Lof en vergetelheid

Soms is een kort berichtje in een oude krant genoeg om de aandacht te trekken en een kunstenares uit de vergetelheid te halen. Zo ook bij een opvallend lovende recensie over Agnes de Witte, wier “studiekop” volgens een kunstcriticus getuigt van grote kennis en studie. Toch ontbreekt haar naam in huidige kunstenaarsdatabases en -biografieën. Dat contrast tussen lof en vergetelheid vormde het startpunt voor een zoektocht waaruit blijkt dat zelfs een onbekende naam met wat doorzettingsvermogen te achterhalen is.

Wezenlijke studie

De redactie van Utrechtsch provinciaal en stedelijk dagblad citeert op 26 april 1876 een zinnetje over een Utrechtse kunstenares uit een andere krant:

In ’t Hand.bld. komt in de beoordeeling der tentoonstelling van teekeningen in Arti te Amsterdam oa. voor: “van een mij onbekenden naam Mej. Agnes de Witte, te Utrecht, is er een studiekop, met zooveel kennis en wezenlijke studie geteekend, dat ieder kunstvriend deze proeve ongetwijfeld met welgevallen zal bezien.”

Vol trots kopieert de Utrechtse krant de zin over de stadgenoot uit Algemeen handelsblad van 25 april. Daar wordt de tekeningententoonstelling van het kunstenaarsgenootschap Maatschappij Arti et Amicitiae uitvoerig besproken en de lof van Agnes de Witte gezongen.

Buitengewone aanleg

Wanneer er enkele dagen later een eigenhandige recensie van dezelfde Arti-tentoonstelling verschijnt in Utrechtsch provinciaal en stedelijk dagblad (29 april 1876) wordt De Witte nogmaals uitgelicht. Na enkele bewonderende woorden over tekenaar De Famars Testas schrijft een anonieme recensent:

Hetzelfde moet, en alleszins, terecht, getuigd worden van de studiekop van Mej. Agnes de Witte te Utrecht. Voor den eersten keer troffen we dien naam in den katalogus aan, en is dit inderdaad de eersteling, dan verraadt deze dame een buitengewonen aanleg.

In de RKD databases of in het kunstenaarslexicon van biograaf Pieter Scheen komt de naam Agnes de Witte echter niet voor. Wie is deze getalenteerde vrouw, deze eersteling met “buitengewone aanleg”?

Zoektocht

De naam van deze onbekende kunstenares verschijnt opnieuw in een recensie van een tentoonstelling van het Utrechtse schilder- en tekenkundig genootschap Kunstliefde waar ook twee portretten van schilder Thérese Schwartze te zien zijn. Dan schrijft een recensent van Utrechtsch provinciaal en stedelijk dagblad (13 april 1881) dat “Mevr. A. de Witte … twee damesportretten” exposeert.

Ook al wordt hier niet haar volledige voornaam genoemd maar slechts een voorletter, toch lijkt het hier om dezelfde vrouw te gaan. Ze exposeert immers in Utrecht en er zitten slechts enkele jaren tussen de beide tentoonstellingen. Bovendien komt de thematiek van haar inzendingen overeen. Het eerdere werk is een studiekop. Voor de tweede expositie levert De Witte opnieuw twee koppen, het eerste geschilderd, het tweede in zwart krijt:

Het geschilderde portret no. 78 heeft zeer veel goeds; het is fraai doorgewerkt, gelukkig van koloriet: de zachte tint der jeugd is goed weergegeven. De schaduw onder den kin kon iets minder zwaar zijn. De teekening no. 79 … is evenzeer lofwaardig gemaakt; het fluweelachtige van ’t zwart krijt is fraai.

In deze recensie is geen sprake van een mejuffrouw, zoals in de eerdere bespreking, maar van een mevrouw, waardoor de zoektocht een nieuwe wending neemt. De Witte is waarschijnlijk geen geboortenaam, zoals het eerdere ‘mejuffrouw’ deed geloven, maar een getrouwde naam.

Bekende

Ook exposeert op diezelfde tentoonstelling J.E.B. de Witte en zijn naam is wel vindbaar in kunstenaarslexica. Het gaat om Joannes Emmanuel Benedictus de Witte (1821-1893), ambtenaar bij de Maatschappij tot Exploitatie van de Staatsspoorwegen die vanaf 1847 als vrijetijdskunstenaar meedoet aan tentoonstellingen in Den Haag. De eerste daarvan is een expositie van schilder- en kunstwerken in 1847, waar De Witte Een biddende Savoijer exposeert.[1]

Zijn aanwezigheid op de Utrechtse tentoonstelling in 1881 biedt een ingang voor een identificatie van Agnes de Witte. In 1866 trouwt Joannes de Witte namelijk met Agnes Anna Maria Anderson, die zich vervolgens Agnes de Witte gaat noemen.[2] Is deze Agnes Anderson wellicht dezelfde persoon als Agnes de Witte? Om daarover zekerheid te krijgen, is het van belang om meer uit te zoeken over Agnes Anderson.

Anderson-van Goudoever

Agnes Anderson is een dochter van Pieter Anderson en Maria Wijnanda van Goudoever die op 7 mei 1828 in het huwelijk treden.[3] Een jaar later wordt Agnes Anna Maria geboren.[4]

Het echtpaar krijgt meer kinderen waarvan de meeste echter de babyleeftijd niet overschrijden. Op 30 januari 1837 overlijdt hun dochtertje Henriette Johanna, op 1-jarige leeftijd.[5] Op 1 juni 1838 wordt een derde kind geboren dat een dag later, op 2 juni, overlijdt. Daarmee is de ellende voor het echtpaar nog niet voorbij: Op 26 april 1840 komt een levenloos kind ter wereld. Op 2 augustus 1842 wordt ten slotte Anna Maria (Marie) geboren.[6]

Van de vijf kinderen van het echtpaar Anderson-Van Goudoever bereiken er dus maar twee de volwassenheid: Agnes en Marie.

Marie

Anoniem, Portret van Marie Anderson, foto. Bron: DBNL

Marie Anderson krijgt als volwassene enige bekendheid als schrijver, activist en feminist. Onder meer zet zij zich in voor de vrouwenbeweging. Daarom schrijft ze bijvoorbeeld een open brief aan Minette Storm-van der Chijs, die zich ook voor de vrouwenzaak inzet. In de brief doet Marie Anderson op bevlogen wijze haar argumenten voor de gelijkwaardigheid van man en vrouw uit de doeken.

Gij dwaalt, als gij geen gelijkstelling wilt van den vrouw met den man; als gij ’t intellect der vrouw beneden dat van den man stelt, haar relatief tot een idioot verlaagt!

– Anderson, Open brief aan Mevr. Storm-van der Chijs, Den Haag, September 1868 [7]

Ook schrijft Marie Anderson over Eduard Douwes Dekker (Multatuli), met wie ze bevriend is. Ze speelt zelfs een rol in de toenadering tussen Douwes Dekker en diens latere vrouw Maria Frederika Cornelia (Mimi) Hamminck Schepel doordat ze Mimi met Multatuli’s Minnebrieven (1861) in aanraking brengt.[8]

Agnes

Bij haar huwelijk met Joannes de Witte blijkt al het echtpaar in artistieke kringen verkeert. Een van hun getuigen is namelijk kunstschilder Johan Philip Koelman die als docent aan de Academie van Beeldende Kunsten in Den Haag werkzaam is, en later als directeur.

Op 15 april 1871 verhuist het echtpaar De Witte-Anderson naar Utrecht waar het aan de Oudegracht gaat wonen.[9] In Utrecht veranderen De Witte en Anderson menigmaal van adres, maar ze blijven steeds in Utrecht. Daar wonen ze ook ten tijde van de Arti-tentoonstelling in 1876 en van de tentoonstelling van Kunstliefde in 1881 waaraan ze allebei deelnemen. Van juni 1875 tot 13 juli 1878 is hun adres namelijk de Oudegracht 97, waarna ze naar de Weerdsingel Oostzijde verhuizen.[10] Tot 4 augustus 1882 wonen ze vervolgens aan de Oosterweerdsingel.

A. (“Andries”) Jager, Gezicht op de Oudegracht te Utrecht, met in het midden de Bakkerbrug, foto, 1870-1880, onderdeel van een album. Het Utrechts Archief, 222450. Bron: Het Utrechts Archief

In december 1893 overlijdt Joannes de Witte. De weduwe laat vervolgens een bericht plaatsen in Utrechtsch provinciaal en stedelijk dagblad (23 december 1893) waar ze het overlijden van haar echtgenoot bekend maakt. Zijn heengaan wordt bovendien gememoreerd in Het nieuws van den dag (2 januari 1894) en Haagsche courant (3 januari 1894) waar hij herinnerd wordt als oudste ambtenaar der Exploitatie-Maatschappij “die haar van hare oprichting, in September 1863, had gediend”.

Weduwe

Jan Hanau, Uitnodiging voor een kunstbeschouwing van Genootschap Kunstliefde, 1895, lithografie. Collectie Centraal Museum Utrecht, 19663/026. Bron: Centraal Museum

In april 1894 verhuist Anderson naar het adres Kerkstraat 56 en op 29 maart 1895 naar de Voorstraat 66bis.[11] Dan gaat ze ook weer exposeren (als ze daar al ooit mee is opgehouden). Haar naam duikt weer op in een recensie van een tentoonstelling van Kunstliefde. Dan schrijft de kunstcriticus van Utrechtsch provinciaal en stedelijk dagblad (18 april 1895):

Een geheel bijzonder karakter hebben de figuren van mevr. de wed. J. E. B. de Witte-Anderson. Het eene, “de stichter van den christelijken Godsdienst,” is in de manier der kerkstukken, verdienstelijk geschilderd.

Anderson waagt zich kennelijk ook aan meer religieus geladen schilderijen. De titel “de stichter van den christelijken Godsdienst” laat raden wat ze met dit werk afbeeldt. Mogelijk gaat het ook hier om een portret. Zoiets laat de recensent tenminste doorschemeren wanneer deze vervolgt:

Het andere, een kinderportretje, doet in zijne uitvoering onwillekeurig aan het eerstgenoemde denken. Het is overigens een mooi, lief kinderkopje.

Het kinderportret doet kennelijk aan het religieuze werk denken. Wellicht gaat het dus om een Christuskop.

In november 1895 verhuist Anderson weer terug naar de Kerkstraat, dan naar de woning nummer 39bis.[12] Nog eenmaal verschijnt haar naam dan in een recensie, wanneer ze in 1896 met een “fantasieportret” vertegenwoordigd is op een expositie, wederom van Kunstliefde. Op het moment dat de bespreking in Utrechtsch provinciaal en stedelijk dagblad (18 april 1896) verschijnt, woont de schilderes echter niet meer in Utrecht. Op 10 april 1896 – acht dagen voor de krant verschijnt – vertrekt ze namelijk naar Mainz. Het is meteen de laatste keer dat haar werk op een Nederlandse tentoonstelling aanwezig is.

Opnieuw in beeld

Hoewel Marie Anderson vanwege de connectie met Eduard Douwes Dekker nog steeds enige bekendheid geniet, geldt dat niet voor haar oudere zus Agnes. Toch zoekt ook Agnes Anderson in haar eigen tijd de openbaarheid, niet als schrijver en publicist, zoals haar zus, maar als tekenaar en schilder, als getrouwde vrouw en als weduwe. Toch raakt Agnes in de vergetelheid, terwijl haar zus in het collectieve geheugen blijft hangen.

Een enkel krantenbericht blijkt genoeg om Agnes Anderson op het spoor te komen en een talent uit de 19e eeuw uit de vergetelheid te trekken. Zo komt de kunstenares, inmiddels weggevaagd uit de kunstgeschiedschrijving, opnieuw in beeld. Haar verhaal laat zien hoeveel er nog over vrouwelijke kunstenaars te ontdekken valt wanneer je net iets verder kijkt: trek aan een los uiteinde en er ontvouwt zich een hele wereld.


Tentoonstellingen

De hiervoor genoemde tentoonstellingen zet ik hier nog eens op een rijtje, met de recensies waarin Agnes Anderson wordt genoemd. Het overzicht kwam tot stand door te zoeken in de historische kranten die beschikbaar en doorzoekbaar zijn met behulp van Delpher.

Amsterdam 1879: Tentoonstelling van teekeningen in Arti et Amicitiae [recensie in Algemeen handelsblad (25 april 1879) via Delpher en Utrechtsch provinciaal en stedelijk dagblad (29 april 1876) via Delpher]

  • “studiekop”

Utrecht 1881: Tentoonstelling van schilderijen en kunstwerken van Kunstliefde [recensie in Utrechtsch provinciaal en stedelijk dagblad (13 april 1881) via Delpher]

  • “twee damesportretten”
    • “het geschilderde portret” (nr. 78)
    • “teekening” (nr. 79)

_ 1895: Tentoonstelling van het Schilder- en Teekenkundig Genootschap Kunstliefde [recensie in Utrechtsch provinciaal en stedelijk dagblad (18 april 1895), p. 2. via Delpher]

  • “De stichter van den christelijken Godsdienst”
  • “kinderportret”

_ 1896: Tentoonstelling van het Schilder- en Teekenkundig Genootschap Kunstliefde [recensie in Utrechtsch provinciaal en stedelijk dagblad (18 april 1896), p. 8 via Delpher]

  • “fantasieportret” (nr. 116)

Noten

[1] Den Haag, Tentoonstelling van schilder- en kunstwerken, welke zijn toegelaten tot de tentoonstelling te ’s Gravenhage van den jare 1847 (Den Haag: H.S.J. de Groot, 1847), p. 38, nr. 502.

[2] Voor de huwelijksakte van De Witte en Anderson, zie Haags Gemeentearchief, archief 0335-01, inv.nr. 636, 19-12-1866, Huwelijksakten Den Haag, aktenr. 792 [link HG].

[3] Voor de huwelijkskakte van Pieter Anderson en Maria Wijnanda van Goudoever, zie Haags Gemeentearchief, archief 0335-01, inv.nr. 577, 07-05-1828, Huwelijksakten Den Haag, aktenr. 132 [link HG].

[4] Voor de geboorteakte van Agnes Anna Maria, zie id., archief 0335-01, inv.nr. 220, 14-05-1829, Geboorteakten Den Haag, aktenr. 740 [link HG].

[5] Voor de overlijdensakte van Henriette Johanna, zie id., archief 0335-01, inv.nr. 1226, 02-02-1837, Overlijdensakten Den Haag, aktenr. 168 [link HG]. Voor de overlijdensakte van het naamloze kind, zie id., archief 0335-01, inv.nr. 1227, 02-06-1838, Overlijdensakten Den Haag, aktenr. 829 [link HG]. Voor de overlijdensakte van het levenloos geboren kind, zie id., archief 0335-01, inv.nr. 1229, 27-04-1840, Overlijdensakten Den Haag, aktenr. 549 [link HG].

[6] “Marie Anderson – auteur” [DBNL].

[7] Marie Anderson, Open brief aan Mevr Storm-van der Chijs, Den Haag, September 1868 (Amsterdam: Meijer, 1868), p. 5 [Google Books].

[8] Tristan Haan, ‘Schepel, Maria Frederika Cornelia Hamminck’, in Digitaal Vrouwenlexicon van Nederland, gepubliceerd op 26 februari 2014 [link].

[9] Zie het bevolkingsregister: Het Utrechts Archief, archief 1007-2, inv.nr. 7577, aktenr. 418 [link HUA].

[10] Zie het bevolkingsregister: id., archief 1007-2, inv.nr. 7573, aktenr. 165 [link HUA]. id., archief 1007-2, inv.nr. 7613, aktenr. 107 [link HUA] en id. archief 1007-2, inv.nr. 7697, aktenr. 99 [link HUA].

[11] Zie het bevolkingsregister: id., archief 1007-2, inv.nr. 7721, aktenr. 98 [link HUA] en id., archief 1007-2, inv.nr. 7757, aktenr. 231 [link HUA].

[12] Zie het bevolkingsregister: id., archief 1007-2, inv.nr. 7726, aktenr. 210 [link HUA].

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Back to Top