Papieren pinksterbloem
Mijn vorige post ‘In Apeldoorn’ over Annie Gerdes Oosterbeek (1902-1972) had vooral betrekking op haar werk als lerares tekenen en handvaardigheid, maar daartoe beperkt ze zich allerminst. In werkelijkheid onderneemt ze veel meer. Ze ontwerpt namelijk decors en affiches en illustreert kinderverhalen en jeugdboeken die bovendien goed ontvangen worden. Een van haar affiches wordt zelfs beschreven als een papieren pinksterbloem die door het hele land zal prijken.
Het slapende bos
Kort na haar terugkeer uit Den Haag waar Gerdes Oosterbeek een opleiding aan de Academie van Beeldende Kunsten volgt, gaat ze aan de slag als teken- en handvaardigheidslerares in Apeldoorn. Ze werkt dan onder andere voor de kweekschool daar. Naast haar werk als onderwijzeres neemt ze ook deel aan buitenschoolse projecten en zoekt ze bezigheden waarin ze haar artistieke aanleg ten volle weet te benutten.

In 1925 is er bijvoorbeeld een zanguitvoering van koorklassen van zangdocente C. Eerkens in het Minerva Theater in Apeldoorn. Het is een liefdadige voorstelling, want de opbrengsten komen ten goede aan de Vereniging voor Kinderkleding en -Voeding. De verwachtingen ervan zijn hooggespannen, want over Eerkens schrijft een verslaggever met de initialen J.H.T. in Nieuwe Apeldoornsche courant (28 december 1925):
Mejuffrouw Eerkens is een paedagoge, die haar gaven niet misbruikt door loondienst – wat ze doet, doet ze uit liefde tot de kunst, doet ze als de bekwame opvoedster met alle kracht en energie, en daarom wordt zij in stilte door zeer velen bewonderd en hoog geëerd.
Na hun zanguitvoering spelen de klassen van Eerkens ook nog een operette met de titel ‘De schone in het slapende bos’. Zoals de titel al doet vermoeden gaat het om een bewerking van het sprookje Doornroosje. Een vrouw met de naam A. Zoeteman assisteert Eerkens in de regie en ballet, terwijl Gerdes Oosterbeek in de kostumering “haar zaakkundigen en daadwerkelijken bijstand” verleent.
Buitengewoon
Voor elk bedrijf ontwerpt Gerdes Oosterbeek een decor, vier doeken in totaal. Plan 1 stelt het rozenkasteel voor, het tweede plan de eetzaal met slapende figuren en de ontwakende prinses en het derde een groep feeën. Plan 2 en 3 worden achtereenvolgens ontrold, vertelt de journalist, zodat de drie plans samen ten slotte één toneel vormen. In het vierde bedrijf wordt gebruik gemaakt van een nieuw ontworpen en geschilderd doek dat het eerste plan afsluit. De hierboven al kort genoemde journalist van Nieuwe Apeldoornsche courant (hierna: NAC) is lovend:
We zouden onuitputtelijk, in onze lofuittingen [sic] kunnen zijn omdat we hier voor een buitengewoon sympathiek werk staan
De operette is dus een groot succes en wordt nogmaals opgevoerd in januari 1926 na een watersnood volgens NAC (18 januari 1926). Opnieuw dient de opvoering dan een liefdadig doel, want de opbrengsten komen ten goede aan de watersnoodslachtoffers. Ook deze uitvoering is auccesvol. De avond brengt namelijk bijna 400 gulden op volgens NAC (21 januari 1926). Volgens de omrekentool van het Centraal Bureau van de Statistiek is dit vergelijkbaar met een aanzienlijk bedrag van ongeveer 4000 euro vandaag.
In 1938 ontwerpt Gerdes Oosterbeek nogmaals een decor. Tijdens een Sinterklaasviering voeren de leerlingen van de hoogste klassen van de Rijkskweekschool, waar Gerdes Oosterbeek ook lesgeeft, namelijk een kinderoperette op onder leiding van leraressen met de namen De Graaf en Hildebrand. Opnieuw gaat het om het sprookje, deze keer dat van Repelsteeltje, waarschijnlijk in een bewerking van Johanna Francina Veth.[1] De toneelverzorging die in handen is van Gerdes Oosterbeek en Cornelis Boon – beiden onderwijzer aan de kweekschool – “laat niets te wenschen over” volgens de journalist van NAC (5 december 1938).
Affiches
Naast decors creëert Gerdes Oosterbeek affiches. Zo ontwerpt ze bijvoorbeeld een reclameplaat met de aankondiging van een feestelijke bijeenkomst vanwege het zilveren jubileum van de vereniging Oost en West. Op woensdag 23 februari komt de afdeling Apeldoorn van deze vereniging bijeen in het Minerva Theater volgens een advertentie in NAC (17 februari 1927). Ter plaatse bedankt de secretaris Johannes Cornelis Baars Gerdes Oosterbeek voor haar “pakkende reclame-billet” volgens NAC (25 februari 1927).
Daarnaast is Gerdes Oosterbeek betrokken bij de Nationale Tuinbouwtentoonstelling in Apeldoorn volgens NAC (2 juni 1933). Met deze tentoonstelling wordt in 1933 het vijftigjarig bestaan gevierd van de Nederlandse Maatschappij voor Tuinbouw en Plantkunde, afdeling Apeldoorn.[2] Voor de gelegenheid van de tuinbouwtentoonstelling worden meerdere ontwerpen voor een reclameplaat gemaakt. Uiteindelijk wordt daaruit het ontwerp van Gerdes Oosterbeek gekozen als de meest geslaagde versie.
Papieren pinksterbloem
Het winnende ontwerp wordt vervolgens uitvoerig beschreven in het tijdschrift Floralia.[3] De schrijvende redacteur noemt twee kinderen met een mand appels tussen zich in en bloemen tegen de borst geklemd in een omlijsting van bloemvormen. Links op de achtergrond is de Eierhal te herkennen waar de tentoonstelling plaatsvindt, met daarboven de tekst ‘Apeldoorn’ in witte letters. De redacteur van Floralia spreekt zijn bewondering uit over de voorstelling en de vrolijke kleuren en besluit:
De Tentoonstellingscommissie en Mej. Gerdez [sic] Oosterbeek onze gelukwenschen met deze mooie reclameplaat, die straks zeker overal in het land zal prijken als een papieren Pinksterblomme.
Tot nu toe heb ik helaas geen exemplaar van dit bewonderde affiche kunnen vinden. Wel zijn er enkele prachtige aquarellen van de hand van Gerdes Oosterbeek bewaard die alvast een idee geven van haar talent. Hierover zal ik in een volgende blogpost uitvoeriger komen te spreken.

Bergenland
Haar decors en affiches dienen vooral lokale scholen en verenigingen, maar Gerdes Oosterbeek weet soms een groter publiek te bereiken. Het affiche van de Tuinbouwtentoonstelling is namelijk ook te zien buiten Apeldoorn en dat geldt ook voor haar illustraties. Vanaf 1930 verrijkt ze bijvoorbeeld enkele verhalen in de periodiek Ons eigen tijdschrift met haar afbeeldingen, om te beginnen ‘De verhalen van Anne-Betje’ van Anna Sutorius.[4]

Sutorius beschrijft het avontuur van een meisje met de naam Anne-Betje dat tijdens een wandeling een elfje op de rand van een bloemblad ziet zitten. Het elfje neemt het meisje vervolgens mee waarna ze samen met andere elfen genieten van lekkernijen totdat een steenbok het feest komt verstoren. Door ingrijpen van Anne-Betje wordt het toch een genoeglijk samenzijn en uiteindelijk brengt de bok Anne-Betje weer naar huis terug. Sutorius situeert het verhaal in “het bergenland”, zonder dat land verder te beschrijven.

Gerdes Oosterbeek kiest vervolgens voor een landschap dat Zwitsers aandoet. Mogelijk put ze hiervoor inspiratie uit haar eigen reizen naar Zwitserland die eveneens uitvoeriger in een volgende post aan bod zullen komen.
Er volgen meer illustraties voor het jeugdkatern in Ons tijdschrift. In het septembernummer illustreert Gerdes Oosterbeek bijvoorbeeld, samen met Netty Heylighers, een verhaal ‘Rietje en de oude juffrouw’ van Nannie van Wehl, een pseudoniem van schrijfster Susanna Jacoba Adriana Lugten-Reys.[5]
Kerstroos
Ten slotte maakt ze voor het decembernummer van 1931 tekeningen bij een kerstgedicht getiteld ‘Het kerstroosje’ dat net als het eerdere verhaal over Anne-Betje door Anna Sutorius is geschreven.[6] Hierin figureren weer elfjes.


In ‘Het kerstroosje’ verhaalt Sutorius van een groep elfjes die bloemen gaan beschilderen. Met hun verf, paletten en penselen gaan ze op stap. Een klein wit roosje wordt rood en een viooltje krijgt krabbels in verschillende kleuren. Ten slotte komen de elfjes bij een kerstroos:
De koning der elfen zei: “Kindren, Kom hier met je verf maar niet aan!” En een elfje zei zacht: “’t Is de kerstroos, En het Kerst-kindje heeft ’t al gedaan!”
Gerdes Oosterbeek visualiseert de elfjes als vrolijk schilderende kinderen waarvoor ze ongetwijfeld inspiratie haalt uit haar dagelijkse omgeving. Sinds 1925 is ze namelijk als tijdelijk docent tekenen werkzaam aan de Rijkskweekschool voor Onderwijzeressen in Apeldoorn. Daarnaast geeft ze vakken aan juist opgerichte Nijverheidsschool voor Meisjes in Apeldoorn. Ten slotte doceert Gerdes Oosterbeek tekenen en handvaardigheid op een lagere school, zoals ik beschreef in mijn vorige post. Het is niet moeilijk voor te stellen dat ze de afbeeldingen van schilderende elfjes baseert op haar ervaringen met leerlingen in haar teken- en handvaardigheidsklassen.

Editio
De opdrachten voor Ons tijdschrift leiden tot meer, want in 1933 wordt Gerdes Oosterbeek vervolgens gevraagd om twee kinderboeken te illustreren, een boek van Anke Servaes (pseudoniem van Anna Gertruda Wijdom), en een ander van Reindert Johan Valkhoff volgens Zutphensche courant (5 december 1933). Mogelijk kent Gerdes Oosterbeek dit schrijversechtpaar al wanneer dat nog in Amersfoort woont. In november 1928 is het stel echter vanwege de gezondheid van Valkhoff naar Bergen in Noord-Holland verhuisd.[7] De twee genoemde boeken, te weten De vlucht en Schaatsen, verschijnen vervolgens bij uitgeversmaatschappij Editio te Hillegom, zowel afzonderlijk als gezamenlijk in één band.



De boeken worden besproken in de nationale pers waarbij er ook aandacht is voor de tekeningen. Het zijn “bevattelijke illustraties”, schrijft H.v.H. in het doopsgezind weekblad De Zondagsbode.[8] Ook noemt een recensent van Twentsch dagblad Tubantia en Enschedesche courant (20 april 1934) de “goed geslaagde teekeningen” van Gerdes Oosterbeek.
Ruth
Uitgeversmaatschappij Editio waar de boeken van WIjdom en Valkhoff verschijnen, geeft tevens boeken en platen uit voor zondagsscholen en godsdienstonderwijs. Het gaat immers om een uitgever van een protestant-christelijk signatuur. Voor deze uitgeverij voor lectuur “in vrijzinnigen geest” doet Gerdes Oosterbeek vervolgens meer werk. Zo ontwerpt ze in 1935 bijvoorbeeld een belijdenisplaat, volgens De avondpost (23 maart 1935).

Bovendien tekent Gerdes Oosterbeek een van de acht platen voor het boek Achter de maaiers van predikant Alidus Anne Sepp. De hare is zelfs de eerste plaat van de acht in het boek en daarin voert Gerdes Oosterbeek de bijbelfiguur Ruth ten tonele.
De voorstelling van de vrouw in het korenveld vergezelt een gedicht van schrijver en predikant Johannes Petrus Hasebroek waarin deze Ruth vergelijkt met een blauwe korenbloem in de gele graanakkers. Het gedicht gaat vooraf aan het verhaal van Sepp dat een vers uit het Bijbelboek Ruth als motto heeft: “Laat mij toch aren lezen bij de schoven achter de maaiers.” De tekening van Gerdes Oosterbeek illustreert dus niet alleen het gedicht maar teven het motto. Haar plaat zet daarmee de toon voor het gehele boek.
Aardige plaatjes
In 1935 verschijnt dan het meisjesboek Moed van Anna van Gogh-Kaulbach bij De Tijdstroom in Lochem. Daarvoor ontwerpt Gerdes Oosterbeek zowel de bandtekening als de illustraties. M.P. Zaalberg schrijft vervolgens in het tweewekelijks blad De bibliotheekhouder:
Ook de illustraties verdienen een bizonder woord van lof. Iemand, die dezer dagen voor gansch andere zaken bij mij kwam en het boek opengeslagen naast mij zag liggen, nam het op, bladerde er in en zei uit den grond van zijn hart: wat zijn dàt een aardige plaatjes!
– Zaalberg in De bibliotheekhouder 4, nr. 22 (1935), p. 38-39 [Delpher]

Op de allerlaatste pagina van het boek heeft Gerdes Oosterbeek “een aardig landhuisje” geschetst, meent ook recensent W.B.Z. in Haarlem’s Dagblad (22 juni 1935). Het is bovendien veel meer dan een schets, de tekening is het laatste hoofdstuk. Ook hier maakt de illustratie dus een essentieel onderdeel uit van het verhaal.
Dit bijzondere einde van het boek valt ook andere recensenten op, bijvoorbeeld de journalist van Provinciale Overijsselsche en Zwolsche courant (14 september 1935) die over de hoofdpersoon Rosalind schrijft:
Rose zet door en bereikt haar doel, zoodat het laatste hoofdstuk, het achttiende, niets anders is dan het opschrift: “Acht jaar later en nog vele jaren daarna”, met daaronder een teekening van een mooi huisje, waarvoor een bord met het opschrift: Ir. H. Lelieveldt; Rosalind Lelieveldt-ten Bosch, kinderarts, spreekuur 2-4 uur.
Het gaat dus opnieuw om meer dan een illustratie. De tekening is een blik in de toekomst die het hele verhaal met vooral visuele middelen tot een goed einde brengt.
Reusachtige schildersezel
In Moed beschrijft Anna van Gogh-Kaulbach het verhaal van een jonge vrouw Rosalindt, die op zoek is naar een betrekking, wanneer ze in dienst komt van een echtpaar. Wim van der Land is veearts is en zijn vrouw Rine schildert in haar vrije tijd. Wanneer Rosalindt haar nieuwe werkgeefster koffie gaat brengen in haar atelier, beschrijft Van Gogh-Kaulbach de schilderende Rine:
Ze zat op een hooge kruk vóór een reusachtige schildersezel, waar een groot doek op stond; in haar linkerhand hield ze een palet, de rechter wuifde met een lang penseel naar Rose.

Gerdes Oosterbeek tekent de vrouw vervolgens, gekleed in overal, zittend haar schildersezel, terwijl ze geconcentreerd bezig is met haar schilderwerk. Met palet in haar linkerhand, een lang penseel in de andere, zoals beschreven door Van Gogh-Kaulbach, probeert Rine het huis van haar ouders op het doek te vatten. Haar angorakat Purity zit naast haar.
Ronner
Vervolgens vertelt de schilderes aan Rosalindt dat ze de kat al vaak heeft proberen te portretteren, maar deze wil niet stilzitten. “Henriëtte Ronner, je weet wel, de beroemde kattenschilderes, zette haar modellen in een glazen kast om ze kalm te houden”, merkt Rine vervolgens op. Dat kan Rine echter niet over haar hart verkrijgen.
Hoewel Van Gogh-Kaulbach het verhaal schrijft, zal Gerdes Oosterbeek ongetwijfeld uit haar eigen ervaringen als schilderes geput hebben om de scène in beeld te brengen. Bovendien lijkt de afbeelding van de kat Purity die tevens is afgebeeld en de lezer recht aankijkt, een knipoog naar de lezer. De amateurschilderes in het verhaal heeft dan misschien problemen met het afbeelden van de angorakat, maar Gerdes Oosterbeek laat zien dat zij daarmee geen moeite heeft.
Het kind
Naast haar boekillustraties blijft Gerdes Oosterbeek ook illustreren voor tijdschriften. Zo maakt ze bijvoorbeeld enkele tekeningen voor een verhaal in het kinderkatern in het tweewekelijks tijdschrift voor ouders en opvoeders Het kind.[9]

In het verhaal beschrijft Margo Lykles ‘Hoe de poppen Loesjes verjaardag vierden’. Daarin komen ’s nachts enkele poppen van een meisje Loesje tot leven. Overigens wordt er er in behoorlijk negatieve stereotypen en racistische bewoordingen gesproken over een pop met een zwarte huidskleur. Gerdes Oosterbeek zet de negatieve stereotyperingen nog eens extra aan in de illustraties. De beelden weerspiegelen zonder omhaal de enorme vooroordelen over zwarte mensen in de tijd dat Gerdes Oosterbeek de illustraties maakt. Op dat moment zijn die beelden gangbaar, maar nu worden ze terecht bekritiseerd als kwetsend en problematisch.
Betrokken pedagoog
Annie Gerdes Oosterbeek weet haar tekentalent in te zetten naast haar werkzaamheden als onderwijzeres. Ze ontwerpt decors en affiches, vooral voor evenementen in haar woonplaats Apeldoorn. Sommige van die gebeurtenissen trekken een groter publiek, zoals de Nationale Tuinbouwtentoonstelling. Het affiche dat ze daarvoor ontwerpt, is ook buiten Apeldoorn te zien, zelfs door het hele land.
Bovendien weet ze met haar illustraties een nationaal publiek te bereiken. Dan gaat het vooral om een publiek van kinderen en jongeren, want ze illustreert met name jeugdverhalen, zowel in tijdschriften als in boekvorm. Dit sluit naadloos aan bij haar werkzaamheden als lerares waarin ze zich een betrokken pedagoog betoont, zoals ik in mijn voorgaande blogpost betoogde. Gerdes Oosterbeek put zelfs inspiratie uit haar persoonlijke leven als teken- en nijverheidslerares. In haar illustraties voor kinderboeken brengt zij namelijk vaak schilderende kinderen in beeld waarvoor ze ongetwijfeld haar eigen kinderklassen tot voorbeeld neemt.
Een kanttekening is echter op zijn plaats: Hoewel haar meeste illustraties een lieflijke toon aan slaan, laat ze zich ook meevoeren met de racistische en stereotyperende toon van het verhaal van Margo Lykles in Het kind.
Kunstenaarskringen
Na het benoemen van haar ontwerpen en illustraties ben ik nog niet uitgesproken over Annie Gerdes Oosterbeek. Ze maakt namelijk ook deel uit van Apeldoornse kunstenaarskringen. Vooral haar aquarellen en tekeningen exposeert ze regelmatig, eerst bij kunsthandel Minderman in Apeldoorn en later in kunstenaarscentrum aan de Loolaan. Van haar stillevens beeldde ik hierboven al een prachtig voorbeeld af, maar in haar geschilderde werk legt ze ook haar reizen vast. Daarover volgt volgende week meer.
Literatuur
- Anke Servaes. Een keur uit haar werk met biographie, beoordelingen en andere bijdragen (Bussum: Kroonder, 1949).
- Boef-van der Meulen, Suus, ‘Reys, Susanna Jacoba Adriana.’ In Digitaal Vrouwenlexicon van Nederland, gepubliceerd op 27 november 2017. [Huijgens Instituut]
- Kerkhoven, Jaap, ‘Heijligers, Jeannette.’ In Digitaal Vrouwenlexicon van Nederland, gepubliceerd op 5 juni 2019. [Huijgens Instituut]
- Ros, Bea, ‘Anna Sutorius’, in: Lexicon van de jeugdliteratuur, februari 1999. [DBNL]
- Veenhuizen, Dick, Groen > Apeldoorn. De boom- en bloemkwekerijen (Apeldoorn: Vereniging Oud Apeldoorn, 2024)
- van der Veer, Janneke, ‘Anke Servaes.’ In Lexicon van de jeugdliteratuur, juni 1996 [DBNL].
- van der Veer, Janneke, ‘Wijdom, Anna Gertruda.’ In Digitaal Vrouwenlexicon van Nederland, gepubliceerd op 30 november 2017. [Huijgens Instituut]
- van der Veer, Janneke, ‘Anke Servaes’, Brabants Erfgoed, gepubliceerd op 24 september 2019. [online]
Noten
[1] Voor Veth, zie in memoriam ‘Johanna Veth’, De Gooi- en Eemlander (3 maart 1932), p. 7 [Delpher].
[2] Over deze maatschappij, zie ook Veenhuizen 2024.
[3] ‘Nationale Tuinbouwtentoonstelling 9 tot en met 12 Augustus te Apeldoorn: een mooie reclameplaat!’, Floralia 54, nr. 25 (22 juni 1933), z.p. [Delpher].
[4] Anna Sutorius. ‘De verhalen van Anne-Betje’, Ons eigen tijdschrift [volgnr. 7] (mei 1930), p. 217-218 [Delpher]. Voor Sutorius, zie Ros 1999.
[5] Nannie van Wehl, ‘Rietje en de oude juffrouw’, Ons eigen tijdschrift [volgnr. 11] (september 1930), p. 350-351 [Delpher]. Voor Heylighers, zie Kerkhoven 2019. Voor Nannie van Wehl (pseudoniem van Susanna Jacoba Adriana Lugten-Reys), zie Boef-van der Meulen 2017.
[6] Anna Sutorius, ‘Het Kerstroosje’, Ons eigen tijdschrift [volgnr. 2] (december 1931), p. 60 [Delpher].
[7] Voor Servaes, zie van der Veer 2019, van der Veer 2017, van der Veer 1997 en Anke Servaes 1949.
[8] De Zondagsbode 47, nr. 7 (17 december 1933), p. 28 [Delpher].
[9] Margo Lykles, ‘Hoe de poppen Loesjes verjaardag vierden’, Het kind 49, nr. 6 (1949), z.p. [p. 15-16] [Delpher].