Consciëntieus coloriste

Johanna Georgina Maria Machwirth (1874-1945) is een veelzijdig kunstenares. Ze schildert onder andere bloemen, portretten, stadsgezichten en landschappen. Bovendien exposeert ze veelvuldig waarbij haar werk opvalt. In 1900 roemt een recensent bijvoorbeeld haar portretten “van zeer goede gelijkenis” en 1903 noemt een ander haar een consciëntieus coloriste. Ondanks haar gevarieerde talent stond ze, in tegenstelling tot haar echtgenoot, nog maar weinig in de belangstelling.

Moordrecht

Machwirths vader is Christiaan Carolus Machwirth. Deze trouwt met de 18-jarige Catharina Johanna Oostrum als hij zelf 30 jaar oud is, op 11 juni 1874.[1] Bij de officiële plechtigheid is alleen familie van de bruid aanwezig. Machwirths vader Jan George Machwirth, commies bij het Ministerie van Financiën, leeft immers niet meer. Hij is namelijk in 1857 overleden.[2] Ook Machwirths moeder is al gestorven ten tijde van het huwelijk, want zij sterft in 1872.[3] Als getuigen aan bruidegoms zijde fungeren daarom zadelmaker Abraham van Diest en veldwachter Cornelis de Wilde.

Vier maanden na de bruiloft van Machwirth en Oostrum wordt Johanna Georgina Maria geboren, in Moordrecht op 21 oktober 1874.[4] Oostrum woont dan nog bij haar ouders Abraham Gerardus Oostrum en Janna Lammertsz.[5]

Staatsspoorwegen

Op 8 april 1875 vertrekt Oostrum vervolgens met haar dochter Jo naar Schoterland om zich bij Machwirth te voegen. Machwirth is daar namelijk haltechef in dienst van de Maatschappij tot Exploitatie van Staatsspoorwegen, of kortweg de Staatsspoorwegen.[6] Het gezin woont in Schoterland tot 22 mei 1877. Daarna vestigt het echtpaar zich met hun dochter aan de Amsterdamsche Straatweg in Utrecht.[7]

In Utrecht wonen ze ruim 6 jaar, maar op 18 oktober 1883 verhuizen ze naar Zwolle en op 2 mei 1884 wordt daar hun tweede kind geboren: Elizabeth Jacoba.[8] De jonge Elisabeth Jacoba overlijdt echter op 22 september 1884, nog geen 5 maanden oud.[9]

Bericht in de krant van het gezin Machwirth-Oostrum over het overlijden van hun dochter Elizabeth Jacoba, bijna vijf maanden oud.
Familiebericht in Provinciale Overijsselsche en Zwolsche courant (24 september 1884), p. 3. Bron: Delpher

Op 23 maart 1887 krijgen Machwirth en Oostrum vervolgens een derde kind: Jan George.[10] Jo is dan inmiddels 12 jaar oud.

Haagse academie

Om te beginnen volgt Machwirth lessen aan de gemeentelijke tekenschool in Zwolle.[11] Als ze (bijna) 22 jaar is, start Jo Machwirth met schilderlessen aan de Haagse Academie voor Beeldende Kunsten. Daarvoor betrekt ze een woning aan de Tollenstraat 71 waarna ze begint aan de wintercursus van 1896/97. Dan krijgt ze les van schilder en tekenaar Frits Jansen.[12] Overigens is ze volgens de administratie van de academie 20 jaar oud. Dat klopt niet, want ze wordt in oktober 1896 22 jaar.

De opleiding werpt haar vruchten af, want de getalenteerde leerlinge valt in de prijzen. In 1897 krijgt ze namelijk een erkenning voor een stilleven volgens Dagblad van Zuidholland en ’s Gravenhage (30 april 1897). In 1897 slaagt Machwirth vervolgens voor haar akte-examen tekenen voor het lager onderwijs volgens Het nieuws van den dag (2 december 1897).[13]

Zwolse kunstkringen

Na een jaar de schildercursus aan de academie te hebben gevolgd, keert Machwirth vervolgens terug naar haar ouders in Zwolle. Daaropvolgend krijgt ze nog lessen van schilder en tekenaar Jan Voerman Sr die academiedocent is geweest, maar sinds 1889 in Hattem bij Zwolle woont.[14]

Schilderij in staand formaat met daarop een vaas met een bos van witte en oranje bloemen. Daarvoor staat een klein glas met een bloem en achter de vaas staat een gemberpot.
Jo Machwirth, Zinnia’s, gesigneerd. ‘J. Machwirth’ (rechtsonder), vóór haar huwelijk in 1907, 40,5 x 30,5 cm. Collectie: Ede, Simonis & Buunk. Bron: Simonis & Buunk

Het duurt echter nog een tijd voordat Machwirth met haar werk in de openbaarheid treedt, want pas in 1899 volgt een eerste expositie. Bij de firma Waanders in de Rogge- en Nieuwstraat zijn dan enkele getekende studies van Machwirth te zien. “Men verzuime niet er een kijkje te nemen,” schrijft dan een verslaggever van Provinciale Overijsselsche en Zwolsche courant (hierna: POZC) op 12 februari 1899. Dezelfde maakt een jaar later in dezelfde krant (5 november 1900) melding van een tweede expositie van Machwirths schilderijen en tekeningen, “waaronder een paar portretten die van zeer goede gelijkenis zijn”. Machwirth verkrijgt dus snel een goede naam in Zwolse kunstkringen.

Doorbraak

Op 16 juni 1901 vestigt het gezin Machwirth-Oostrum zich weer in Utrecht.[15] De verhuizing volgt op de overplaatsing van Christiaan Carolus Machwirth naar de centrale controle van de Staatsspoorwegen te Utrecht volgens POZC (11 mei 1901). Johanna gaat ondertussen door met exposeren, bijvoorbeeld op de vierjaarlijkse gemeentelijke tentoonstelling te Arnhem waar een schilderij met boterbloemen van haar te zien is. Een Zwolse verslaggever van POZC (19 juni 1901), die de snelle verkoop van het werk opmerkt, noemt Machwirth dan “onzer stadgenoote”, hoewel ze dus juist naar Utrecht verhuisd is.

Ondanks het feit dat Machwirths werk in Arnhem op een weinig prominente plaats hangt, lijkt de tentoonstelling wel een doorbraak buiten Zwolle. Niet alleen wordt haar voorstelling van boterbloemen al op de eerste dag verkocht, maar ook zijn meerdere recensenten uiterst positief. Zo schrijft een journalist van De nieuwe courant (22 juni 1901) bijvoorbeeld:

Hier en daar in een hoekje of hoog in de lucht kan men ook nog wel iets ontdekken, dat de aandacht waard is; zoo bijv. …. de boterbloempjes in lichtblauwkleurig potje van mej Machwirth

De criticus noemt nog enkele knappere stukken, maar vult aan: “niettegenstaande deze bravoure zijn mij de bovengenoemde, eenvoudige dingskes liever” waarmee deze onder andere op de bloemen van Machwirth doelt.

Hangend in een hoekje

Ook de gerenommeerde kunstcriticus Andreas Loffelt noemt haar Boterbloemen een stilleven om op te letten in Het nieuws van den dag (1 juli 1901). Een Zwolse recensent van POZC (8 juli 1901), die ondertekent met de initiaal R, schrijft ten slotte:

De frissche lekker boterbloempjes … in dat mooi-lichtblauw potje kennen de Zwollenaars, en het is een gering bewijs van mej. Machwirth’s talent, dat haar stukje, hangende in een hoekje der achterzaal rechts, terstond de aandacht trekt.

Desondanks hoort Machwirth dan nog bij de minder bekenden. Zo schaart een criticus, die ondertekent met de initiaal G., in Het vaderland (12 december 1901) haar werk onder de “vreemden bijdragen” waarmee deze suggereert dat Machwirth een niet-Nederlandse deelnemer is. Daaruit blijkt maar weinig bekendheid met de kunstenares.

Heel veel moois

Het jaar erop is een recensent met de initialen A.L.V.Bs. van de POZC (8 oktober 1901) wat kritischer over de kunstenares, wanneer Machwirth verschillende werken heeft hangen in de bovenzaal van sociëteit De Harmonie in Zwolle. Dan zegt dezelfde dat het talent van Machwirth nog altijd niet uit de verf komt en dat het werk schools aandoet. Toch zit er volgens dezelfde in het meisjesportret dat ze ingezonden heeft, “heel veel moois, èn in vorm, èn in kleur”.

Ook de kunstcriticus van Arnhemsche courant (29 juli 1905) hinkt op twee gedachten, wanneer deze schrijft:

Wat vreemd van kleur … schijnt Johanna Macwirth’s [sic] “Oude schuur”. Toch wel knap gedaan – als geteekend met ’t penseel.

In het vervolg van de recensie in de krant van 2 augustus 1905 komt dezelfde daarna uitvoerig op Machwirth terug: “Het portret – ‘Studiekop’ heet het in de catalogus – van Johanna Macwirth [sic] is een opmerkelijk bewijs van de veelzijdigheid van het talent dezer kunstenares. In welke richting zal zij zich verder ontwikkelen?” Het portret wekt dus belangstelling en maakt nieuwsgierig naar het vervolg, maar ondanks de nieuwsgierigheid die het portret opwekt, is de recensent toch vooral te spreken over Machwirths bloemstukken:

Hare bloemen, op een vorige ‘Vierjaarlijksche’, waren zoo eenvoudig juist weergegeven, dat men in haar een Nederlandsche Alice Ronner hoopte te zien ‘worden’. Deze kop hier zal ook wel van een treffende gelijkenis zijn; ’t is intusschen nog wat vlak werk, niet breed van toets. We zouden toch wel weer eens bloemen willen zien van Macwirth.

Een andere criticus is echter een totaal tegengestelde mening toegedaan. In Algemeen handelsblad (10 april 1913) schrijft een ander namelijk naar aanleiding van dezelfde tentoonstelling dat Machwirth ondanks de aanwezige bloemstukken toch het beste vertegenwoordigd is met het geschilderde meisjeskopje. Zoals wel vaker bij recensies lopen de meningen dus niet alleen uiteen, maar zijn ze soms zelfs ronduit aan elkaar tegengesteld.

Schilderlessen

Ondertussen exposeert Machwirth niet uitsluitend voor naamsbekendheid, maar verkoopt ze haar werk ook. Daarnaast geeft ze teken- en schilderlessen om inkomsten te genereren en dat doet ze in een atelier aan huis blijkens advertenties in lokale kranten. Op het genoemde adres – Bouwstraat 74 “bij de Poortstraat” – woont ze immers sinds 16 juni 1901, wanneer ze daar met haar ouders naartoe verhuist.

Advertentie in de krant voor teken- en schilderlessen, gegeven door Johanna Machwirth waarin ze benadrukt dat ze aan de Academie voor Beeldende Kunsten les heeft gehad.
Advertentie in Utrechtsch provinciaal en stedelijk dagblad”. Utrecht; Utrecht, 26-06-1902, p. 3. Bron:Delpher

Daarnaast verdient ze waarschijnlijk geld met opdrachten voor portretten, zoals dat van Thomas Ongerboer. Deze militiecommissaris te Utrecht ontvangt op zijn 50-jarig jubileum als officier verschillende huldeblijken. Daaronder is ook een goed gelijkend portret in driekwart profiel, geschilderd door Machwirth.

Portret in driekwart van een man met grote witte snor en baard, in zwart uniform met dubbele rij gouden knopen.
Portret van Thomas Ongerboer, gesigneerd en gedateerd ‘Joh Machwirth 1902’ (linksboven), olie, 53 x 43 cm. Schaarsbergen, Historische Collectie Garderegiment Grenadiers & Jagers. Bron: Cees Soomers

Het portret van de militiecommissaris in uniform is een bijzonder geschenk dat hem aangeboden door vrienden volgens De nieuwe courant (11 juli 1902). Het is niet bekend hoe Machwirth aan de opdracht komt, maar het is wellicht tekenend dat Ongerboer sinds 1895 in een woning aan de Poortstraat 6 woont, niet ver van de woning (en het atelier) van Machwirth en haar ouders.[16] Wellicht spelen haar ouders dus een bemiddelende rol.

Kunstliefde

Machwirths vaardige schildertoets opent deuren en in 1903 wordt de 28-jarige schilderes lid van de Utrechtse kunstenaarsvereniging Kunstliefde. Ze gaat dan ook deelnemen aan exposities van het werk van de leden, soms meermaals per jaar. Daarop volgt ook de aandacht van de Utrechtse pers. Zo schrijft bijvoorbeeld een kunstcriticus van Utrechtsche courant (16 april 1903) dat de nieuweling een aanwinst is voor de vereniging:

ze heeft een opvallend talent voor kleurwaarneming. Dat stilleven met pauweveeren is beslist een goede greep en ever het algemeen is haar “”kleur op kleur”, groen op groen of blauw op blauw, werkelijk te bewonderen. Wij zien met belangstelling naar meer van deze conscientieuze coloriste uit.

Naar aanleiding van een kunstbeschouwing van Kunstliefde in het najaar van 1903 meent een criticus met de initialen B.A.R. in Utrechtsche courant (27 november 1903) dat haar naam een van degene is die hem een dag na het bezoek nog te binnen schieten “als van kunstenaars die onder de groote menigte ons eenige oogenblikken hebben vastgehouden.” Ook Utrechtse kunstrecensenten zijn klaarblijkelijk van Machwirths werk gecharmeerd.

Rozenkoninginnen

Via Kunstliefde legt Machwirth bovendien contacten met andere kunstschilders, bijvoorbeeld Geertruida Catherina Gorter-ten Cate Hoedemaker (1828-1907). Deze kunstenares is ten minste vanaf 1895 al lid van deze Utrechtse kunstenaarsvereniging, want in dat jaar draagt Gorter-ten Cate Hoedemaker bij aan een tentoonstelling van leden in Utrecht volgens Utrechtsch provinciaal en stedelijk dagblad (23 april 1895).

Het contact met Gorter-ten Cate Hoedemaker leidt vervolgens tot een samenwerking, als het bestuur van de vereniging ter bevordering van de rozenteelt Nos Jungunt Rosae – opgericht in 1892 – hun orgaan Rosarium wil verbeteren door toevoeging van gekleurde platen. Daarvoor krijgt het bestuur verschillende aanbiedingen, onder andere een “schets van een geschilderde roos” van de hand van Machwirth en Gorter volgens De nieuwe courant (3 augustus 1903). Het veelbelovende talent en de gevestigde naam, de consciëntieuze coloriste en de rozenkoningin, besluiten dus voor de gelegenheid de handen ineen te slaan, mogelijk na een oproep van de vereniging Nos Jungunt Rosae.

Schilderij in liggend formaat met voorstelling van witte en rode rozen liggend op een plint.
Geertruida Gorter-ten Cate Hoedemaker, Rode en witte rozen, gesigneerd ‘G.C.Gorter’ (linksonder), 28 x 41 cm. Collectie onbekend. Bron: Kunstkollektief

Hoe de samenwerking tot stand komt, blijft ongewis. Het is bijvoorbeeld denkbaar dat de vereniging Gorter-ten Cate Hoedemaker persoonlijk benadert, want deze schilderes legt zich namelijk al veel langer toe op het schilderen van bloemen. Daarbij legt ze een grote voorkeur voor rozen aan de dag die haar zelfs de bijnaam rozenkoningin oplevert. Wanneer Gorter-ten Cate Hoedemaker op 1 januari 1898 70 jaar wordt, schrijft Agatha Snellen onder het pseudoniem en anagram N. Ellensa een artikel over de kunstenares met de titel ‘Eene Rozenkoningin’.[17]

Rozen

Ook Machwirth heeft inmiddels verschillende bloemenschilderijen op haar naam staan, zoals bijvoorbeeld de boterbloemen die in 1901 op de Arnhemse tentoonstelling te zien zijn. Daarnaast schildert ze ook rozen. Zo is er bijvoorbeeld uit de kunsthandel een rozenschilderij bekend dat Machwirth van haar meisjesnaam voorziet. Omdat ze na haar huwelijk in 1907 met een combinatie van haar getrouwde en haar familienaam gaat signeren, zal het schilderij met de rozen dus van vóór 1907 dateren. Of de vereniging Nos Jungunt Rosae Machwirth persoonlijk benadert, of dat het initiatief van de samenwerking bij Gorter ligt, blijft voorlopig echter onopgehelderd.

Ook al schilderen beide vrouwen rozen, toch is de samenwerking bijzonder: Machwirth staat als 28-jarige immers aan het begin van haar carrière als kunstschilderes, terwijl de 75-jarige Gorter-ten Cate Hoedemaker een lange loopbaan achter de rug heeft. Mogelijk is Machwirth trouwens al bekend met het werk van de bloemenschilderes uit Almelo voordat ze lid wordt van Kunstliefde. In 1892 exposeert Gorter-ten Cate Hoedemaker, die in Almelo woont en werkt, bijvoorbeeld twee werken op een tentoonstelling van Overijsselse kunstenaars in Zwolle waar Machwirth van 1883 tot 1901 met haar ouders woont.[18]

Broer en zus

Er zit een groot leeftijdsverschil tussen zus en broer. In mijn vorige post ‘Consciëntieus coloriste’ schreef ik dat Jan George geboren wordt, als Jo Machwirth 12 jaar is. Jan George gaat in Delft studeren en wordt vervolgens elektrotechnisch ingenieur bij het PEB in Friesland. Als Jan George Machwirth op 24 juli 1922 met Grietje Frantzen trouwt, treedt Gerhard Christiaan Haverkamp op als een van de getuigen.[19]

Schilderij in liggend formaat met voorstelling van rozerode rozen en witte zinnia's liggend op een tafel of plint, daarnaast glazen met plantentakken.
Jo Machwirth, Bloemstilleven, gesigneerd ‘J Machwirth’ (linksonder), olie op doek. Rococo Kunsthandel. Bron: RKD

In juni 2000 wordt vervolgens een stilleven met bloemen verkocht via Rococo Kunsthandel. De signatuur ‘J Machwirth’ linksonder op het doek wordt vervolgens geïnterpreteerd als die van Jan George Machwirth die daarom is opgenomen in de kunstenaarsdatabase van het RKD – Nederlands Instituut voor Kunstgeschiedenis RKDartists. Waarschijnlijk speelt daar ook mee dat Pieter Scheen hem in zijn kunstenaarsbiografie opneemt op basis van een vermelding van ene ‘Joh. Machwirth’ in een tentoonstellingscatalogus uit 1903.[20]

De identificatie van het bloemstilleven als werk van Jan George Machwirth lijkt echter onwaarschijnlijk. Ten eerste zijn er geen aanwijzingen dat Jan George Machwirth schildert. Tot tweede is Jan George pas 16 jaar oud ten tijde van de tentoonstelling in 1903.[21] Ten slotte wordt de schilder in de catalogus ‘Joh Machwirth’ genoemd, niet Jan of J.G. De naam lijkt daarom eerder te duiden op Johanna Georgina Machwirth, niet Jan. Vóór haar huwelijk met Haverkamp in 1907 signeert ook Jo haar werken met ‘J Machwirth’.

Het ligt dus meer voor de hand dat het doek in Rococo Kunsthandel van haar hand is. Onder haar schilderijen bevinden zich immers meer stillevens met bloemen, ook rozen en zinnia’s, bijvoorbeeld de vaas met zinnia’s in de collectie van Simonis & Buunk of de roos van dezelfde. Ook het bloemstilleven in Rococo Kunsthandel zal van de hand van Jo Machwirth zijn, niet van haar broer.

Kunstgenootschappen

Machwirths faam blijft ondertussen groeien en in 1906 is ze inmiddels lid van het kunstenaarsgenootschap Maatschappij Arti et Amicitiae. Dan wordt er namelijk een werk geëxposeerd op een tentoonstelling van de leden van deze kunstenaarsclub en bovendien aangekocht door de Vereeniging tot Bevordering van Beeldende Kunsten volgens Algemeen Handelsblad (5 mei 1906). Daarnaast treedt de schilderes toe tot het kunstenaarsgenootschap Sint-Lucas, eveneens in Amsterdam.

In 1907 heeft ze vervolgens zowel werk op een tentoonstelling van Arti als van Sint-Lucas. Dat bemerkt ook een recensent die schrijft onder het pseudoniem Giovanni in Algemeen Handelsblad (11 april 1907):

Machwirth heeft aan haar stillevens zoowel hier als daar veel aandacht besteed en daarmee werkelijk iets bereikt aan zuiverheid en plastisch weergeven.

Met “zowel hier als daar” doelt de recensent dus op de twee tentoonstellingen waar Machwirths werk gelijktijdig te zien is.

Bloem en portret

Ook Machwirths portretten krijgen nog steeds lof toegezwaaid. Zo schrijft eerder genoemde criticus Loffelt bijvoorbeeld in Het nieuws van den dag (24 juli 1905) over een studiekop dat de ogen “zeer treffend” zijn. Als de Larense kunsthandel in 1908 een portrettentoonstelling in Amsterdam organiseert, schrijft R. in Het vaderland (14 november 1908):

In ditzelfde zaaltje, waar men wel zoo wat het beste bij elkaar gebracht heeft, trekt nog een “Meisjeskopje” van mevr. J. Haverkamp-Machwirt [sic] de aandacht, wat glad, wat gepoetst misschien, maar van een aandachtige liefdevolle beschouwing en begrijpen.

Naast portretten en bloemen wijdt Machwirth zich ten slotte aan genrestukken. In 1912 bemerkt een criticus van POZC (21 oktober 1912) bijvoorbeeld: “Maar ook het genre is door haar met vrucht beoefend. ‘Oude Aaltje’ getuigt daarvan.”

Genrestuk

Potloodtekening in staand formaat van een vrouw met schort naast een hangende kapstok die een kleine jongen in een jas helpt. Daarnaast staat een meisje dat haar jas dichtknoopt. Op de grond zit een kat die zichzelf aan het wassen is.
Jo Machwirth, Een vrouw helpt kinderen in hun jas, ongesigneerd, tekening in potlood, 19,2 x 13,3 cm. Collectie onbekend. Bron: Invaluable

Dat Machwirth zich ook genrestukken eigen maakt, blijkt bovendien uit andere werken die af en toe bij veilingen opduiken. Ter verduidelijking, genrevoorstellingen tonen figuren in situaties of gebeurtenissen uit het dagelijks leven, al dan niet geïdealiseerd of gedramatiseerd. Zo komt er bijvoorbeeld in 1929 een schilderij onder de hamer dat een rokende boer voorstelt, volgens Nieuwe Rotterdamsche courant (9 november 1929). Bovendien bevat een collectie van wijlen Ahn een pastel met de titel Hoogaltaar met een voorstelling van godsdienstoefening in een kerk.[22]

Ook het genrestuk behoort dus tot de thema’s die Machwirth met enige regelmaat oppakt. Daarbinnen is de variatie groot, want in sommige scènes spelen boeren de hoofdrol, in anderen kerkgangers. De diversiteit blijkt ook uit werk dat meer recent geveild werd, waaronder een tekening van een vrouw die kinderen in hun jas helpt.

Landschap

In korte tijd weet Machwirth zich dus te oefenen in verschillende onderwerpen: bloemen, stillevens, portretten en genrestukken van divers allooi. Soms schildert ze bovendien landschappen, zoals een erf met hooischelven waar op de achtergrond nog net de rug van een maaiende boer met zeis te zien is. Het is een prachtig voorbeeld van haar kwaliteiten als landschapschilder. Het nazomerzonlicht spat namelijk van het doek.

Schilderij in liggend formaat van een erf met hooischelven waarachter een maaiende boer met zeis. Achter het erf staat een witte boerderij.
Jo Machwirth, Hooischelven op het land, gesigneerd en gedateerd ‘J Machwirth 1905’ (linksonder), olieverf op paneel, 22,5 x 32 cm. Collectie onbekend. Bron: Onder de Boompjes

Noemenswaardig is ook een schilderij van appelbloesem waarin mogelijk de invloed van Vincent van Gogh op Machwirth tot uitdrukking komt. Hij schildert zijn prachtige Amandelbloesem in Saint-Rémy-de-Provence in februari 1890. Ook in Nederland kent Van Gogh een groeiende populariteit en veel schilders vinden inspiratie in zijn werk.

Wellicht komt Machwirth oog in oog met zijn bloesem op de tentoonstelling Vincent van Gogh en zijn tijdgenooten van 6 september tot 2 november 1930 in Stedelijk Museum te Amsterdam. In 1930 dateert Machwirth ook haar versie met appelbloesem.

Haverkamp-Machwirth

In de tussentijd is Machwirth getrouwd. Op 2 mei 1906 verhuist ze met haar ouders naar de Willem Barendszstraat 93 in Utrecht en kort daarna treedt ze met de schilder Gerrit Haverkamp in het huwelijk. Op 30 juli 1907 trekt Machwirth met Haverkamp naar Soest.[23]

Mogelijk kennen de twee kunstenaars elkaar van de gemeentelijke tentoonstelling van kunstwerken van levende meesters die in de zomer van 1905 in Arnhem is gehouden. Ze exposeren er namelijk allebei, Haverkamp een stilleven en Machwirth een Oude schuur en een Studiekop.[24] Daarna zullen de partners nog vaker samen exposeren, bijvoorbeeld op de tentoonstellingen van Maatschappij Arti et Amicitiae in 1907 en 1909 en op de stedelijke tentoonstelling van Amsterdam in 1907 en 1912.

Ook na haar huwelijk in 1907 blijft Jo Machwirth veelvuldig schilderen. Daarnaast gaat ze zich, wellicht onder invloed van haar echtgenoot toeleggen op grafische technieken. Dan beeldt de kunstenares ook meer en meer dieren af. Hoewel ze dus volop actief blijft, opereert ze echter vaak in de schaduw van haar echtgenoot. Soms staat haar kunst bovendien in zijn dienst, vooral na zijn dood. Welke vreemde situaties dat soms oplevert, beschrijf ik in een blogpost die binnenkort online komt.


Selectie van werk

Hieronder volgt een selectie van het geschilderde werk van Machwirth. Het is vooral het resultaat van een online speurtocht. Enkele werken bevinden zich in openbare collecties, zoals van het Drents Museum. Het portret van Ongerboer heeft een plaats heeft in de Historische Collectie Garderegiment Grenadiers en Jagers in de Oranjekazerne te Schaarsbergen. Een stilleven met riddersporen tot slot bevindt zich in de collectie van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed te Amersfoort. Daarvan heb ik helaas geen afbeelding. Een schilderij Meidoorn in gemberpot uit 1932, eveneens in de kunstcollectie van de RCE, staat helaas sinds 2005 op een lijst van verdwenen kunstwerken.

190[1]

Schilderij in staand formaat van een klein glazen vaasje met lange smelle hals met daarin de tak van een irisbloem.

1. Irisbloem in vaas, gesigneerd ‘J Machwirth 190[1]’.

Herkomst: Catawiki, veiling Classical art, 7 december 2023, lot 39171551.

Bron: Catawiki

1902

Portret in driekwart van een man met grote witte snor en baard, in zwart uniform met dubbele rij gouden knopen.

2. Portret van Thomas Ongerboer, gesigneerd en gedateerd ‘Joh Machwirth 1902’ (linksboven), olie op doek, 53 x 43 cm.

Herkomst: eigendom Thomas Ongerboer; eigendom L.V. Tengnagell de Raad.

Collectie: Schaarsbergen, Historische Collectie Garderegiment Grenadiers & Jagers, SAT 0003 (schenking van L.V. Tengnagell de Raad).

Bron: RKD en Historische Collectie Garderegiment Grenadiers & Jagers

1905

Schilderij in liggend formaat van een erf met hooischelven waarachter een maaiende boer met zeis. Achter het erf staat een witte boerderij.

3. Hooischelven op het land, gesigneerd en gedateerd ‘J Machwirth 1905’ (linksonder), olieverf op paneel, 22,5 x 32 cm.

Herkomst: Leiden, Veilinghuis Onder de Boompjes, veiling 16 juni 2025, lot 81.

Bron: Invaluable, Artprice en Onder de Boompjes

1913

Schilderij in liggend formaat van een kom met Oost-Indische kers, daarachter een gemberpot.

4. Oost-Indische kers met gemberpot, gesigneerd en gedateerd ‘J Haverkamp Machwirth 13’ (linksonder), olie op doek, 24,9 x 40,2 cm.

Herkomst: Ede, Simonis & Buunk, 14288

Bron: Simonis & Buunk

1915

Schilderij in staand formaat met het portret van een meisje met wit schort over een blauwe blouse. Achter haar staat een hoge kelkvormige vaas op een voetje met daarin een oranje bloem tegen de achtergrond van witte tegels.,

5. Portret van een jonge vrouw, gesigneerd en gedateerd ‘Haverkamp-Machwirth 1915’ (rechtsonder), olie, 30 x 40 cm.

Particuliere collectie (vanaf 2000)

Bron: RKD

1926

Schilderij in staand formaat van een glazen vaasje met een enkele roos waarvan de bloem naar beneden hangt. Daaronder liggen enkele rozenblaadjes.

6. Rode roos in een vaasje, gesigneerd en gedateerd ‘Jo Haverkamp Machwirth 26’ (linksonder), olie op paneel, 32,9 x 22,5 cm.

Collectie: Ede, Simonis & Buunk, 22472

Bron: Simonis & Buunk

Schilderij in liggend formaat met twee glazen vaasjes met daarin witte en oranjerose klaprozen. Tegen de wand erachter staat een grote schelp en daarnaast ligt een gesloten boek.

7. Klaprozen in glaasjes, schelp en boek, gesigneerd en gedateerd J Haverkamp Machwirth 1926 (linksonder), olie op doek, 37,1 x 49,2 cm

Herkomst: Ede, Simonis & Buunk , 701.

Bron: Simonis & Buunk en RKD

1929

8. Riddersporen in glaasjes, gesigneerd en gedateerd ‘Haverkamp-Machwirth 29’ (RLO), olie op doek, 36,7 x 48 cm. Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, KL311. Bron: Collectie Nederland

1930

Schilderij in liggend formaat met de voorstelling van appelbloesem.

9. Appelbloesem, gesigneerd en gedateerd 1930, olie op doek, 30 x 40 cm.

Herkomst: veiling 4 juli 2000.

Bron: Artnet

1932

10. Meidoorn in gemberpot, 1932. Amersfoort, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, KG163 (vermist sinds 17 maart 2005). Bron: Download lijst vermissingen – Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, gepubliceerd op 22 augustus 2013 [online]

1936

Schilderij in staand formaat met liggende en staande boeken. Op een los liggend boekjstaat een zwart Azaiatische beeld van een staande Buddha voor een vaas met bloemen.

11. Stilleven met boeken en Aziatica, gesigneerd en gedateerd 1936, doek, 50,5 x 43 cm.

Herkomst: Rotterdam, Vendu Rotterdam, veiling 17 mei 2011, lot 1189; tentoonstelling Baarn 1935, nr. 7.

Bron: Invaluable en Artprice

1943

Schilderij in liggend formaat met met witte lelies en sneeuwbessen.

12. Witte lelies en sneeuwbessen, gesigneerd en gedateerd ‘J Haverkamp Machwirth 1943’ (rechtsonder), olie op doek, 36 x 47 cm.

Herkomst: Amsterdam, Sotheby’s | Mak van Waay, veiling 12 februari 1980, lot 284; Haarlem, J.H. de Bois.

Bron: RKD

Ongedateerd

Enkele schilderijen zijn gesigneerd, maar niet gedateerd. Sommige van deze (nr. 13-14) kunnen op basis van de signatuur – die slechts luidt ‘J. Machwirth’ gedateerd worden vóór 1907. Vanaf dat moment gaat Machwirth immers signeren met de naam Haverkamp-Machwirth. Een ander schilderij met de schilderende Haverkamp zal dateren van na haar huwelijk, al ontbreekt daar een signatuur.

Schilderij in staand formaat van een vaas met een bos van witte en oranje bloemen. Daarvoor staat een klein glas met nog een bloem en achter de vaas een gemberpot.

13. Zinnia’s, gesigneerd ‘J. Machwirth’ (rechtsonder), vóór haar huwelijk in 1907, 40,5 x 30,5 cm.

Collectie: Ede, Simonis & Buunk, 24137

Herkomst: Amsterdam, De Zwaan, veiling General Art and Antiques Sale, 14 april 2021, lot 4858.

Bron: Simonis & Buunk en Lot-tissimo

Schilderij in liggend formaat met voorstelling van rozerode rozen en witte zinnia's liggend op een tafel of plint, daarachter glazen met plantentakken.

14. Rozen en zinnia’s, gesigneerd ‘J Machwirth’ (linksonder), vóór haar huwelijk in 1907, olie op doek, 30,5 x 39 cm.

Herkomst: Rococo kunsthandel, juni 2000.

Bron: RKD (als Johannes Machwirth)

15. Gerrit Haverkamp aan het schilderen in de tuin, niet gesigneerd, 1907-1926, olie. Drents Museum, E1989-0620. Bron: Drents Museum.

Datering onbekend

Van een paar schilderijen ten slotte is onbekend of ze gedateerd zijn. Bovendien is mij onbekend of Machwirth ze signeert en met welke naam. Daarom blijft onduidelijk of ze van vóór haar huwelijk dateren, of van daarna.

Schilderij in vierkant formaat met stilleven van een tinnen dekselkan op een tinnen bord, daarbij twee eieren en een witte doek.

16. Stilleven met tinnen kan, schaal en eieren. Herkomst: Catawiki, veiling Klassische Kunst, 14 december 2024, lot 91481179. Bron: Catawiki

Schilderij in staand formaat met een bloemstilleven en een gemberpot. De zwart-witfoto is echter erg onduidelijk.

17. Bloemstilleven, waarschijnlijk zinnia’s, gesigneerd, 65 x 50 cm.

Herkomst: Den Haag, M. Diederiks, veiling 5-6 maart 1984, lot 80.

Bron: RKD


Literatuur

  • Amsterdam, Tentoonstelling van kunstwerken van levende meesters, te Amsterdam, in den jare 1903 (Amsterdam: Stads-Drukkerij, 1903). [internet archive en RKD Library]
  • Amsterdam, Stedelijke internationale tentoonstelling van kunstwerken van levende meesters. Catalogus (Amsterdam: Stadsdrukkerij, 1912). [RKD Library, Delpher en DoME]
  • Arnhem, Gemeentelijke tentoonstelling van kunstwerken van levende meesters te Arnhem in Musis Sacrum (derde vierjaarlijksche), 15 juli tot 18 augustus 1905 (Arnhem: G.J. Thieme, 1905). [RKD Library en DoMe]
  • Dake, Carel Lodewijk, Aanteekeningen over beeldende kunst (Utrecht: L.E. Bosch & Zoon [1915]). [Delpher]
  • Ellensa, N. [pseudoniem van Agatha Snellen], ‘Eene Rozenkoningin’, De Wereldkroniek 4, nr. 39 (1897), p. 1.
  • Heij, Jan Jaap, Vernieuwing & bezinning: Nederlandse beeldende kunst en kunstnijverheid ca. 1885-1935 uit de collectie van het Drents Museum (Zwolle: Waanders, 2004).
  • de Jong, Lamberthe J., ‘Cate Hoedemaker, Geertruida Catharina ten.’ In Digitaal Vrouwenlexicon van Nederland, laatste update 12 september 2017 [Huygens]
  • Plasschaert, Albert, Korte geschiedenis der Hollandsche schilderkunst, van af de Haagsche School tot op den tegenwoordigen tijd (Amsterdam: Maatschappij voor Goede en Goedkoope Lectuur, 1923). [Delpher]
  • Scheen, Pieter A., Lexicon Nederlandse beeldende kunstenaars 1750-1950, 2 vols (Den Haag: Scheen, 1969-1970).
  • Scheen, Pieter A., Lexicon Nederlandse beeldende kunstenaars 1750-1950, herziene ed. (Den Haag: Scheen, 1981).

Noten

[1] Streekarchief Midden-Holland, archief 0067, inv.nr. 15, 11 juni 1874, BS Huwelijksregister, aktenr. 5 [Streekarchief Midden-Holland].

[2] Haags Gemeentearchief, archief 5270-01, inv.nr. 907, 24-10-1857, Overlijdensakten Stompwijk, aktenr. 1857-57 [Haags Gemeentearchief].

[3] Id., archief 5270-01, inv.nr. 909, 27-06-1872, Overlijdensakten Stompwijk, aktenr. 1872-30 [Haags Gemeentearchief].

[4] Streekarchief Midden-Holland, archief 0067, inv.nr. 8, 21 oktober 1874, BS Geboorteregister, aktenr. 78 [Streekarchief Midden-Holland].

[5] Id., archief 0022, inv.nr. 664, Bevolkingsregister 1861-1875 K – U, folio 234 [Streekarchief Midden-Holland].

[6] AlleFriezen te Leeuwarden, Bevolkings­register Deel: 1922, Periode: 1870-1880, Schoterland, inventaris­num­mer 1922, Bevolkingsregister [AlleFriezen].

[7] Aan de Amsterdamsche Straatweg in Utrecht woont het gezin eerst op nummer 665b. Zie Het Utrechts Archief, archief 1007-2, inv.nr. 7613 [Het Utrechts Archief]. Op 31 oktober 1878 verhuist het gezin naar nummer 39. Zie Het Utrechts Archief, archief 1007-2, inv.nr. 7606 [Het Utrechts Archief]. Vervolgens wonen ze op nummer 46. Zie Het Utrechts Archief, Bevolkings­register Utrecht, archief 1007-2, inventaris­num­mer 7687 [Het Utrechts Archief]. Per november 1881 ten slotte wonen ze aan nummer 38bis. Zie Het Utrechts Archief, Bevolkings­register Utrecht, archief 1007-2, inventaris­num­mer 7687 [Het Utrechts Archief].

[8] Voor de geboorteakte van Elisabeth Jacoba, zie Collectie Overijssel locatie Zwolle, archief 0123, inv.nr. 14458, 03-05-1884, Registers van geboorten, Zwolle, aktenr. 306 [Collectie Overijssel].

[9] Streekarchief Midden-Holland, archief 0060, inv.nr. 311, 23 september 1884, BS Overlijdensregister, aktenr. 424 [Streekarchief Midden-Holland].

[10] Collectie Overijssel locatie Zwolle, archief 0123, inv.nr. 14460, 24-03-1887, Registers van geboorten, Zwolle, aktenr. 217 [Collectie Overijssel].

[11] Voor haar opleidingen, zie ook Scheen 1981, p. 329.

[12] Haags Gemeentearchief, archief 0058-01 Academie van Beeldende Kunsten, inv.nr. 479 Voor de wintercursus, 1896 – 1897 [Haags Gemeentearchief]. Ook haar broer Jan George betrekt later een woning aan de Tollenstraat in Den Haag als hij in Delft gaat studeren. Zie bijvoorbeeld Delftsche studenten-almanak voor het jaar negentien-honderd-zes (Delft: Waltman, 1906), p. 445 [Delpher].

[13] Zie ook Maandblad gewijd aan de belangen van het teekenonderwijs en de kunstnijverheid in Nederland 14, nr. 7 (1897), p. 53-54 [Delpher].

[14] Scheen 1981, p. 329 en Plasschaert 1923, p. 182-183.

[15] Het Utrechts Archief, archief 1007-2, inv.nr. 7883, 1446, Bevolkingsregister, 1900-1912. Wijk 3, bladnrs. 1446-1742, aktenr. 1604 [Het Utrechts Archief].

[16] Het Utrechts Archief, Bevolkings­register Utrecht, archief 1007-2, inv.nr. 7753 [Het Utrechts Archief]. In 1933 werd het doek geschonken aan de Historische Collectie Gardebrigade Grenadiers & Jagers door L. Tengnagell de Raad, waarschijnlijk Louis Tengnagell de Raad, zoon van Willem Gerard Lodewijk Tengnagell de Raad en Dimphna Gijsberta Theresia Agatha Ongerboer, dochter van Thomas Ongerboer. Op het moment van de overhandiging van het portret aan Ongerboer in 1906, wonen Louis Tengnagell de Raad en zijn ouders bij Thomas Ongerboer in huis aan de Poortstraat in Utrecht. Zie Het Utrechts Archief, archief 1007-2, inv. nr. 7755, Wijk I, bladnrs. 1635-1907, blad nr. 1744 [Het Utrechts Archief] en id., archief 1007-2, inv.nr. 7898, 1900, Bevolkingsregister, 1900-1912. Wijk 3, bladnrs. 5936-6272, blad nr. 6116 [Het Utrechts Archief]. Louis Tengnagell de Boer overlijdt in 1939. Zie Archief Delft, archief 0704, inv.nr. 02340, Register van overlijdensakten, 1939, aktenr. 113 [Archief Delft].

[17] Ellensa 1898, p. 1.

[18] de Jong 2017.

[19] AlleFriezen te Leeuwarden, archief 1007, inv.nr. 462, 24 juli 1922, Huwelijksregister 1922, aktenr. 214 [AlleFriezen].

[20] Scheen 1969-1970, II: M-Z (1970), p. 5.

[21] Amsterdam 1913, p. 30.

[22] Catalogus van een zeer uitgebreide verzameling moderne schilderijen, aquarellen en teekeningen, benevens een grote collectie etsen, uitmakende de nalatenschap moderne kunst van wijlen den hooged. gestr. E.V.F. Ahn (Amsterdam en Dordrecht: A. Mak, 1919), p. 34 [Delpher].

[23] Voor de huwelijksakte, zie Het Utrechts Archief, archief 463, inv.nr. 503-15, 04-07-1907, Soest 1907, aktenr. 18 [Het Utrechts Archief]. Voor Machwirths verhuizing naar Soest, zie id., archief 1007-2, inv.nr. 7984, 1900, Bevolkingsregister, 1900-1912. Wijk 6, bladnrs. 4762-5076, aktenr. 4909 [Het Utrechts Archief]. Van 1911 tot 1916 woont het echtpaar in Hattem. Daarom staat er als Machwirths woonplaats Hattem in Amsterdam 1912, p. 21. Van 1916 tot 1919 wonen Haverkamp en Machwirth in Abcoude. Zie Regionaal Historisch Centrum Vecht en Venen te Weesp, archief 1202, inv.nr. 13, 1910, Bevolkingsregistratie Abcoude-Baambrugge, deel 13, bevolkingsregister, wijk A, 1910-1920 [RHC Vecht en Venen]. Daarna verhuist het echtpaar weer terug naar Soest. Zie ook Heij 2004, p. 126.

[24] Arnhem 1905, p. 15 (nr. 114) en p. 21 (nrs. 177-178).

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Back to Top