Kunstenaars in crisistijd

Na een 6-jarig verblijf in Frankrijk verhuizen Yone Verploegh en Kees Roovers terug naar Nederland.[1] Hierbij speelt mogelijk een rol dat het steeds moeilijker wordt voor deze kunstenaars om van hun werk rond te komen. Wellicht hoopt het echtpaar op meer kunstopdrachten in Nederland waar hun netwerk groter is. Het blijft echter lastig als de financiële misère van de jaren ’30 aanbreekt die ook de kunstmarkt lamlegt. En dan breekt de Tweede Wereldoorlog uit. Verploegh en Roovers zijn kunstenaars in crisistijd. Ook in oorlogstijd en daarna weten zij maar met moeite het hoofd boven water te houden.

Crisistijd

Voorafgaand aan hun terugkeer naar Nederland verleggen Verploegh en Roovers hun focus al. In maart 1926 heeft Roovers namelijk een solotentoonstelling van tekeningen en schilderijen in Huize Van Hasselt in Rotterdam, volgens onder andere De Maasbode (9 maart 1926). Wellicht weten ze dan al dat ze gaan terugkeren, maar het is ook mogelijk dat hun beslissing daarna pas volgt. In ieder geval lijkt de terugkeer een verstandige beslissing. In september 1926 krijgt Roovers immers een grote kunstopdracht om de nieuwe Onze-Lieve-Vrouw-ten-Hemelopnemingkerk te Voorburg te beschilderen. Deze rooms-katholieke kerk aan de Laan van Nieuw Oosteinde, gebouwd naar een ontwerp van de Rotterdamse architect Petrus Gerardus Buskens, is kort daarvoor opgeleverd.

Houtsnede van een gesluierde vrouw zittend bij een boom, kind met korte tuniek en blote benen, ronde stralenkrans achter het hoofd zittend op schoot van de vrouw, onderlichaam sterk afgetekende tegen haar donkere gewaad
Yone Verploegh, Maria met kind, gesigneerd in de plaat Y Verploegh (rechtsonder), houtsnede, datering onbekend. Den Haag, Huis van het boek, RO 10 B 03. Bron: Huis van het boek.

Volgens een krantenbericht in De Maasbode (4 september 1926) is de opdracht aan Roovers en zijn vrouw toegekend. Toch lijkt alleen de rooms-katholieke kunstenaar Roovers zich aan de opdracht te verbinden. De Rotterdamse kunstschilder vervaardigt vervolgens de geschilderde kruiswegstaties, rechtstreeks op de muur.[2] In 1927 krijgt Roovers voorts een vergelijkbaar verzoek om De Willebrorduskerk aan de Beukelsdijk in Rotterdam te beschilderen volgens De Maasbode (7 mei 1927).

Misère

Ondanks de grote opdrachten wordt het steeds moeilijker voor het kunstenaarsechtpaar om rond te komen. De crisis is namelijk in volle gang en de kunstmarkt raakt totaal verlamd. Het is bijna onmogelijk voor kunstenaars om hun werk te verkopen. Een treffende illustratie daarvan vinden we in een brief van schilderes Miek Janssen die werk voor het bevriende echtpaar Roovers en Verploegh probeert te verkopen:

Tot mijn innige spijt lukt het totaal niet, eenig aquarel te verkoopen, want niemand heeft geld, alles misère

– Miek Janssen, brief aan Roovers en Verploegh, d.d. 20 juni 1932. Den Haag, RKD, archief 0169, inv.nr. 10.

Om te onderstrepen hoe erg het gesteld is, voegt Janssen daaraan toe dat het haar zelfs niet lukt om werk van haar geliefde Jan Toorop te verkopen.

Kazernestraat

In februari 1936 verhuist het gezin Roovers-Verploegh naar Den Haag, waar het eerst gaat wonen aan het Scheveningse Veer en vervolgens aan de Kazernestraat 110.[3] Op dat moment verhuist ook Verploeghs moeder met haar dochter Dora vanuit Parijs naar naar Den Haag waar ze gaan wonen aan de Antonie Duijckstraat 99, niet ver van Verploegh en haar gezin.[4]

Houtsnede van een boom met enkele knoestige takken, bijna geen blad, iets verder naar de achtergrond een kleinere boom met kleine smalle takken en geen blad
Yone Verploegh, Bomen, gesigneerd in de plaat met initialen ‘YR’ (linksonder), datering onbekend, houtsnede. Den Haag, Huis van het boek, RO 10 B 01. Bron: Huis van het boek

Aan de Kazernestraat openen Verploegh en Roovers vervolgens een tentoonstellingszaal waar ze exposities gaan organiseren. In januari 1937 tonen ze er bijvoorbeeld werk van de 78-jarige kunstenaar E.C. Ekker, een Nederlands kunstenaar woonachtig in het Franse Albi. Daarnaast is er ook werk van schilder en tekenaar Wim de Haas. Bovendien is er werk van Verploegh en Roovers zelf. Met betrekking tot Verploegh schrijft kunstcriticus Josyah Willem (Jos.) de Gruyter daarna in een recensie in Het vaderland (5 januari 1937):

Ten slotte schilder- èn beeldhouwwerk van de onmiskenbaar begaafde mevrouw D. Verploegh; in haar schilderwerk eer teer dan gespierd, in haar plastieken daarentegen meermalen zeer forsch, maar niettemin verwantschap vertoonend in de beide kanten van haar wezen. Het schilderwerk mist m.i. een hechten grondslag van technische geoefendheid, de plastieken lijken mij bijgevolg overwegend belangrijker. Er zijn heel levende, uitdrukkingssterke dingen onder, zelfs doet een kloek en driftig gedaan meisjesportret regelrecht aan den bezielden Rik Wouters denken.

Daaruit blijkt wel dat De Gruyter van het werk van Verploegh gecharmeerd is .

Toegewijd en ernstig

Dan breekt de oorlog uit. Duitse soldaten zijn in 1940 immers Nederland binnengevallen en na 5 dagen strijd is Nederland bezet gebied. Roovers en Verploegh blijven gedurende de oorlog druk doende als kunstenaars. Redacteur en kunstcriticus Ben van Eysselsteijn schrijft bijvoorbeeld naar aanleiding van een tentoonstelling van de Nederlandsche Kunstkring in Haagsche courant (18 november 1942):

Dan is er Kees Roovers met opmerkelijk werk en zeer verheugende inzendingen van mevr. Roovers-Verploegh, een serieuze kunstenares, die toegewijd en ernstig werkt.

De Gruyter – die inmiddels goed bekend is met het werk van Verploegh – schrijft echter naar aanleiding van dezelfde tentoonstelling in Het vaderland (13 november 1942):

Mevr. Roovers-Verploegh is geen gedisciplineerd talent, maar haar aanleg is grooter dan dat van velen en haar werk heeft steeds een menschelijke bewogenheid. Jammer alleen, dat zij tegenwoordig niet meer schijnt te produceeren, want ook deze inzending dagteekent van lang geleden, indien ik mij althans niet vergis.

Hoewel de één dus aanneemt dat Verploegh nog steeds als kunstenares werkzaam is, suggereert De Gruyter, die goed bekend lijkt te zijn met Verploeghs werk, het tegenovergestelde.

Kunstschilder

Toch komt uit recensies in de kranten een beeld naar voren van een actieve kunstenares. Verploegh blijft namelijk exposeren, waarschijnlijk in de hoop wat te kunnen verkopen en zo inkomsten te genereren, hoe moeilijk dat ook is.[5] Op exposities is namelijk nog steeds sculptuur van Verploegh te zien. Bijvoorbeeld zijn er twee kinderkopjes op een Haagse groepstentoonstelling in 1940. Daarover schrijft een kunstcriticus in een recensie in Algemeen handelsblad (3 augustus 1940):

Van mevrouw Roovers-Verploegh vinden we hier (voor ’t eerst, dunkt ons) eenig werk (nl. twee kinderkopjes) dat, fiks en rustig, met veel zekerheid en tevens met vrije hand gedaan, doet hopen dat we voortaan meer van haar kunst te zien zullen krijgen.

Ook een recensent van De Maasbode (8 augustus 1940) is bijzonder te spreken over deze inzending van Verploegh. Naast sculptuur exposeert ze haar schilderwerk en daarover schrijft een criticus van De residentiebode naar aanleiding van een tentoonstelling in de Haagse kunstzaal Kunst van Onzen Tijd in 1941:

Ook van Mevr. Roovers-Verploegh noteeren we een fraai bloemstuk.

De residentiebode (29 juli 1941), p. 4 via Delpher

In 1942 noemt De Gruyter voorts een schilderij: “een uit de verte aan Suze Robertson herinnerend stilleven door mevr. Roovers-Verploegh”. Ook al is het maar ‘uit de verte’ en dat is natuurlijk een groot compliment want schilderes Robertson wordt al geruime tijd bijzonder gewaardeerd.

Culturele propaganda

De Duitse bezetting betekent dat ook het kunstenaarsechtpaar zich moet verhouden tot de culturele propaganda van de bezetter. De tentoonstelling ‘Nederlandsche kunst van heden’ waaraan Verploegh en Roovers beide deelnemen, is bijvoorbeeld georganiseerd door de Nederlandsch-Duitsche Kultuurgemeenschap die als doelstelling heeft om de culturele samenwerking tussen Nederland en Duitsland te bevorderen. Een groot deel van de leden was lid van de NSB en beschermheer van de tentoonstelling is bovendien rijksminister Seyss-Inquart volgens Haagsche courant (29 april 1942).

Ook doen Roovers en Verploegh mee aan de tentoonstellingen Hulpwerk Beeldende Kunst in het Rijksmuseum (1942) en Van Abbe Museum (1942-1943) die worden georganiseerd door de Nederlandsche Volksdienst – opgericht als Nederlandse pendant van de Duitse National Sozialistische Volkswohlfahrt – in samenwerking met de Nederlandsche Kultuurkamer.

Th. Voorthuys, affiche bij Hulpwerk Beeldende Kunst tentoonstelling van Nederlandsche beeldende kunst in het Rijksmuseum, 1 augustus – 1 september 1942. NIOD, nr. 105374. Bron: NIOD

De dagelijkse effecten van het beleid van de Duitse bezetter zijn ook merkbaar in het werk van Roovers, blijkens een recensie in Het nationale dagblad voor het Nederlandsche volk (2 juni 1943) – een dagelijkse uitgave van de NSB:

Het werk van Kees Roovers is meer illustratief, hij schilderde o.a. twee Joden met sterren op, druk gebarend voor een boekhandel. Inderdaad ook een “stadsbeeld” zooals hij het betiteld!

De weerzin van de commentator tegen Roovers’ themakeuze is moeilijk te ontgaan. Mogelijk schemert in Roovers’ schilderij dan ook een beeldend verzet door tegens de antisemitische doelstellingen van de Kultuurkamer om de Joden uit het Nederlandse culturele leven te bannen.

Honger

Later schrijft Roovers over die periode:

In de oorlog werd door mij practisch niets verdiend, zodat wij hongerleden. Mijn zoon studerend te Leiden werd als Seyffard-gijzelaar gevangen gezet te Vught.

– Kees Roovers, biografische gegevens en levensloop. RKD, archief 169, inv.nr. 31

De gevangenneming is een vergelding van de aanslag op de Nederlandse generaal Seyffardt die de dader identificeert als ‘een student’. Bij gebrek aan verdere aanwijzingen zetten de verantwoordelijke autoriteiten honderden Nederlandse studenten gevangen in concentratiekamp Vught, onder wie dus de zoon van Roovers en Verploegh.

Als de oorlog voorbij is, betekent dat niet dat er makkelijker tijden aanbreken. Integendeel. Ook na de bevrijding gaat het moeizaam. Dit wordt wellicht verergerd door het feit dat Verploegh en Roovers tijdens de oorlog deelnamen aan exposities, georganiseerd door of in samenwerking met de Duitse bezetters en hun aanhangers. Voor sommigen is een deelname aan dergelijke tentoonstellingen tijdens de oorlog aanleiding om deelnemers na de oorlog te boycotten. Het is mij niet duidelijk of dit ook geldt voor Roovers en Verploegh, maar moeite om rond te komen hebben zij zeker.

Rust

Bovendien lijkt Verploeghs gezondheid haar inmiddels parten te spelen. In 1952 of 1953 schrijft Roovers, op zoek naar een betrekking of andere manieren om geld te verdienen:

Mijn vrouw is 67 jaar, heeft rust nodig

– Kees Roovers, Biografische gegevens en levensloop, 1952-1953, typoscript. De Haag, RKD, archief 0169, inv.nr. 31.

Desalniettemin tekent en schildert ze ook in deze tijd. Zo noemt Roovers bijvoorbeeld in een lijst van zijn werken ook aquarellen en tekeningen van Verploegh, met prijzen.[6] In deze prijslijst d.d. januari 1951 noemt hij van haar bijvoorbeeld een aquarel van bloemen en een schets van een man met een kruiwagen, te koop voor 50 gulden, een aquarel van bloemen voor 40 en een kinderschetsje voor 35 gulden. Andere genoemde schetsen, bijvoorbeeld van Verploeghs moeder – in 1937 overleden – zijn niet te koop.

Schilderij op een klein paneel van een naakte vrouw half liggend, bovenlichaam opgericht, gezien op de rug, geschilderd op de keerzijde van een houten drukplaat voor een houtsnede met bomen
Yone Verploegh (waarschijnlijk), Vrouwelijk naakt, geschilderd op de keerzijde van een drukplaat voor een houtsnede, datering onbekend. Den Haag, Huis van het boek, RO 10 B 03 (keerzijde). Bron: Huis van het boek.

Dat het gezin moeilijk rondkomt en waarschijnlijk ook tekort heeft aan materialen, blijkt mogelijk uit een drukplaat, bewaard in Museum van het Boek. De keerzijde van een houten paneel, waarvan Verploegh de voorzijde gebruikt heeft om de eerder afgebeelde houtsnede met bomen te drukken, wordt de ondergrond voor een klein schilderij van een vrouwelijk naakt, mogelijk ook van Verploegh.

Schilderij van mama

Ook zijn er andere aanwijzingen dat Verploegh blijft schilderen. In 1951 verlengt zij bijvoorbeeld haar lidmaatschap van de Nederlandse Kunstkring die verkooptentoonstellingen organiseert en waarmee Verploegh eerder ook al exposeerde.[7] Ten slotte schrijft zoon Rob in 1951 in een brief aan zijn moeder:

Wat leuk dat mama is gaan schilderen. Ik zou t prettig vinden een mooi schilderij van mama op mijn kantoor te hebben…. Zijn die meloenschilderijen niet bij die mevrouw (kunsthandelaarster) of bij [sic] is er nog een bij Liernur. Haal dit laatste maar vast terug.

– Rob Roovers, brief aan zijn ouders, ongedateerd (poststempel 1951). Den Haag, RKD, archief 0169, inv.nr. 44.

Stillevens met meloenen, genoemd door Rob in zijn brief, exposeert Verploegh ook tijdens de oorlog al verscheidene malen, in Amsterdam in 1942, in Eindhoven in 1942-1943 en in Den Haag in 1943. (Zie tentoonstellingsoverzicht hieronder.) Het lijkt er dus op dat Verploegh het thema meermaals oppakt en uitbeeldt, wellicht ook nog lang na de oorlog.

Misverstanden

Verploegh overlijdt op 15 juni 1965.[8]

Na de Tweede Wereldoorlog gaat Verploeghs dochter Olga Nina Roovers kunstgeschiedenis studeren. Ze loopt vervolgens stage als wetenschappelijk assistente aan het penningenkabinet, met als resultaat een catalogus van de Noord-Nederlandse geslagen penningen uit de periode 1567-1648, in bezit van het Koninklijk Penningkabinet.[9] In 1953 slaagt ze vervolgens voor haar doctoraal examen kunstgeschiedenis aan de Universiteit van Leiden, volgens Algemeen handelsblad (12 maart 1954). Daarna verschijnen verschillende artikelen van haar hand. Bovendien schrijft Roovers een kort artikel over dispuutspenningen in De beeldenaar waarin ook een penning naar een ontwerp van haar vader aan bod komt.

Verploeghs dochter is dus geen kunstenares, zoals wel eens is geopperd. Als kunstenares is Olga Nina Roovers bijvoorbeeld opgenomen in de database RKD artists. Wat de verwarring mogelijk in de hand werkt, zijn enkele linoleumsneden van de jonge Olga, bewaard in Huis van het Boek, mogelijk gemaakt in het atelier van haar ouders.[10] Deze bevinden zich bovendien tussen houtsnedes van haar moeder. Olga Roovers ontwikkelt zich echter niet verder als professioneel kunstenares.

Familie

Ten slotte lijkt het er misschien op dat Verploegh niet zo actief is als kunstenares omdat haar activiteiten weinig publieke aandacht krijgen, veel minder in ieder geval dan die van haar man Kees Roovers. Echter, uit recensies in kranten, persoonlijke documenten en foto’s uit het uitgebreide familiearchief, bewaard in het RKD – Nederlands Instituut voor Kunstgeschiedenis, blijkt dat Verploegh tot in de jaren ’50 als kunstenares werkzaam is en steeds nieuw werk blijft produceren dat ze bij tijd en wijlen ook exposeert.

Haar familie is daarbij voor haar een onuitputtelijke bron van inspiratie. Zo beschrijft Roovers een getekend portret van Verploeghs moeder. Daarnaast bevindt zich in het familiearchief – bewaard in het RKD – een fotokaart met daarop een getekend portret van Olga in het jaar 1924. Ook een gravure van dreumes met een kat is gemaakt naar een privéfoto van Verploeghs zoon Rob die dateert van circa 1920. Onder alle gebeeldhouwde “kinderkopjes” in tentoonstellingscatalogi bevinden zich bovendien ook portretten van haar kinderen. Daarnaast tekent, schildert en aquarelleert Verploegh graag bloemen, stillevens en landschappen. In Huis van het Boek in Den Haag bevindt zich ook een houtsnede van Maria met Kind, hierboven afgebeeld.

Met haar werk blijft Verploegh kunstcritici bovendien steeds verrassen. Deze gebruiken namelijk steevast woorden als fiks, fors, robuust, en kloek, met ook teer, fijn en rustig, om haar werk te omschrijven. Uit dit alles komt een beeld naar voren van een veelzijdige en ook eigenzinnige kunstenares die – ook al is het niet altijd in het publieke oog – artistiek actief blijft in langdurig moeilijke tijden.


Tentoonstellingen

Dit overzicht van tentoonstellingen waaraan Verploegh deelneemt, is gemaakt op basis van tentoonstellingscatalogi, vermeldingen van Verploegh in kranten, bijvoorbeeld in recensies, en documenten in het archief Roovers-Verploegh dat zich in het RKD bevindt (archief 0169).

Amsterdam, Artis, 1908: Zuid-Nieuw-Guinea-tentoonstelling [verslag in Het nieuws van den dag (28 april 1908), p. 11 via Delpher]

  • “twee groote teekeningen naar photo’s vervaardigd … van een man en een vrouw”

Parijs, Galerie Artes in Rue Tronchet, 1923: Tentoonstelling van 25 Nederlandse schilders, woonachtig in Frankrijk, 9 – 21 april [aankondiging in De Maasbode (7 april 1923) via Delpher en De tijd (10-04-1923), p. 7 via Delpher; recensies in De Gooi- en Eemlander (27 april 1923), p. 1 via Delpher en De Maasbode (22 april 1923) via Delpher]

  • “Coins de jardin” (nr. 22)
  • “Fleurs” (nr. 23)

Laren, Openbare Leeszaal Laren-Blaricum, 1932: Tweede Crisistentoonstelling van schilderijen in olie en waterverf ten behoeve van beeldend kunstenaars [verslag in Het volk (14 juni 1932), p. 6 via Delpher]

  • onbekend

Den Haag, Kunstzaal Martinus Liernur, 1934: Tentoonstelling Hollandsche [e]n Fransche kunst [recensie in Haagsche courant (8 november 1934) via Delpher]

  • “Kinderkopje in warm rood”

Den Haag, Kazernestraat 110, 1937: Tentoonstelling van werken door Wim de Haas, Kees Roovers en D. Verploegh [aankondiging in Haagsche courant (16 december 1936) via Delpher en recensie van Jos. de Gruyter in Het vaderland (5 januari 1937), p. 9 via Delpher]

  • onbekend

Den Haag, Kazernestraat 110, 1937: Tentoonstelling van stillevens van mej. A. van Hoytema, mej. S. de Lint, mevr. D. Verploegh, H. Krug, C. Roovers en v.d. Does, 13 – 27 februari, verlengd tot 6 maart [aankondiging in Het vaderland (13 februari 1937), p. 2 via Delpher en recensie van Jos. de Gruyter in Het vaderland (26 februari 1937), p. 1 via Delpher]

  • “stillevens”

Den Haag, Kunst van Onzen Tijd, 1940: Gemengde tentoonstelling [recensies in Algemeen handelsblad (3 augustus 1940), p. 3 via Delpher en De Maasbode (8 augustus 1940), p. 6 via Delpher]

  • “twee kinderkopjes”

Den Haag, Kunst van Onzen Tijd, 1941: Tentoonstelling van schilderijen, vanaf 9 juli [aankondiging in De tijd (6 juli 1941), p. 4 via Delpher en recensies van E. in Algemeen handelsblad (18 juli 1941), p. 5 via Delpher en De residentiebode (29 juli 1941), p. 4 via Delpher]

  • “bloemstuk”

Den Haag, Pulchri Studio, 1942: Tweede tentoonstelling Nederlandsche kunst van heden, 26 april – 10 mei [recensie van Jos. de Gruyter in Het vaderland (25 april 1942), p. 1 via Delpher, Herbert Wotte in Deutsche Zeitung in den Niederlanden (27 april 1942), p. 5 via Delpher en Haagsche courant (29 april 1942), p. 5 via Haags Gemeentearchief]

  • “Stilleven” (nr. 105)

Den Haag, Panorama Mesdag, 1942: Tentoonstelling Kunstkring Nederland, tot 7 december [recensie in Haagsche courant (18 november 1942), p. 2 via Haags Gemeentearchief en het nationaalsocialistische dagblad Het nationale dagblad: voor het Nederlandsche volk (12 november 1942), p. 4 via Delpher]

  • “plastieken, naar kinderkopjes”
  • “mansportret”
  • “geschilderd kinderkopje”

Amsterdam, Rijksmuseum, 1942: tentoonstelling Hulpwerk Beeldende Kunst, 1 augustus – 1 september

  • “Bloemen” (nr. 535)
  • “Bloemen” (nr. 774)
  • “Meloen” (nr. 814)

Eindhoven, Van Abbe Museum, 1942-1943: Tentoonstelling Hulpwerk Beeldende Kunst, 15 december – 15 januari [recensie van J. Creyghton in Dagblad van het Zuiden voor Eindhoven, Meierij, Peel en Kempenland (24 december 1942), p. 2 via Delpher]

  • “Stilleven met meloen” (nr. 90)
  • “Bloemen” (nr. 91)

Den Haag, Panorama Mesdag, 1943: Tentoonstelling Kunstkring Nederland, tot 6 juni [recensies in Haagsche courant (20 mei 1943), p. 3 via Haags Gemeentearchief, van Jos. de Gruyter in Het vaderland (26 mei 1943), p. 1 via Delpher en Eduard Rijff in Het nationale dagblad: voor het Nederlandsche volk (2 juni 1943), p. 2 via Delpher en in De schouw: orgaan van de Nederlandsche Kultuurkamer (15 juni 1943), p. 330 via Delpher]

  • “stilleven met meloen”
  • “bloemstilleven”

Catalogi

  • Amsterdam, Rijksmuseum, 1942. Tentoonstelling van Nederlandsche beeldende kunst: 1 augustus tot 1 september 1942, red. L.F.L. Fletterman (Nederlandsche Volksdienst, afdeeling “Hulpwerk beeldende kunst”), p. 814. [Delpher]
  • Den Haag, Pulchri Studio, 1942. Tweede tentoonstelling Nederlandsche kunst van heden: Pulchri Studio, Den Haag, 26 april tot 10 mei 1942 (Roepers’ Drukkerij), z.p. [Delpher]
  • Eindhoven, Van Abbemuseum, 1942: Tentoonstelling hulpwerk beeldende kunst van den Nederlandschen Volksdienst, samenst. L. F. L. Fletterman ([Nederlandsche Volksdienst]), z.p. [Delpher]
  • Parijs, Galerie Artes in Rue Tronchet, 1923. Ire Exposition de “La Tulipe” ([Parijs]).

Noten

[1] Op 14 juni 1926 vestigen Verploegh en Roovers zich met hun 3 jonge kinderen in Voorburg. Haags Gemeentearchief, archief 6009-01, inv.nr. 130, 1922-1939, Gezinskaarten Voorburg [Haags Gemeentearchief]. Voor de opdracht in Voorburg, zie ook Het vaderland (22 januari 1927), p. 2 [Delpher].

[2] ‘Onze Lieve Vrouw Tenhemelopneming: kerk in Voorburg’, rijksmonument ID 524461, op Rijksmonumenten.nl, gepubliceerd op 11 december 2006 [online].

[3] Haags Gemeentearchief, archief 0354-01: Bevolkingsregister gemeente Den Haag, inv.nr. 1471: Root – Rooij, J. de, [Haags Gemeentearchief].

[4] Id., archief 0354-01, inv.nr. 1810, 1913, Haags Bevolkingsregister (gezinskaarten) [Haags Gemeentearchief].

[5] In de Haagsche adresboeken van 1940 en 1941 staat ze in ieder geval als kunstschilder vermeld. Zie Haags Gemeentearchief, archief 7008-01: Adresboekjes ‘s-Gravenhage (1940), p. 570 [Haags Gemeentearchief] en id.: Adresboekjes ‘s-Gravenhage (1941), p. 499 [Haags Gemeentearchief].

[6] Den Haag, RKD – Nederlands Instituut voor Kunstgeschiedenis, archief Kees Roovers en Digna Roovers-Verploegh (0169) (hierna archief 0169), inv.nr. 52: Catalogus en Prijzen der schetsen, januari 1951.

[7] Id., archief 0169, inv.nr. 42: Lidmaatschap Verploegh van de Nederlandse Kunstkring 1951.

[8] Voor het overlijden van Yone Verploegh, zie Haags Gemeentearchief, archief 0335-01, inv.nr. 1856, 15-06-1965, Nadere toegang op het overlijdensregister van de gemeente ‘s-Gravenhage, aktenr. B1313 [Haags Gemeentearchief].

[9] Olga N. Roovers, ‘De Noord-Nederlandse triumfpenningen’, Jaarboek van het Koninklijk Nederlands Genootschap voor Munt- en Penningkunde 40, eerste gedeelte (Amsterdam, [1953]), p. 1-48 [online].

[10] Den Haag, Huis van het boek, RO 10 [collectie online] en RO 12 [collectie online].

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Back to Top