Geëngageerd journalist

Voor deze en vorige blogposts over Mies Blomsma ben ik Wouter van Rossem van Galerie TroosT in Groningen dank verschuldigd. Niet alleen zette hij me op het spoor van Blomsma, maar ook leverde hij veel waardevolle informatie en bronmateriaal waarop ik voor mijn onderzoek kon voortbouwen.

Naast haar werkzaamheden voor de kinderpagina in dagblad Het volk krijgt Mies Blomsma ook journalistieke opdrachten van uitgeverij De Arbeiderspers. Toch is deze kant van Blomsma’s werkzaamheden maar weinig bekend. Als ze eind 1936 ophoudt met haar werk voor de kinderkrant, wordt haar werk als geëngageerd journalist alleen maar meer. Veel van haar artikelen gaan bijvoorbeeld over reizen en mode. Andere stukken schrijft ze eerder vanuit haar maatschappelijk engagement. Veel van deze teksten voorziet ze bovendien eigenhandig van aantrekkelijke illustraties.

Mode

Een mooi voorbeeld van een modereportage is ‘L’histoire se répète’ waarin Blomsma beschrijft hoe de avondjaponnen in 1930 via de Empiretijd en de Romeinen teruggrijpen op Griekse gewaden.[1] Daarbij maakt ze pakkende en heldere illustraties die haar argumenten ondersteunen. Op een ervan loopt een vrouw met een linnen chiton, als voorbeeld van wat Griekse vrouwen in de oudheid droegen. In het midden loopt vervolgens een vrouw met een jurk in Empirestijl. De derde en laatste figuur ten slotte toont wat de avondjaponnen uit de jaren ’30 gemeen hebben met hun voorgangers. Hierbij besteedt Blomsma ook uitvoerige aandacht aan bijpassende haardracht, schoenen en sieraden.

Mies Blomsma, illustratie bij Blomsma, ‘L’histoire se répète’, in Eigen haard 56, nr. 44 (november 1930), p. 1031. Bron: Delpher

In de bijbehorende tekst legt Blomsma vervolgens uit waarom de mooiste moderne jurken haar eerder aan de Griekse dan aan de Franse jurken van na de Franse Revolutie doen denken. Volgens haar geven de mooiste moderne japonnen, net als de Griekse gewaden, het lichaam weer zoals het is, niet weggemoffeld of verborgen onder de stof zoals in de Empireperiode.

Femme

Historisch bewustzijn tekent ook andere mode-artikelen uit Blomsma’s pen. Ook in ‘Très femme’ in Haarlem’s dagblad (24 september 1931) wijst de journaliste op de grote overeenkomsten van laatste mode met kledingstukken uit het verleden. Het bekijken van de modellen op een modeshow van firma Kruysveldt de Mare die ze in september 1931 bezoekt, met hoeden is volgens haar als bladeren in het fotoalbum van haar grootouders:

Mies Blomsma, illustratie bij Blomsma, ‘Très Femme’, in Haarlem’s dagblad (24 september 1931), p. Bron: Delpher.

Ik herkende eigenlijk al die gefotografeerde menschen stuk voor stuk. Dat wil zeggen: hun kleeren. Van het grappige bontmutsje en jasje van mijn grootmoeder, tot de pofmouwen waarmee mijn moeder in het huwelijk trad.

In ‘Modeshow’ in Haarlem’s dagblad (11 september 1931) uit Blomsma de hoop dat de nieuwste mode geen terugkeer betekent naar nauwsluitende en ongemakkelijke kleding.

Alweer

Daarbij haalt ze herinneringen op uit haar “artistieken tijd”, toen ze zelf haar kleding ontwierp “onder sterk Middeneeuwschen invloed en volgens vaste kleurrecepten: oranje, paars, groen …” De meest recente modeshow laat echter kleding zien met lage ceinturen, lange gewaden die soms over de grond slepen en rokken die tot onder de knie nauw aansluiten. Voor Blomsma betekent het een verslechtering:

Moet dan alles waar we nu nog om lachen … alweer?

Blomsma spreekt de hoop uit dat draagbare kleding, waarvan ook schitterende voorbeelden op de modeshow te zien zijn, de boventoon zal gaan voeren. Hiermee lijkt ze dus een directe erfgename van de Vereeniging voor Verbetering van Vrouwenkleeding. De inspanningen van de leden de vijf V’s, zoals die vereniging ook genoemd werd, hebben in de voorgaande jaren voor een nieuwe houding ten opzichte van vrouwenkleding gezorgd, met bewegingsvrijheid en emancipatie van vrouwen tot gevolg. Met die overwinning verliest de vereniging echter ook haar bestaansrecht en in 1926 wordt ze opgeheven, zoals ik al beschreef in een eerdere post. Blomsma laat echter zien dat de vrijheid van vrouwen om kleding te dragen waarin zij zich vrij kunnen bewegen, nog steeds niet vanzelfsprekend is.

Reisverhalen

Naast mode schrijft Blomsma ook veelvuldig verhalen die haar liefde voor reizen weerspiegelen. Een eerste reisartikel in Haarlem’s dagblad (9 april 1929) gaat bijvoorbeeld over een fietstocht van Haarlem naar Ede. Ze schrijft er:

Wij hebben op onzen fietstocht de jeugdherbergen gezegend, want als De Dotter in Blaricum er niet geweest was … dan hadden we óf niet ernstig kunnen genieten van ieder buitengewoon mooie plek waar we langs kwamen – of het had ons vrij wat meer geld gekost.

Van dit stuk maakt ze dus een pleidooi voor meer jeugdherbergen die dan als fenomeen in Nederland nieuw zijn.

Dezelfde juffrouw

Mies Blomsma, illustratie bij Blomsma, ‘Vluchtige Brusselsche impressies’, in Haarlem’s dagblad (31 januari 1931), p. 17. Bron: Krantenviewer Noord-Hollands Archief

In haar reislust beperkt Blomsma zich echter niet tot Nederland. Ze beschrijft bijvoorbeeld ook haar bezoeken aan Brussel en Berlijn. Uiteraard geeft ze in sommige van haar reisverhalen ook blijk van haar modekennis. Zo beschrijft ze na een bezoek aan Brussel bijvoorbeeld terloops de kleding die de vrouwen er dragen.[2] Ze noemt hen “modieuzer dan de doorsnee-Amsterdammer, maar ze zien er ook allemaal hetzelfde uit”. Allemaal dragen de vrouwen namelijk een lange zwarte getailleerde mantel met een kleine hoed die bijna nauwelijks opvalt onder de hoge bontkraag:

Ik heb me wel honderdmaal verbeeld dat ik dezelfde juffrouw weer tegenkwam.

Blomsma’s scherpe observaties getuigen van haar gevoel voor humor.

Het mooiste van Brussel, zo besluit Blomsma, loopt niet op straat, maar bevindt zich in musea: “Daar begint men te kijken, ordelijk, doek na doek, en eindigt in een soort dronkenschap, die na dagen en dagen, allang terug in Holland, geen eind wil nemen.” In buitenlandse steden laaft ze zich dus aan cultuur.

Natuur

Behalve stedentrips onderneemt ze ook vakanties in de natuur. Zo beschrijft ze onder andere de saamhorigheid van mensen in een pension in een ondergesneeuwd dorp in het Harzgebergte.[3] Ten eerste valt haar stuk op door scherpe observaties over de menselijke natuur:

Het is merkwaardig hoeveel beter in het algemeen menschen in een pension elkaar verdragen, dan menschen in een huisgezin. Ik heb bijvoorbeeld een sterk vermoeden, dat de Regierungsrat, die hier al vijf weken voor zijn gezondheid is, en die straalt van vriendelijkheid, thuis een vrij lastig heer kan zijn.

Daarnaast geeft het stuk blijk van een oog voor het landschap dat ze bloemrijk weet te omschrijven als een omgeving met “witbesuikerde bosschen” en “kleine sparren, die in het begin aan het uiteinde van alle takken magere witte handen kregen”.

Enerzijds beschrijft Blomsma in haar reisverhalen dus cultuurtrips, anderzijds buitenvakanties. Deze tweeledige liefde voor zowel stad als natuur komt ook tot uitdrukking wanneer ze redactie voert over de kinderkrant. In antwoord op een kinderbrief in Het volk (30 augustus 1934) schrijft Blomsma bijvoorbeeld: “Ik ben op de Veluwe geweest en in Parijs.” Met andere woorden, ze bezoekt stad en land. Bovendien symboliseren de twee vakantiebestemmingen binnen- en buitenland. De Veluwe en Parijs illustreren dus haar brede interesse.

Politiek engagement

Ondanks het feit dat Blomsma werkt voor haar inkomen, blijkt uit alles een geprivilegieerde positie. Ze heeft immers bewegingsvrijheid en mogelijkheden om te reizen. Dat betekent niet dat ze geen affiniteit koestert met minder bedeelden. Integendeel, als overtuigd socialiste schemert in haar vroegste journalistieke werk affiniteit met de arbeidersklasse door, zoals in haar artikel ‘Van het werkelijke communisme’ waarin ze een nieuwe wijk met huizen rondom een gemeenschappelijk tuin beschrijft.[4]

Mies Blomsma, illustratie bij Blomsma’s ‘Van het werkelijke communisme’, in Algemeen handelsblad (18 juni 1930), p. 17. Bron: Delpher

In deze leefgemeenschap delen mensen lief, leed en materiële zaken met elkaar, niet zozeer vanuit een idealistische communistische theorie, maar vanuit een gevoel van liefde voor hun omgeving en elkaar. Haar betoog voor dit “praktisch communisme” besluit ze met de woorden:

En nu is tenminste daadwerkelijk bewezen, dat het practische communisme nog zoo gek niet is, en goed. En dat het niet indruischt tegen het woord ‘dat de meeste van deze drie de liefde is’ – maar juist een bewijs voor de waarheid ervan.

Ze koppelt hier de communistische levensovertuiging aan een bijbelcitaat uit de eerste brief van Paulus aan de Korintiërs: “Geloof, hoop en liefde blijven altijd bestaan, geloof, hoop en liefde, deze drie, maar de liefde is het allerbelangrijkste.” Voor Blomsma zijn communisme en christendom dus niet tegengesteld, maar liggen ze in elkaars verlengde.

Sociaal engagement

Mies Blomsma, illustratie bij Blomsma’s ‘Berlin: Uferstrasze 15’, in Het volk (12 mei 1932), p. 8. Bron: Delpher

Haar politieke overtuiging verklaart ook haar beslissing om voor de scoiaaldemocratische uitgeverij De Arbeiderspers te gaan werken. Daarover schreef ik in mijn vorige twee posts ‘Hechte vriendenkring’ en ‘Brieven aan Blomsma’. Voor dagblad Het volk, dat door De Arbeiderspers wordt uitgegeven, schrijft de Blomsma vervolgens stukken waarin ze geregeld haar sociaal engagement etaleert. In 1932 combineert ze bijvoorbeeld een reisverhaal met observaties over een samenleving van werklozen in Berlijn.[5] Daarin beschrijft ze een gemeenschap die volledig door werklozen zelf in stand wordt gehouden, zoveel mogelijk zonder geld. Hoewel ze vooral beschrijft zonder haar persoonlijke mening heel expliciet te maken, schemert haar bewondering voor de zelfredzaamheid door.

Vooral vrouwelijke arbeiders en arbeidersvrouwen hebben geregeld Blomsma’s aandacht in stukken die ze voor Het volk schrijft, bijvoorbeeld over onbeschermd huispersoneel waarin ze het bestaan van de Algemeene Nederlandsche Bond van Huispersoneel onder de aandacht van het lezerspubliek brengt.[6] De bond telt ruim 600 leden, terwijl het aantal personen in huiselijke dienst 243.551 betreft, constateert de journaliste. Hoewel het ook gaat om portiers en conciërges zijn het toch vooral vrouwen die als huispersoneel werkzaam zijn: “dienstmeisjes, dagmeisjes, interne hulpen zooals meisjes alleen, keukenmeisjes, tweede meisjes, kamermeisjes, enz., kinderjuffrouwen, huisnaaisters, werkvrouwen.” Zij kunnen de bescherming van de bond dan ook goed gebruiken, meent Blomsma.

Vrouwen

Verder interviewt ze in de loop van haar carrière verschillende indrukwekkende vrouwen. In een vorige post ‘Hechte vriendenkring’ noemde ik kort Sjoukje Bokma de Boer, beter bekend als Nynke van Hichtum, prominent lid van de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij. Over haar schrijft Blomsma voor Het volk in 1935 en voor De gulden winckel in 1939.[7] De vrouwen delen ten minste hun politieke overtuiging, maar mogelijk gaat het contact verder. Wanneer Bokma de Boer een bedankje aan kinderen laat afdrukken op de kinderpagina van Het volk (20 februari 1935). Daar maakt ze de opmerking: “Ik hoop dat Mies Blomsma me een plaatsje zal willen afstaan in haar blaadje”. Daarin schemert door dat Blomsma en Bokma de Boer elkaar mogelijk vaker hebben getroffen.

In 1933 publiceert Blomsma ook een gesprek met de Oostenrijkse actrice Tilla Durieux voor politiek weekblad Freie Presse dat vanaf 1933 bij De Arbeiderspers wordt gedrukt.[8] Dit blad richt zich specifiek op de Duitse gemeenschap in Nederland. De redactie introduceert Blomsma daar als “Die Holländische Journalistin”, waaruit nogmaals blijkt dat Blomsma voor De Arbeiderspers veel meer is dan tekenares en redactrice van de kinderkrant, waarmee haar werk meestal wordt afgedaan.

Mies Blomsma, foto bij Blomsma’s ‘Toen de groote ramp drie-en-tachtig mannenlevens eischte’, in De Amsterdamsche dameskroniek 22, nr. 39 (29 mei 1937), p. 9. Bron: Delpher

Met evenveel bewondering interviewt Blomsma ook onbekende vrouwen. Zo beschrijft bijvoorbeeld een gesprek met een Amsterdamse arbeidersvrouw voor de rubriek ‘Onbekende vrouwen’ in Het volk (14 maart 1938).[9] Deze stukken schrijft ze overigens niet alleen voor Het volk. Geregeld zijn haar artikelen over werkende vrouwen ook te vinden in Amsterdamsche dameskroniek waarvoor ze bijvoorbeeld artikelen schrijft over vroedvrouwen, vissersvrouwen en de vrouwen van Schokland, steeds voorzien van haar prachtige foto’s.[10]

Mies Blomsma, foto bij Blomsma’s ‘De vrouw en haar beroep’, in De Amsterdamsche dameskroniek 23, nr. 3 (18 september 1937), p. 9. Bron: Delpher

Amsterdam en het water

Na 1936, wanneer ze het stokje van de kinderpagina heeft overgedragen, schrijft Blomsma meer en meer journalistieke stukken voor Het volk. Daaronder zijn nog steeds geregeld reisverhalen. Vanaf 1939 reist ze echter steeds minder ver en beschrijft ze vooral korte dagtochten naar het Kinselmeer, Edam en Elburg. Een artikel over Scheveningen, afgedrukt in de sociaaldemocratische dagbladen van De Arbeiderspers, zoals Zaans volksblad (5 januari 1939) en Utrechts volksblad (5 januari 1939), is voorzien van prachtige illustraties waarop strand en pier te zien zijn, maar ook vissers en nettenboetsters. In het pagina-vullend artikel geeft Blomsma vervolgens een geromantiseerd sfeerbeeld.

Met maar liefst acht (!) tekeningen is het niet alleen een beschrijving maar tevens een beeldverhaal. Ook een artikel over Edam in Zaans volksblad (14 februari 1939) voorziet Blomsma eigenhandig van prachtige illustraties.

Mies Blomsma, ‘De voorsteven van de Oranje’, gesigneerd en gedateerd ‘Mies Blomsma Juni ’39’, illustratie bij Blomsma’s ‘Zeeschepen zijn grote slokoppen’ in de reeks ‘Amsterdam en het zoute water’, geschreven en getekend voor Het volk (24 juni 1939), p. 9. Delpher

In mei 1939 mag ze bovendien een reeks artikelen schrijven waarin ze de invloed van de zee op Amsterdam beschouwt. De eerste daarvan verschijnt in Het volk (13 mei 1939). Ook deze reeks voorziet ze van eigen tekeningen.

Zoeklichten

In 1938 trouwt Blomsma met journalist en letterkundige Gerth Schreiner, maar het bruidspaar is geen lang en gelukkig leven beschoren. Schreiner is gevlucht uit Duitsland en inmiddels als vijand van de Duitse staat “ausgebürgert”, wat wil zeggen dat hem zijn Duits paspoort is afgenomen.[11] In 1939 is de oorlog bovendien onontkoombaar. Daarmee komt het vijandelijke gezag dichtbij en de dreiging wordt hoe langer hoe tastbaarder.

Hoe Blomsma het naderende gevaar ervaart, blijkt onder andere tussen de regels van een artikel dat ze schrijft voor Zaans volksblad (19 april 1939). Daarin vertelt ze over een wandeling die ze met haar echtgenoot maakt: “Het park is ineens donkerder dan tevoren, de bomen krommen zich in angstige afwachting.” Dan verschijnen er plots van verschillende kanten zoeklichten aan de hemel.

Mies Blomsma, Zoeklichten, gesigneerd ‘Mies Blomsma April ’39’ (rechtsonder), illustratie voor ‘Onder het vangnet’ in Zaans volksblad (19 april 1939), p. 7. Bron: Delpher

Het park is in elkaar gedoken, het wacht in de stille duisternis, het is als een groot dier, waar mensen plotseling een vangnet over hebben geworpen. Wij staan roerloos met de bomen en de andere mensen in het park, wij staren naar dat witte vangnet van kruisende en glijdende zoeklichten aan de hemel en wij verroeren ons niet. Als uit angst, dat het net zou kunnen vallen.

Voor Blomsma voelen de zoeklichten als een net dat zich langzaam maar zeker sluit.

Hoop

Ondertussen blijft Blomsma artikelen schrijven voor De Arbeiderspers. Zo schrijft ze voor Het volk (9 maart 1940) over een persoonlijke ervaring in een winkeltje met tweedehands boeken. De zaken gaan slecht, omdat mensen niet langer boeken wensen te kopen: “De mensen zijn bang geworden voor bezit,” verklaart de winkeleigenaar, “dat is de tijd”.

Blomsma probeert de omstandigheden een positieve draai te geven, wanneer zij stelt dat de benarde omstandigheden een nieuwe houding ten opzichte van bezit bewerkstelligen. Wat wijzen prediken, namelijk dat bezit een last is, wordt eindelijk omarmd. Blomsma eindigt met de woorden: “Dank je wel, boekenman. De toekomst ziet er iets lichter uit vandaag.” Hoewel ze het inkadert als hoopgevend, blijkt tegelijkertijd tussen de regels door iets anders, namelijk hoe lastig het is om lichtpuntjes tte vinden in benauwde tijden.

Op 15 april 1940 verhuist het echtpaar Schreiner-Blomsma van Amsterdam naar Blaricum. In 1939 hebben Blomsma’s ouders, Otto Blomsma en Eetje Edzes, zich gevestigd aan de Lingenskamp 11 in Laren. Blomsma en Schreiner besluiten om in hun buurt te gaan wonen, aan de Slingerweg (nu: William Singerweg) te Blaricum.[12]

Het einde

Op 10 mei 1940 vallen Duitse troepen Nederland binnen. Blomsma en Schreiner worden aangehouden en naar een gevangenis in Hoorn overgebracht.[13] Anton van Duinkerken, inmiddels een goede vriend van Schreiner – lees ook de vorige blogpost ‘Hechte vriendenkring’ – weet het echtpaar vrij te krijgen, zodat ze op 15 mei weer naar huis mogen. Het is onmogelijk om te achterhalen wat de arrestatie voor de twee betekend heeft. Voor Schreiner staat zijn gevangenschap in Duitsland hem ongetwijfeld nog levendig voor ogen. Voor Blomsma, die vreest voor haar geliefde, haar sporen verdiend heeft bij De Arbeiderspers en wier politieke overtuiging geen geheim is, moet het gevoel van dreiging eveneens overweldigend zijn geweest.

Op donderdag 16 mei 1940, een dag na de capitulatie, worden Blomsma en Schreiner dood aangetroffen in het huis van Blomsma’s ouders na een overdosis aan slaapmiddelen te hebben ingenomen.

Verdriet

Sommige vrienden zien jaren later pas kans om hun verdriet openlijk tot uitdrukking te brengen. Een voorbeeld is Nicolaas Anthonie Donkersloot, beter bekend onder zijn pseudoniem Anthonie Donker.[14] Het sonnet dat deze dichter op 16 mei 1940 in gevangenschap schrijft, krijgt pas na de Tweede Wereldoorlog een breder publiek als het wordt afgedrukt in Critisch bulletin:

Mijn vrienden, die naar buiten waart getogen
En een leven aanvingt op de hei,
Hoe onvoorziene stormvlaag kwam gevlogen
En overviel U - en het was voorbij.

Glimlachend en gelukkig lagen zij,
En als omhoogziend uit gesloten oogen,
Vredig, voorgoed vereenigd zij aan zij,
Het voorhoofd door geen wolk van vrees betogen.

Zoo blijven zij voor allen tijd bewaard
In naam der namelooze hecatomben
Dier zonnige onverhoedsche onheilsdagen,

Voorgoed, zooals te zamen opgebaard
Zij daar als beelden uitgebeiteld lagen
Van koningskindren op hun hooge tombe.

Donkersloot spreekt omzichtig van een “onvoorziene stormvlaag” waarmee hij op de Duitse inval doelt. Halbo Kool spreekt in meer algemene termen over de vrienden die hem zijn ontvallen in het gedicht ‘Anno 1946’, afgedrukt in zijn bundel Roodboek (1947), waarin hij de onontkoombare alomtegenwoordigheid van jong gestorven vrienden beschrijft: “zij willen zich ons niet opdringen, maar vullen je herinneringen.”[15]

Samenwerking

In 1941 verschijnt bovendien postuum een boek waaraan Blomsma en Schreiner samen met Cruys Voorbergh (pseudoniem van schrijver en acteur E.P.C. van Vrijberghe de Coningh) begonnen zijn. De Arbeiderspers heeft in het voorjaar van 1940, voorafgaand aan de capitulatie, nog advertenties van een halve pagina laten afdrukken in hun dagbladen, onder andere in Het volk (1 maart 1940) en Utrechts volksblad (12 maart 1940). Het boek heet dan nog Levend verleden en De Arbeiderspers prijst het aan als een werk “dat in de eendrachtige samenwerking van onze drie schrijvers ontstond.”

Mies Blomsma, Huizer meisje in kinderdracht, 1941, foto in Voorbergh 1941, tevens afgebeeld in Arbeid 1, nr. 14 (11 april 1941), p. 6. Bron: Delpher

Van het driemanschap is in 1941 echter geen sprake meer. Uiteindelijk verschijnt het boek namelijk als Erfenis van eeuwen, zonder de namen van Schreiner en Blomsma op de titelpagina.[16] Blomsma’s naam wordt uitsluitend genoemd in de bijschriften van haar foto’s. Datzelfde geldt voor Schreiner die ook een foto voor het boek heeft geleverd. Deze foto’s zijn aangevuld met anderen, gemaakt door fotografen Emmy Andriesse, Eva Besnyö en Nico Naeff.

Omdat ze op de titelpagina niet meer worden genoemd, wordt de betrokkenheid van Schreiner en Blomsma in recensies nauwelijks opgemerkt. Zo schrijft een recensent in het blad Arbeid bijvoorbeeld:

Maanden en maanden heeft deze toneelspeler [= Cruys Voorbergh] gezworven en geleefd tussen de vissers en de boeren van ons land en hij heeft er zich een diepgaande kennis van de oude Nederlandse costuums eigen gemaakt, die hij thans op zijn beurt aan anderen mee zal delen.[15]

In het voorwoord bij de tweede druk (1942) komt Cruys Voorbergh kort te spreken over de samenwerking met Blomsma en Schreiner. Vanwege de Duitse bezetting kan dat op het moment dat het boek verschijnt, slechts in bedekte termen.

Herdruk

In 1961 krijgt Erfenis van eeuwen een derde druk. Pas dan verschijnt de naam van Blomsma wel op de titelpagina, maar uitsluitend als maker van de illustraties. Cruys Voorbergh schrijft voor de derde druk bovendien een nieuw voorwoord, maar daarin blijven Blomsma en Schreiner onvermeld. Dat ontgaat een recensent, die ondertekent met J.W. in dagblad Het parool (26 mei 1961), niet: “Jammer,” schrijft deze, “dat hij de gelegenheid voorbij liet gaan om in het voorwoord van deze derde druk nog eens uitdrukkelijk te wijzen op het grote aandeel dat juist die twee in het grote werk hebben gehad.”

Daaraan voegt J.W. bovendien toe:

De derde druk overigens, is verdiend. Om de tekst, om de tekeningen waarin Mies Blomsma voortleeft, om de foto’s ook waarbij er heel wat zijn die – zoals trouwens heel het boek – pas goed doen beseffen hoeveel er tussen ’40 en ’60 alwéér aan een erfenis van eeuwen verloren ging.

Er spreekt dus niet alleen een grote waardering uit voor de geschreven inhoud van het boek, maar ook specifiek voor Blomsma’s illustraties en foto’s.

Veelzijdigheid

Uit deze en eerdere post mag blijken dat de talenten van Mies Blomsma meerdere velden beslaan. De veelzijdigheid is haar kracht, maar zorgr tegelijkertijd voor een fragmentatie. Daardoor zijn verschillende aspecten van haar werk en haar grote betekenis voor De Arbeiderspers later vaak over het hoofd gezien. Historici sindsdien noemen meestal slechts enkele van haar kwaliteiten. Meestal is dat haar werk als illustratrice en portrettekenares. Haar werk als fotograaf krijgt bijvoorbeeld veel minder aandacht, net als haar werk als journalist.

Als De Arbeiderspers Blomsma in 1932 in dienst neemt, vervult ze al snel uiteenlopende functies voor de verschillende dagbladen van de uitgeverij. In recente studies – waarin meestal niet Blomsma, maar Gerth Schreiner centraal staat – wordt vaak Blomsma’s redactiewerk voor de kinderpagina van Het volk genoemd. Deze kinderkrant is een staalkaart van haar polyvalentie: ze tekent, fotografeert, verzint handwerkopdrachten en raadsels, en schrijft, fictie en non-fictie. Helaas wordt werk voor kinderen nog steeds vaak bestempeld als ‘educatief’, ‘simpel’ en dus onvolwaardig. Daardoor krijgen makers zoals Blomsma vaak minder erkenning en prestige dan anderen. Met de nadruk op haar werk als redactrice van de kinderpagina – een functie die ze minder dan vier jaar vervult – verdwijnt serieuze aandacht voor Blomsma’s werk vaak naar de achtergrond.

Ze treedt op als rapportagetekenaar en fotograaf voor de journalisten van Het volk en schrijft daarnaast zelf artikelen, vaak gedreven door een sterk maatschappelijk engagement. Als tekenaar, fotograaf, redacteur, journalist en schrijver is Blomsma dus een multitalent, iets wat de redacteurs van De Arbeiderspers herkennen en waarderen. Het wordt dan ook hoog tijd dat er meer erkenning komt voor haar grote betekenis voor de uitgeverij en, in bredere zin, voor haar belangrijke rol binnen het sociaaldemocratische milieu van de jaren 1930.


Artikelen

Hieronder heb ik wat artikelen van Blomsma op een rij gezet, onderverdeeld in drie categorieën, namelijk reisverslagen, mode en interieur en overig (over uiteenlopende onderwerpen, vaak vanuit maatschappelijk engagement). Dit is echter lang niet alles. In een vorige post kwamen al haar stukken voor de kinderkrant en handwerkideeën voor vrouwen aan bod. De onderstaande lijst is vooral bedoeld om een beeld te geven van haar productiviteit en haar veelzijdigheid.

Reisverhalen

  • Blomsma, Mies, ‘Jeugdherbergen’, Haarlem’s dagblad (9 april 1929), p. 7 [krantenviewer NHA]
  • _ , ‘Een Russisch Café in Berlijn’, Nieuwsblad van het Noorden (11 januari 1930), p. 17. [Delpher]
  • _ , ‘Indrukken uit Baden-Baden: Waar kan het in Mei en Juni zóó mooi zijn?’, Algemeen handelsblad (13 juni 1930), p. 21. [Delpher]
  • _ , ‘Zwitsersch houtsnijwerk: Indrukken uit Zwitserland’, Algemeen handelsblad (29 juli 1930), p. 13. [Delpher]
  • _ , ‘Vluchtige Brusselsche impressies’, Haarlem’s dagblad (31 januari 1931), p. 17 [krantenviewer NHA]
  • _ , Het ingesneeuwde dorp’, Algemeen handelsblad (15 februari 1931), p. 1. [Delpher]
  • _ , ‘Unkel en Freiligrath’, Algemeen handelsblad (16 mei 1931), p. 8. [Delpher]
  • _ , over een Rijntochtje, geïllustreerd, Panorama, volgens Alkmaarsche courant (9 juni 1931), p. 8 [krantenviewer NHA]
  • _ , over Potsdam, geïllustreerd, Panorama, volgens Alkmaarsche courant (29 september 1931), p. 3 [krantenviewer NHA]
  • _ , ‘IJszeilen: Ervaringen op de Wannsee’, Haarlem’s dagblad (29 februari 1932), p. 12 [krantenviewer NHA].
  • _ , ‘Een middag naar buiten: Per rode bus naar het Kinselmeer’, Het volk (30 juli 1938), p. 10. [Delpher]
  • _ , ‘Scheveningen, ontdaan van alle franje’, Zaans volksblad (5 januari 1939), p. 10 [Delpher], ook afgedrukt in Utrechts volksblad (5 januari 1939), p. 10. [Delpher]
  • _ , ‘Edam: een stad tussen gisteren en morgen’, Zaans volksblad (14 februari 1939), p. 12 [Delpher]
  • _ , over Elburg, geïllustreerd, Het volksblad (1939) volgens Elburger courant (14 maart 1939), p. 2 [Archieven.nl]
  • _ , ‘Kleine reizen: de zolder’, Zaans volksblad (10 maart 1939), p. 7. [Delpher]
  • _ , ‘Spakenburg en Bunschoten in het voorjaar: Een zoete herinnering’, Utrechts volksblad (11 mei 1939), p. 7 [Delpher], ook afgedrukt in Utrechts volksblad (11 mei 1939), p. 7 [Delpher] en Het volk (13 mei 1939), p. 12. [Delpher]
  • _ , ‘Het dorp dat iedereen en niemand kent’, Utrechts volksblad (13 juni 1939), p. 8. [Delpher]
  • _ , ‘De badplaats aan de Noordzee: Overpeinzingen en oude herinneringen’, Utrechts volksblad (9 augustus 1939), p. 7 [Delpher], ook afgedrukt in Zaans volksblad (10 augustus 1939), p. 5 [Delpher] en Het volk (12 augustus 1939), p. 16. [Delpher]
  • _ , ‘Sietse, de visser, vaart ons over van Ameland naar Terschelling’, Het volk (17 augustus 1939), p. 11. [Delpher]
  • _ , ‘Schellingwoude: tè koud in de winter!’, Het volk (2 december 1939), p. 16. [Delpher]

Mode en interieur

  • _ , ‘L’histoire se répète’, Eigen haard 56, nr. 44 (november 1930), p. 1030-1031. [Delpher]
  • _ , ‘Modeshow’, Haarlem’s dagblad (11 september 1931), p. 7 [krantenviewer NHA]; tevens in De Zaanlander (16 september 1931) [Delpher]
  • _ , ‘Très femme’, Haarlem’s dagblad (24 september 1931), p. 15 [krantenviewer NHA]; tevens in De Zaanlander (3 oktober 1931) [Delpher]
  • _ , ‘Bezint eer gij begint! Koop uw kleeren met overleg’, Het volk (18 mei 1933), p. 8. [Delpher]
  • _ , ‘Keukeninrichting’, Het volk (20 juli 1933), p. 8. [Delpher]
  • _ , ‘Eindelijk toch nog zomer: Strandkleeding komt nu te pas’, Het volk (27 juli 1933), p. 8. [Delpher]
  • _ , ‘De mode en de veranderingen in mode’, De radiogids 8, nr. (11 november 1933) p. 12. [Delpher]
  • _ , ‘Borduurwerk van Roemeenschen: De moeite waard voor vrouwen die graag handwerken’, Het volk (25 januari 1934), p. 12. [Delpher]
  • _ , ‘Modeshow bij Gerzon’, Het volk (14 maart 1935), p. 10. [Delpher]
  • _ , ‘Hoofdbedekkingen op het land: Hoed contra muts’, Het volk (19 september 1936), p. 6. [Delpher]
  • _ , ‘Hoed af voor de vrouwen van Schokland’, De Amsterdamsche dameskroniek 23, nr. 9 (30 oktober 1937), p. 9. [Delpher]
  • _ , ‘Het ondergoed door de eeuwen heen’, Utrechts volksblad (15 maart 1940), p. 15. [Delpher]
  • _ , ‘Mode en ijdelheid voor mannen: Een vrouw over de kleding der andere sexe’, Utrechts volksblad (22 maart 1940), p. 14. [Delpher]

Meer

  • Blomsma, Mies, ‘Winterfeesten’, Nieuwsblad van het Noorden (9 november 1929), p. 19. [Delpher]
  • _ , ‘Van het werkelijke communisme: De moeilijkheid is alleen maar het begin… Van welken kant?’, Algemeen handelsblad (18 juni 1930), p. 17. [Delpher]
  • _ , ‘Berlin: Uferstrasze 15. Door werkloozen voor werkloozen. Keukens voor de uitgestootenen’, Het volk (12 mei 1932), p. 8. [Delpher]
  • _ , ‘De gelukkige familie’, Het volk (15 juni 1933), p. 8. [Delpher]
  • _ , ‘De man beweert’, Het volk (22 juni 1933), p. 8. [Delpher]
  • _ , ‘Loonsverlaging: De practische moeilijkheden zijn voor de huisvrouw, want zij moet toch rondkomen’, Het volk (14 september 1933), p. 8. [Delpher]
  • _ , ‘Een schoonheidskoningin vertelt: Wat blijft er van de glorie over? Leegte en verbittering. Miss Frankrijk 1928, Raymonde Allain’, Het volk (24 augustus 1933), p. 14. [Delpher]
  • _ , ‘Tilla Durieux: Zu den Problemen der Zeit’, Freie Presse, nr. 21 (2 december 1933), p. 4. [Delpher]
  • _ , ‘Onze Oudejaarsgewoonten: Tot klokslag twaalf peinzen we, maar dan moet het uit zijn. We moeten aanpakken’, Het volk (28 december 1933), p. 8. [Delpher]
  • _ , ‘De vrouw in de woonschuit’, Het volk (4 januari 1934), p. 8. [Delpher]
  • _ , ‘Onbeschermd huispersoneel’, Het volk (8 februari 1934), p. 12. [Delpher]
  • _ , ‘Het huishoudelijke werk’, Het volk (16 februari 1934), p. 16. [Delpher]
  • _ , ‘Een tekort aan huispersoneel?’, Het volk (22 februari 1934), p. 8. [Delpher]
  • _ , over Nynke van Hichtum in de rubriek Voor de vrouw, Het volk (5 februari 1935), p. 10. [Delpher]
  • _ , ‘Een jaarbeurs in de hoofdstad: Van de Dameskroniek’, Het volk (7 maart 1935), p. 10. [Delpher]
  • _ , ‘Onbekende vrouwen: Een arbeidersvrouw uit de stad’, Het volk (14 maart 1935), p. 10. [Delpher]
  • _ , ‘Toen de groote ramp drie-en-tachtig mannenlevens eischte: een dorp van weduwen’, De Amsterdamsche dameskroniek 22, nr. 39 (29 mei 1937), p. 9. [Delpher]
  • _ , ‘De vrouw en haar beroep’, De Amsterdamsche dameskroniek 23, nr. 3 (18 september 1937), p. 9 [Delpher], ook in Haagsche dameskroniek 1937 volgens Het vaderland (20 september 1937), p. 2. [Delpher]
  • _ , toneelbespreking met illustraties van Mies Blomsma, Stad en land (1937) volgens Nieuwe Hoornsche courant (28 september 1937). [Delpher]
  • _ , ‘Hoed af voor de vrouwen van Schokland’, De Amsterdamsche dameskroniek 23, nr. 9 (30 oktober 1937), p. 9. [Delpher]
  • _ , ‘Saint Clair & Day dansen in de Bouwmeester Revue: Neerlands Bloed’, De Amsterdamsche dameskroniek 23, nr. 46 (16 juli 1938), p. 5-6 [Delpher]
  • _ , ‘Stadskinderen buiten: Een zomerse dag op Westeroord’, Het volk (23 juli 1938), p. 8. [Delpher]
  • _ , ‘Andreas Pavley: de legende van een Hollandsen danser’, Het volk (24 augustus 1938), p. 8. [Delpher], ook afgedrukt in het Utrechts volksblad (25 augustus 1938), p. 10. [Delpher]
  • _ , ‘Hoe ziet Peter Pech eruit? De man, die niet op een plaatje wil’, Het volk (9 september 1938), p. 8. [Delpher], ook afgedrukt in Utrechts volksblad (12 september 1938), p. 13. [Delpher]
  • _ , over Nynke van Hichtum in De gulden winckel (1939), p. 11, volgens Haagsche courant (9 februari 1939). [Delpher]
  • _ , over Amsterdam in Maandblad Amsterdam (1939), volgens De tijd (22 maart 1939), p. 7. [Delpher]
  • _ , ‘Onder het vangnet’, Zaans volksblad (19 april 1939), p. 7. [Delpher]
  • _ , ‘Het achteruitzicht’, Het volk (5 mei 1939), p. 12 [Delpher], ook afgedrukt in Zaans volksblad (6 mei 1939), p. 11. [Delpher]
  • _ , ‘Amsterdam en het zoute water: Javakade, een haven zonder de traditionele romantiek’, Het volk (13 mei 1939), p. 9. [Delpher]
  • _ , ‘Vier en veertig vrouwen in de zon: De Amsterdamse Bestuurders Bond organiseert kampen bij Castricum’, Het volk (30 mei 1939), p. 9 [Delpher], ook afgedrukt in Zaans volksblad (31 mei 1939, p. 7. [Delpher]
  • _ , ‘Stedelingen kamperen maandenlang onder het linnen dak’, Het volk (4 juli 1939), p. 3 [Delpher], ook afgedrukt in Zaans volksblad (5 juli 1939), p. 8. [Delpher]
  • _ , ‘Getuigenisavond voor Spanje in het R.A.I.-gebouw’, Zaans volksblad (12 april 1938), p. 7. [Delpher]
  • _ , ‘De boerderij’, Het volk (17 juli 1939), p. 10. [Delpher]
  • _ , ‘De Kerstboom’, Het volk (22 december 1939), p. 10. [Delpher]
  • _ , ‘Oud-Hollandse kroegjes: Zware balken, ruwe steen, smeedijzer en antiek’, Het volk (1 februari 1940), p. 14. [Delpher]
  • _ , ‘Het woord van deze tijd’, Het volk (9 maart 1940), p. 7. [Delpher]
  • _ , ‘Schuilkelders in het voorjaar’, Het volk (28 maart 1940), p. 10. [Delpher]
  • _ , ‘De tijd van verandering en vernieuwing’, Utrechts volksblad (29 maart 1940), p. 13. [Delpher]
  • _ , ‘Voorjaar op de eilanden …’, Het volk (13 april 1940), p. 11. [Delpher]
  • _ , ‘Het is weer zomer!’, Het volk (4 mei 1940), p. 13. [Delpher]

Noten

[1] Blomsma 1930 – ‘L’histoire se répète’.

[2] Blomsma 1931 – Vluchtige Brusselsche impressies.

[3] Blomsma 1931 – ‘Het ingesneeuwde dorp.

[4] Blomsma 1931 – ‘Van het werkelijke communisme’.

[5] Blomsma 1931 – Berlin: Uferstrasze 15.

[6] Blomsma 1934 – Onbeschermd huispersoneel

[7] Blomsma 1933 – over Nynke van Hichtum en Blomsma 1939 – over Nynke van Hichtum.

[8] Blomsma 1933 – Tilla Durieux.

[9] Blomsma 1935 – Onbekende vrouwen.

[10] Blomsma 1937 – Toen de groote ramp, Blomsma 1937 – De vrouw en haar beroep en Blomsma 1937 – Hoed af voor de vrouwen van Schokland. Hoewel ze dus vanaf 1937 al geregeld stukken schrijft wordt ze pas vanaf 1939 als vaste medewerker van De Amsterdamsche Dameskroniek genoemd. Zie De Amsterdamsche dameskroniek 24, nr. 26 (24 februari 1939, p. 1 [Delpher].

[11] Lucas Ligtenberg, Mij krijgen ze niet levend: De zelfmoorden van mei 1940 (Amsterdam: Balans, 2017), p. 123.

[12] Id., p. 125 en Ron van den Berg, ‘Echtpaar Schreiner-Blomsma’, DEELgenoot 86 (2018), p. 2157. [PDF]

[13] Ligtenberg 2017, p. 125-126 en van den Berg 2018, p. 2157.

[14] Anthonie Donker [= Nicolaas Anthonie Donkersloot], ‘In memoriam: Gerth Schreiner en Mies Blomsma’, Critisch Bulletin 13 (1945-1946), p. 63 [DBNL].

[15] Halbo C. Kool, Roodboek: Poeziealbum (Amsterdam: De Bezige Bij, 1947).

[16] Cruys Voorbergh [= E.P.C. van Vrijberghe de Coningh], Erfenis van eeuwen, geïllustreerd (Amsterdam: De Arbeiderspers, 1941) [Delpher]. Zie ook van den Berg, 2018, p. 2156.

Voor deze en vorige blogposts over Mies Blomsma ben ik Wouter van Rossem van Galerie TroosT in Groningen dank verschuldigd. Niet alleen zette hij me op het spoor van Blomsma, maar ook leverde hij veel waardevolle informatie en bronmateriaal waarop ik voor mijn onderzoek kon voortbouwen.

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Back to Top