het binnenvallende zonlicht, is kleurrijk, zoals ook het geval was in de allereerste aquarel, nu in Groninger Museum.

Mogelijk is de lichtere toon een tegemoetkoming aan een verzoek van Adriaan Pieter van Stolk. “in helderder kleuren? wat wordt daarmee bedoelt,” vraagt Breitner immers aan Van Stolk in de brief waarin hij ook om de schets vraagt, d.d. 28 oktober 1883. Van Stolk legt vervolgens in een beantwoordend schrijven uit:

meer algemeen licht, en daardoor zelfs de donkere stoffen met meer schakering van licht en zachte overgangen.

Wellicht probeert Breitner dus met aandacht voor kleur en licht aan zijn weldoener tegemoet te komen.

Tentoonstellingen

Adriaan Pieter van Stolk is een belangrijke verbindende figuur tussen Breitner en Anna Joanna van Stolk, maar de paden van de twee schilders kruisen elkaar ook op andere momenten. Als Van Stolk haar opleiding aan de Haagse academie bijna heeft afgerond, loopt de jongere Breitner er inmiddels ook rond. Beiden exposeren vervolgens als leerlingen hun werk op de academietentoonstelling in 1876 volgens Dagblad van Zuidholland en ’s Gravenhage (3 mei 1876).

Foto van Anna Joanna van Stolk, uit het familiearchief Van Stolk, Rotterdam. Bron: Hefting 1970, afb. 4.

Ook is werk van zowel Breitner als Van Stolk te zien op tentoonstellingen in Amsterdam in 1880 en in Den Haag in 1881. [5] In Amsterdam hangt namelijk een stadsgezicht van Breitner, tegelijkertijd met twee damesportretten van Van Stolk. De tentoonstelling in Den Haag wordt Breitners Veldpost gecombineerd met een vrouwenportret van Van Stolk en met een schilderij getiteld Geplaagd. Een recensent in Algemeen handelsblad (14 juni 1881) noemt het portret van Van Stolk, terwijl deze tegelijkertijd schrijft dat Breitners Veldpost “zulk fijn gevoel voor kleur en harmonie [verraadt], dat men zich voor het zeer gebrekkige in de teekening en de uitvoering vergevingsgezind toont”. Breitner is volgens deze “een veelbelovende boom die nu “nog slechts een boutade, een onrijpe, te vroeg aangeboden vrucht” aanbiedt.

Bovendien zijn beiden verbonden aan de Academie van Beeldende Kunsten en Technische Wetenschappen in Rotterdam. Als lid van de academie zendt Van Stolk in 1880 een aquarel in voor een verloting ten behoeve van recente watersnoodslachtoffers. Breitner daarentegen gaat vanaf 1882 aan deze academie lesgeven als docent hand- en ornamenttekenen. [6] Behalve via Adriaan Pieter van Stolk kruisen de paden van deze kunstenaars elkaar dus vaker, tijdens hun opleiding, via lidmaatschappen en op stedelijke tentoonstellingen.

Groeiend onbegrip

Breitner noemt Anna Joanna van Stolk voor een laatste maal in een brief aan haar jongere zus Petronella Georgette van Stolk, als die in 1904 bezig is met de organisatie van een portrettententoonstelling. [7] Ze is kennelijk van plan daar een werk van Breitner tentoon te stellen, waarover de schilder zelf echter uitermate ontevreden is. In de brief verzoekt hij haar dan ook uitdrukkelijk om het werk niet te tonen.

Daarbij vermeldt hij tussen neus en lippen door dat hij graag ooit haar vader had willen schilderen, maar Adriaan Pieter van Stolk niet bereid vond te poseren. “Uw zuster had toen pas zijn portret gemaakt en hij vond het poseren zeker erg vervelend”, zegt hij erbij. Inderdaad schrijft Breitner in een brief in 1883 aan Adriaan Pieter van Stolk:

Nogmaals en niet voor de laatste maal, bied ik u aan een portret, half of heel levensgroot te schilderen van U of van een Uwer vrouwelijke of mannelijke familieleden te schilderen. [8]

Uit Breitners eigen woorden blijkt wel dat Van Stolk dit aanbod meermaals afslaat. Als reden schrijft Breitner aan Petronella Georgette van Stolk dat haar vader het waarschijnlijk bijzonder onaangenaam vond om te poseren, maar uit de eerdere brieven van Van Stolk lijkt de vrees dat Breitner het portret nooit zal voltooien, een evenzo zwaarwegender argument.

In 1883 groeit het onbegrip tussen Van Stolk en zijn eerdere protegé. Volgens kunsthistoricus P.H. Hefting (1970) is de reden hiervoor “het verschil in opvatting over de kunstontwikkelingen in de tweede helft van de negentiende eeuw.” [9] Daar zit veel waarheid in. Van Stolk voelt weinig voor de impressionistische en losse manier van werken. Tegelijkertijd gaat de afwijkende kunstopvatting gepaard met ergernissen over niet nagekomen beloftes, waarin ook de verschillende versies van In het atelier een rol spelen.

Scheidende wegen

Uiteraard is het jammer dat we slechts het perspectief van Breitner op de relatie tussen de twee jonge Rotterdamse schilders kennen. Het was spannend geweest als we deze hadden kunnen vergelijken met de visie van Anna Joanna van Stolk. Zoals zo vaak blijft het vrouwelijk perspectief echter onderbelicht, omdat er van Van Stolk geen geschreven getuigenissen bekend zijn (voor zover ik nu weet).

Toch is het interessant om de jonge schilders samen te bestuderen. De twee lijken aan het begin van hun carrière namelijk een vergelijkbaar pad te volgen. Ze wonen beide in Rotterdam, volgen hun opleiding aan de Haagse Academie van Beeldende Kunsten, wijden zich aan dezelfde genres en studeren allebei korte tijd in Parijs. Ze zullen elkaars werk hebben gekend en ongetwijfeld over de schilderkunst hebben gesproken.

Na 1883 scheiden de wegen echter, allereerst omdat Adriaan Pieter van Stolk en George Hendrik Breitner contact verliezen waardoor het contact met Breitner waarschijnlijk ook voor Anna Joanna van Stolk lastig of wellicht ongewenst wordt. Levenspaden lopen ook uiteen, omdat Van Stolk andere verplichtingen krijgt. Als ze in 1883 namelijk kinderen krijgt, een tweeling zelfs, gaat ze zich vooral richten op illustratiewerk, terwijl Breitner doeken blijft schilderen.


Meer lezen?

Nieuwsgierig naar het werk van Anna Joanna van Stolk? Lees dan ook mijn eerdere post ‘Schilderes en illustratrice’ waarin ik ook uitgebreid inga op haar latere illustratiewerk. Ook schreef ik over andere schilderessen die zich later toeleggen op illustratiewerk, zoals Marie Wuytiers in ‘Krachtige kleurengloed’.


Noten

[1] P.H. Hefting, G.H. Breitner. Brieven aan A.P. van Stolk, met enkele brieven van A.P. van Stolk aan G.H. Breitner en van G.H. Breitner aan Mej. G.P. van Stolk (Utrecht: Haentjens Dekker & Gumbert, 1970), p. 19.

[2] Id., p. 45.

[3] Id., p. 51-52.

[4] Id., p. 52.

[5] Cat. Amsterdam, Tentoonstelling van kunstwerken van Levende Meesters te Amsterdam in den jare 1880 (Amsterdam: Stads-Drukkerij, 1880), p. 15 [RKD Library] en cat. Den Haag, Tentoonstelling van kunstwerken van levende meesters te ’s Gravenhage. 1881 (Den Haag: W. Carpentier, 1881), p. 17 [Google Books en RKD Library].

[6] Rieta Bergsma, ‘Beknopte biografie’ in George Hendrik Breitner 1857 | 1923 schilderijen tekeningen foto’s, red. Rieta Bergsma en Paul Hefting (Bussum: Thott, 1994), p. 224.

[7] Hefting 1970 [zie noot 1], p. 65-66.

[8] Id., p. 24 en p. 44.

[9] Id., p. 7. Voor de verschillen in kunstopvatting, lees ook Michiel Wagenaar, ‘George Hendrik Breitner ‘Le peintre du peuple’ in: George Hendrik Breitner 1857 | 1923 schilderijen tekeningen foto’s, red. Rieta Bergsma en Paul Hefting (Bussum: Thott, 1994), p. 11-12.

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Back to Top