Kunstschilderes en oorlogscorrespondente
Kopers lijken Kiehls geschilderde en getekende bloemen goed te kunnen vinden, via Haagse galeries en nationale tentoonstellingen, zoals in mijn vorige post te lezen was. Niet alleen exposeert Wilhelmine Kiehl (1862-1922) geregeld, de recensenten zijn bovendien vaak lovend over haar werk. In 1900 heeft Kiehl vervolgens haar eerste solotentoonstelling. Nog steeds krijgen haar bloemstukken waardering, maar ook zijn er veel op- en aanmerkingen bij het verzameld werk in de Kunstzaal. Het tij lijkt dus wat te keren na haar vliegende start. Toch maakt dit Kiehl niet minder indrukwekkend. Sterker nog, ze is een enorm veelzijdig persoon. Ze weet zelfs werk als kunstschilderes en oorlogscorrespondente met elkaar te combineren.
Solo
In 1900 richt Kiehl haar eerste solotentoonstelling in. Deze vindt plaats in de Kunstzaal te Den Haag. Er hangen ten minste 64 werken, meest bloemen, zo kan ik op basis van recensies in de diverse dagbladen reconstrueren. [1]

Recensies naar aanleiding van Kiehls solovlucht verschijnen achtereenvolgens in Dagblad van Zuidholland en ’s Gravenhage (24 april 1900), Het vaderland (24 april), De avondpost (24 april), Arnhemsche courant (3 mei) en Nieuws van de dag (7 mei). Voorzichtig positief is de recensent G. van Dagblad van Zuidholland, maar de recensent van Het vaderland (24 april 1900) noemt Kiehls bloemstukken “geenszins onsympathiek”, maar “voor alles décoratief”, met alsnog een licht negatieve bijklank. In alle opzichten beschouwt de schrijver Kiehls bloemen als conventioneel.
De landschappen die Kiehl tentoonstelt, naast haar bloemstukken, hadden beter helemaal achterwege kunnen blijven, zo betoogt G. Daarnaast bepleit J.N. Valler in Nieuws van de dag:
Alles bijeen genomen, had Mejuffrouw Kiehl beter gedaan, met het wereldkundig maken van haar “Oeuvre” te wachten, totdat zij een hooger standpunt bereikt had.
Waar Valler nog enkele goede woorden over heeft voor de natuurstudies, levert deze vooral kritiek op de portretten die Kiehl tentoonstelt. In De avondpost (24 april 1900) sluit recensent H. zich daarbij aan, evenals de anonymus in Arnhemsche courant (3 mei 1900).
Beiden herhalen nog eens dat Kiehl de portretten en landschappen – ook al zijn die in de minderheid op de tentoonstelling – beter thuis had kunnen laten.
Begeestering in bloemen
Toch blijven de oordelen over de bloemstukken overwegend positief. Ter illustratie, de kritische anonymus in Arnhemsche courant schrijft:
Waar zij daarentegen in de bloem begeestering vond, daar is haar kunst van meer waardeerbaren aard.
En al eerder genoemde H. wordt bijna lyrisch bij het beschrijven van Begonia’s:
Krachtig is het geschilderd in juiste, vlakke kleuren; het licht en de schaduw beide zijn zeer goed van toon en eenvoudig naast elkander geplaatst! Fel brandend is het rood van de bloemen, die overal tusschen de dof-groene bladeren tevoorschijn komen. En het is zoo volkomen de kleur van die bloemen!
– H., ‘Tentoonstelling Mejuffrouw W.J.L. Kiehl’, De avondpost (1900) via Delpher
Ook de uitermate kritische G. geeft toe dat uit de bloemstukken fantasie sprak, “fantasie in het arrangeeren, fantasie – zij deze ook al niet altijd even gelukkig – in de fonds, fantasie ook in de verdeeling van licht en schaduw”. Kennelijk kunnen alle recensenten ook veel goeds ontdekken.
Journaliste
Na 1900 neemt de frequentie van tentoonstellingen van Kiehls schilderwerk af. Ze stelt nog wel enkele malen tentoon. Zo neemt ze bijvoorbeeld deel aan een internationale expositie in Scheveningen in 1902, maar daarna vindt ze andere bronnen van inkomsten. Uiteindelijk overlijdt ze in 1922, in Hierden: “oud zestig jaren – schilderes en journaliste”, zo staat in het overlijdensregister van Harderwijk vermeld (0207A_8388.03, aktenr 76).

Naast haar werk als schilderes is Kiehl namelijk wetenschapsjournalistiek gaan bedrijven, vooral in het Engels voor de buitenlandse pers. De vaardigheid in de Engelse taal heeft ze ongetwijfeld als tiener opgedaan, toen het gezin Kiehl tijdelijk in Hull woonde. Verschillende van Kiehls artikelen over technologische ontwikkeling in Nederland verschijnen in het populairwetenschappelijke tijdschrift Scientific American. Enkele titels luiden bijvoorbeeld ‘The First Electric Boat Lift in Holland’, ‘Flooring the Sea with Concrete’ en ‘Holland in the Grip of its Old Enemy’. [2]
Oorlogsverslagen en kinderverhalen
Bovendien doet ze later vanuit Nederland verslag van de Eerste Wereldoorlog voor het Amerikaanse dagblad Chicago Daily News. The Chicago Daily Tribune noemt haar één van “the men who have been cabling war news to The Daily News – most of it exclusive news”:

Voor de krant is oorlogsverslaggeving kennelijk bovenal een mannenzaak. Opvallend genoeg wordt Kiehl met haar initialen aangeduid, niet met haar volledige roepnaam. Het werpt op zijn minst de vraag op of onder de andere “men” die met hun initialen worden aangeduid, niet nog enkele vrouwen schuilgaan.
Als kunstschilderes en oorlogscorrespondente is de productiviteit van Kiehl niet uitgeput, want naast haar journalistieke werkzaamheden vertaalt ze ook nog kinderverhalen uit het Nederlands en Duits in het Engels. Voorbeelden daarvan zijn ‘A Stoney Heart. A Story of the Schwarzwald’ (1914) en ‘The Three Young Nobles of Birgum. A Frisian Folk-Tale’ (1915). [3]
Deze schrijfproducten in combinatie met enkele kritische tentoonstellingsrecensies zijn mogelijk de reden voor kunsthistorica Yvette Marcus-de Groot om op te merken dat Kiehls “pennenvruchten uiteindelijk succesrijker waren dan [haar] artistieke oeuvre”. Ik zou het echter anders willen omschrijven: Na een aardig succesvolle schilderscarrière weet Wilhelmine Kiehl ook een indrukwekkende loopbaan als schrijfster, wetenschapsjournaliste en oorlogscorrespondente na te jagen.
Decor en omslag
Tot de indrukwekkende lijst van Kiehls activiteiten behoren ten slotte ook nog illustreren en decorontwerpen. Ter verduidelijking, in 1899 wordt er in Den Haag een kinderoperette opgevoerd waarvan de opbrengsten naar het Nederlands Sanatorium voor Longlijders in Davos gaan. Kiehls zus en broer, Catherina Sybilla en James Henry Francis, schrijven de tekst; de muziek is van Hendricus de Waart. Na de opvoering verschijnt de bladmuziek in druk en daarvoor ontwerpt Kiehl het omslag. [4]

Het omslag geeft ongetwijfeld een indruk van de decors waarvoor Kiehl ook verantwoordelijk is. Zoveel komt immers zijdelings ter sprake in de recensies in de lokale pers. Daarin wordt het sprookje beschreven als een groot succes. Dagblad van Zuidholland en ’s Gravenhage (18 mei 1899) bespreekt het stuk en roemt het uitmuntende effect van “het geschilderde bosch, een décor voor de gelegenheid vervaardigd door mej. W.K.” Met die initialen wordt ongetwijfeld Wilhelmine Kiehl bedoeld.
De eerste van de twee voorstellingen verloopt overigens niet helemaal vlekkeloos:
Wederom was de zaal geheel gevuld met een zeer aandachtig publiek, dat verrukt was over de lieve muziek, de prachtige standen en dansen, de alleraardigste kinderfiguurtjes, voorstellende bloemen, kevers, gnomen, dwaallichtjes, lichtelfjes en kabouters. Gewaarschuwd door het gelukkig goed afgeloopen incident van 11. Woensdag, toen een der baarden vlam vatte, hadden de kabouters ditmaal voor alle veiligheid hun kaarsjes niet aangestoken, zoodat er in het geheel geen gevaar was voor het in brand vliegen hunner baarden, daar al het licht in Diligentia is electrisch.
– recensie in Dagblad van Zuidholland en ’s Gravenhage (23 mei 1899), p. 3.
Je moet er niet aan denken hoe dat had kunnen aflopen.
Veelkunner
Kortom, Kiehl is een veelkunner die verschillende professionele carrières met succes nastreeft. Ze kan niet alleen verdienstelijk schilderen, maar ook decors ontwerpen, illustreren en schrijven, zowel fictie als non-fictie. Bovendien krijgt ze voor zowel haar schilder- als schrijfvaardigheden waardering in Nederland én daarbuiten.
Vreemd is het dus eigenlijk dat Kiehl in recente literatuur weinig, en dan altijd maar zijdelings, ter sprake komt. Misschien komt dat omdat ze zich op zo veel terreinen bewoog. Daardoor is niet goed te plaatsen, maar haar veelzijdigheid – als wetenschapsjournaliste, illustratrice, kinderverhalenschrijfster, kunstschilderes en oorlogscorrespondente – maakt Wilhelmine Kiehls carrière niet alleen een interessante, maar zelfs bijzonder indrukwekkend.
Noten
[1] Zie voor een lijst van schilderijen en aquarellen die op deze solotentoonstelling te zien was, het tentoonstellingsoverzicht in mijn vorige blogpost over Kiehl: ‘Een gelukkig talent’.
- ‘The First Electric Boat Lift in Holland’, Scientific American 115, 171 (19 augustus 1916).
- ‘Zones of Silence’, Scientific American 112, 360 (17 april 1915).
- ‘Stretchers of Straw for the Dutch Army’, Scientific American 112, 8 (19 februari 1915).
- ‘Flooring the Sea with Concrete’, Scientific American 113, 461 (27 november 1915).
- ‘Holland in the Grip of its Old Enemy’, Scientific American 114, 235 (4 maart 1916).
- ‘A Stoney Heart. A Story of the Schwarzwald’, Strand Magazine 47 (1914), p. 105-111.
- ‘The Three Young Nobles of Birgum. A Frisian Folk-Tale’, Strand Magazine 49 (1915), p. 234-239.
- ‘King Lion’s Advice: A Story for Children’, Strand Magazine 54 (1917), 411-414.
Tekenaar H.R. Millar illustreert veel van haar sprookjes voor Strand Magazine. Zie hiervoor ook Dalby 1991, p. 55.
[4] Een aankondiging van de bladmuziek verschijnt in Het vaderland (1 juni 1899), p. 6 via Delpher. Op 26 oktober van dat jaar staat er een berichtje in dezelfde krant dat de bladmuziek is verschenen. Het vaderland (26 oktober 1899), p. 6 via Delpher. Overigens staat daar abusievelijk “De aardige teekening op het titelblad is van W.I.L. Kiehl” in plaats van W.J.L. Kiehl.
Literatuur
Behalve de bronnen die ik in mijn voorgaande post over Wilhelmine Kiehl aanhaalde, zie ook nog:
- Maria Grever en Bertheke Waaldijk, Transforming the Public Sphere. The Dutch National Exhibition of Women’s Labor in 1898, vertaald door Mische F.C. Hoyinck en Robert E. Chesal (Durhem: Duke University Press, 2004), p. 188.
- Yvette Marcus-de Groot, Kunsthistorische vrouwen van weleer. De eerste generatie in Nederland vóór 1921 (Rotterdam: Erasmus Universiteit, 2003), p. 209.
- Richard Dalby, The Golden Age of Children’s Book Illustration (New York: Gallery Books, 1991), p. 55. [internet archive]
- A. de Ticheler, ‘Schilder-, beeldhouwkunst, enz. Tentoonstelling van schilderijen, beeldwerken, teekeningen, enz. te Brussel en elders (Arnhem, Munchen)’, De Dietsche Warande, 2de reeks, 6 (1893), 563-582 (p. 578). [DBNL]
Lees ook mijn posts over andere vergeten kunstschilderessen, zoals Adriana van Ravenswaay of Maria Beelaerts van Blokland.