Betaald aan vier vrouwen

Ondanks aanwijzingen voor het tegendeel overheerst nog steeds het beeld dat ambachtslieden in de middeleeuwen meestal mannen waren. Toch weten we inmiddels dat vrouwen vaak actief deelnamen aan het familiebedrijf. Bovendien genereerden vrouwen op allerlei andere manieren inkomsten. Uit 15de- en 16de-eeuwse kerkarchieven van Zoutleeuw blijkt bijvoorbeeld dat vrouwen nauw betrokken waren bij het reilen en zeilen van de kerk aldaar en dat zij daarvoor betaald werden. In 1555 geeft de kerk bijvoorbeeld geld aan vier vrouwen voor de verkoop van beeldjes en was. Al met al zijn de rekeningen van de kerk van Zoutleeuw een prachtige bron: ze geven een karrenvracht aan informatie over de dagelijkse gang van zaken met betrekking tot kerkonderhoud en kerkbezoekers, maar ook over de betrokkenheid van vrouwen daarbij.

Leonardus

Zoutleeuw is in de 15de en 16de eeuw een geliefde bestemming van pelgrims uit de wijde omtrek. Bezoekers kunnen er de heilige Leonardus vereren.

In de 6de eeuw was deze abt actief geweest in de regio van Limoges. De plaats waar hij begraven is, wordt een bedevaartplaats die bekendheid krijgt als Saint-Léonard-de-Noblat. Daar wordt de heilige vooral vereerd als helper van gevangenen. De kerk en de relieken van Leonardus trekken vervolgens pelgrims van heinde en ver. Gelovigen, die menen hun bevrijding uit gevangenschap aan Leonardus te danken te hebben, laten er hun ketenen achter als votiefgeschenk.

Leonardus bevrijdt een gevangene, insigne uit Saint-Léonard-de-Noblat, gevonden in Damme, eerste helft 14de eeuw, loodtin, h. 51 mm. Collectie familie Van Beuningen, 3278. Bron: Kunera 06301

Ter plaatse kopen pelgrims vervolgens kleine goedkope loodtinnen pelgrimstekens die ze weer mee naar huis nemen. Elke bedevaartplaats heeft zo zijn kenmerkende insignes met een voorstelling die aan de betreffende cultus refereert. De souvenirs uit Saint-Léonard hebben de vorm van een toren met kantelen, een gevangenis. Daar verschijnt de heilige – te herkennen aan de cirkelvormige nimbus achter zijn hoofd – aan een knielende gevangene. De boeien waarmee deze eerder geketend was, hangen boven het hoofd van figuur, zoals ze waarschijnlijk ook in Saint-Léonard-de-Noblat aan de muren waren opgehangen, nadat ze als votiefgeschenk aan de kerk waren gedoneerd.

Groeiende bekendheid

De voorstelling is dus tegelijkertijd een weergave van een wonder dat zich voltrekt – de heilige bevrijdt een gevangene – én een afbeelding van de situatie in Saint-Léonard. Daar komen pelgrims Leonardus immers heen om hem te bedanken voor zijn hulp en een votiefgave te doen die vervolgens een plaats krijgt in de kerk.

Verspreiding van insignes uit Saint-Léonard-de-Noblat over Europa (paarse vierkantje: locatie van de bedevaartplaats Saint-Léonard-de-Noblat; blauwe rondjes: vindplaatsen van middeleeuwse insignes uit Saint-Léonard-de-Noblat. Bron: Kunera

De roem van de heilige Leonardus verspreid zich vanuit Saint-Léonard-de-Noblat over Europa. De bedevaartsouvenirs die pelgrims meenemen en elders aan anderen te laten zien, helpen zeker om de cultus een grotere bekendheid te geven. Pelgrimstekens uit Saint-Léonard zijn bijvoorbeeld teruggevonden in Zweden, Noorwegen en op de Britse eilanden.[1] De pelgrimstekens fungeren dus ook als een soort reclame waarmee Saint-Léonard weer nieuwe pelgrims naar zich toe trekt.

Zoutleeuw

Leonardus met geopende boeien, gegoten insigne van loodtin, waarschijnlijk afkomstig uit Zoutleeuw, gevonden in Brugge, tweede helft 14de eeuw, h. 81 mm. Brugge, Raakvlak, Onroerend Erfgoed Brugge en Ommeland (coll. H. van de Pas, 24-1). Bron: Kunera 06305

Op andere locaties ontstaan vervolgens eveneens bedevaartculten gewijd aan Léonardus: Zoutleeuw is er één van.

De cultus in Zoutleeuw concentreert zich rond een wonderdadig beeld dat stilistisch gedateerd wordt omstreeks 1350. Deze datum geeft tevens een indicatie waarna de Leonarduscultus in Zoutleeuw zich ontwikkeld zal hebben.[2] De meeste gegevens over de cultus stammen echter pas uit de tweede helft van de 15de eeuw. De kerkbestuurders van Zoutleeuw houden namelijk hun uitgaven bij in boeken waarvan die tussen 1452 en 1599 bewaard zijn gebleven.[3] Behalve allerlei uitgaven voor kerkonderhoud komen daarin ook geregeld de Leonarduscultus en de pelgrims ter sprake.

Uit de archieven blijkt dat de kerkfabriek zelf de productie en verkoop van souvenirs aan pelgrims in handen houdt. Het gaat ook hier, net als in Saint-Léonard, vooral om gegoten tekens van tin en lood met een voorstelling van Leonardus. Vanwege de voorstelling worden deze in de kerkarchieven – naast “beeldekens” en “tekenen” – ook wel “leonarden” genoemd. De pelgrims kunnen de ‘Leonarden’ ter plekke kopen en mee naar huis nemen, als aandenken of om aan anderen te laten zien waar ze geweest zijn.

De tekens van Zoutleeuw zien er echter anders uit dat de tekens uit Saint-Léonard. Ze zijn opengewerkt wat wijst op een latere datum. Hier is de heilige bovendien frontaal afgebeeld. Vaak draagt hij een kazuifel. Dat is het overkleed met een kruisvorm erop. Meestal heeft de heilige ook de kromstaf in handen. Soms knielt er een kleine figuur aan zijn voeten, zoals op de tekens uit Saint-Léonard, maar deze figuur is beduidend kleiner. De boeien ten slotte hangen niet aan de muur, maar de heilige draagt ze in zijn handen.

Productie en verkoop

De kerkfabriek van Zoutleeuw koopt de souvenirs bij ambachtslieden in de regio en delegeert het transport naar Zoutleeuw. Ook regelt ze de verkoop. Uit de archieven blijkt bovendien dat vrouwen betrokken zijn bij zowel productie als verkoop van de tekens. In 1490 betaalt de kerk bijvoorbeeld Truyeken Audenbiers

voir een cummeken daer tekenen af gegoten syn

– f. 325v: Mayus [mei 1490], in De Mecheleer 1997, 171.

Kennelijk levert Audenbiers materiaal waarmee insignes gegoten worden. In 1555 heeft de kerk geld betaald aan vier vrouwen die “metten beeldekens en met was” op de markt hebben gezeten om de koopwaar aan de man te brengen.[4] De was kunnen pelgrims aanschaffen om als votiefgeschenk aan de kerk te doneren om hiermee de heilige te bedanken of zijn hulp in de toekomst af te smeken. De “beeldekens” of “leonarden” kunnen ze vervolgens als herinnering aan het bezoek mee naar huis nemen.

Leonardus met een knielende pelgrim (boeien afgebroken), gegoten insigne van loodtin, mogelijk afkomstig uit Zoutleeuw, vindplaats onbekend, 15de eeuw, h. 58 mm. Stedelijk Museum Breda, G 96 (S06824). Bron: Brabants Erfgoed en Kunera 09341

Bronnen uit andere bedevaartplaatsen bevestigen de betrokkenheid van vrouwen bij de souvenirproductie in bedevaartplaatsen. Zo betaalt hertog René van Anjou op 25 maart 1478 Margarite Bonnet voor “ymaiges de la Magdalaine”, 6 van verguld zilver en 10 van zilver.[5]

Met deze “ymaiges” (het Franse equivalent van de Nederlandse “beeldekens”) worden waarschijnlijk bedevaartsouvenirs van Maria Magdalena uit La Sainte-Baume bedoeld, gelegen in de Provence, dat onder de heerschappij van René van Anjou valt. Bovendien betalen de kerkbestuurders van Aardenburg in 1423-1424 Margriete, weduwe van Jan de schoenmaker (“de wedewe Jans de schoemakere”). Zij doet de was voor de kerk, maar dit keer heeft zij loden insignes van Maria verkocht aan pelgrims.[6]

Vaantjes

Loodtinnen pelgrimstekens zijn een groot deel van het aanbod van souvenirs in Zoutleeuw, maar niet het enige. In de 16de eeuw komt daarnaast gedrukt materiaal beschikbaar voor lagere prijzen en dan voegt de kerkfabriek van Zoutleeuw papieren vaantjes toe aan de keur van souvenirs. In 1541 duiken de papieren vaantjes voor de eerste maal op in de kerkarchieven.[7]

Job uit Wezemaal, gegoten vaan-insigne van loodtin, gevonden in Middelburg, midden 16de eeuw. Collectie familie Van Beuningen, 4780. Bron: Kunera 16449

Uit de vermeldingen van gegoten insignes en papieren vaantjes blijkt een aantal dingen. Ten eerste, de vaantjes en loden souvenirs bestaan geruime tijd naast elkaar. Het is dus niet zo dat de papieren vaantjes de loden insignes vervangen, althans niet in de 16de eeuw. Pelgrims kunnen kennelijk uit het brede aanbod kiezen wat bij hun wensen aansloot.

Ten tweede, het is niet zo dat de ene producent loden insignes maakt en een ander papieren vaantjes. Integendeel, producenten van loden insignes maken ook papieren vaantjes. Jan Noe van Halle bijvoorbeeld voorziet de kerk van Zoutleeuw van gegoten insignes én gedrukte vaantjes.[8]

Dat dezelfde ambachtsmensen zowel gegoten insignes als gedrukte vaantjes maken, wijst op overeenkomsten in techniek. Bovendien worden vaantjes soms ook van lood gemaakt, blijkt uit de archieven van Zoutleeuw.[9] Strikt genomen zijn dit dus insignes, maar dan in vaantjesvorm. Helaas zijn er uit Zoutleeuw geen vaan-insignes bewaard gebleven, wel uit Wezemaal en Belsele bijvoorbeeld. Met Noe’s “tenne vaenkens” in het achterhoofd hoeven deze vondsten ons niet te verbazen.[10]

Stelen

De nieuwe (papieren) vaantjes brengen ook een nieuwe kostenpost voor de kerkfabriek met zich mee. In 1553 krijgt “Goirdt ons cnape” 10 stuivers betaald:

van een duijssent waenkens op stockxen te plecken

om 1000 vaantjes op stokken te plakken

– f. 116r: Maij [mei 1553], in De Mecheleer 1997, p. 466.

Kennelijk worden de vaantjes stuk voor stuk aan stokjes bevestigd zodat pelgrims ermee konden zwaaien. Ook de betaling aan mensen om vaantjes te “stelen” refereert aan het plakken op stokjes (of stelen).[11]

Ook dit werk besteedt de kerk soms uit aan vrouwen. In 1599 bijvoorbeeld betaalt de kerk Lysken Kerckhoffs om stokjes vast te maken aan 2.000 vlaggetjes.[12] Eerder neemt Jan Kerckhoffs deze taak voor zijn rekening. Lysken is waarschijnlijk zijn echtgenote. Mogelijk staat zij haar man bij, maar haar naam verschijnt pas in de rekeningen nadat hij overlijdt. Omdat haar man eerder het geld voor gedane arbeid in ontvangst neemt, verschijnt zijn naam in de bronnen, de hare niet.

De betrokkenheid van vrouwen op de achtergrond blijkt ook uit een kostenpost voor het schilderen van een beeld:

Item betaelt aen Anthonis scilders huysvrouwe van Sint Ursule beelde dy begonnen was te stofferenne: 2 Rijnse gulden.

In dezelfde [maand] betaald aan de huisvrouw van Anthonis de schilder voor het Sint-Ursulabeeld dat ze begonnen is de stofferen [= beschilderen]: 2 Rijnse gulden

– f. 20r: Marcius (maart 1521), in De Mecheleer 1997, p. 335.

Hier staat dus dat de vrouw van Anthonis de schilder begonnen is met het schilderen van een houten beeld voor de kerk van Zoutleeuw. Anthonis neemt echter het geld in ontvangst. Zijn werkende vrouw blijft vervolgens naamloos.

Verborgen vrouwen

Het zijn maar een paar voorbeelden van bronnen waaruit naar voren komt dat vrouwen evengoed deelnemen aan het arbeidsproces, ook al worden ze vaak niet genoemd of blijven ze naamloos. Anders gezegd, vaak gaan achter activiteiten van mannelijke ambachtslieden ook vrouwen schuil. Meestal verschijnt de vrouw echter pas met naam in de archieven als de man wegvalt die eerder het geld in ontvangst nam voor geleverde diensten, zoals in het geval van Lysken Kerckhoffs.

Dergelijke kostenposten van de kerk in Zoutleeuw kunnen dus dienen als een eye opener. Ze laten immers zien wat meestal verborgen blijft, namelijk de participatie van vrouwen. Deze is nu vaak niet meer zichtbaar, omdat de vrouwen in de bronnen niet worden genoemd. Meestal gaan zij namelijk schuil achter de naam van hun man. Waarschijnlijk gaan er dus veel meer vrouwen verborgen achter taken waarvoor mannen betaald worden. Pas als we zoeken en tussen de regels door leren lezen, komen we meer over de betrokkenheid van vrouwen te weten.


Noten

[1] Kunera nrs. 02840, 03448, 03449, 03939, and 03940. Voor Saint-Léonard-de-Noblat, zie ook Colette Lamy-Lasalle, ‘Enseignes de pèlerinage de saint Léonard’, Bulletin de la Société Nationale des Antiquaires de France (1990), p. 157-166.

[2] Suykerbuyk 2020, p. 29-35.

[3] Op basis van de archieven van Zoutleeuw bestudeerde Ruben Suykerbuyk (2020) verschillende aspecten van de cultus. In een apart artikel richtte Suykerbuyk zich volledig op votiefgaven in Zoutleeuw: Ruben Suykerbuyk, “Ter promotie der devotie: Materiële voorzieningen en offervaardigheid voor de Sint-Leonarduscultus in Zoutleeuw (1453-1505),” Nieuwe Tijdingen. Over vroegmoderne geschiedenis, no. Sacrale ruimte in de vroegmoderne Nederlanden (2017).

[4] De Mecheleer 1997, p. 480.

[5] “pour six ymaiges de la Magdalaine, d’argent doré, à 1111 gros pièce, et dix ymaiges d’argent blanc, à iii gros pièce”. G. Arnaud D’Agnel, Comptes du roi René, vol. 1 (Paris: Alphonse Picard, 1908), p. 336, nr. 994 (25 maart 1478).

[6] G.A. Vorsterman van Oyen, Het archief van Aardenburg vol. I: Beredeneerde catalogus van de handvesten, rekeningen enz. uit het tijdperk van de graven van Vlaanderen 1201-1604 (Middelburg: J.C. & W. Altorffer, 1889), p. 69. Zie ook mijn blogposts over Aardenburg: ‘Een onbekend gestanst insigne van Aardenburg’ en ‘Meer sporen van Aardenburg’.

[7] De Mecheleer 1997, p. 403, 444, 493, 514, 526, 530, 540, 554, 558, 561, 566, 571, 576, 581, 586, 596, 601 en 607. Zie ook Suykerbuyk 2020, p. 149-151.

[8] De Mecheleer 1997, p. 514, 530, 540 en 566. Volgens Suykerbuyk produceerde Noe ook hosties. Zie Suykerbuyk 2020, p. 151.

[9] Kunera nrs. 06602, 16449 (Wezemaal), 20885 (Wezemaal) en 23003 (Belsele). Zie ook Alfons K.L. Thijs, ““Pelgrimstekens” in de Zuidelijke Nederlanden tijdens de Contrareformatietijd. Jan en Peter Oris: producenten van “tinnen vaantjes” en andere devotionalia”, Oostvlaamse Zanten 66, nr. 2 (1991), p. 80-81.

[10] De Mecheleer 1997, p. 571 (“tenne vainkens”), 577 (“tenne vaenkens”) en 596 (“tenne beeldekens ende vaenkens”)

[11] “Betaelt Ghielis Vreuen van 2100 vaenkens te stocken”. De Mecheleer 1997, p. 494.”Betaelt van den selve van 2300 vaenkens te steelen.” Ibid., p. 522. “Betaelt Vreuen 2800 vaenkens te stelen en te pappen”. Ibid., p. 532. “Betalt Gillis Vreeuen voor 3600 vaenkens te steelen”. Ibid., p. 542 (en waarschijnlijk ook p. 57: “Betalt Gerdt ons cnaepe van eenen reim vaenkens te stellen”). “Betaelt kerckhoff voor het stocken van 1200 pampieren vainkens” . Ibid., p. 572. “Betaelt Jan van den Kerckhoff van 1000 vaentkens te stocken”. Ibid., p. 589. “Kerckhoff van Stocken voor de 1500 vaenkens” ibid., p. 596. “Betaelt Kerckhoff opt tgeens hem compt van vaenkens te stelen”. Ibid., p. 602.

[12] De Mecheleer 1997, p. 607: “Betaelt Lysken Kerckhoffs van 2 dusent vaenkens te stelen: 2 gulden 2 st.”


Literatuur

  • Lieve de Mecheleer, Rekeningen van de kerkfabriek van de Sint-Leonarduskerk van Zoutleeuw (1405, 1452-1599) (Brussel: Paleis der Academiën, 1997).
  • H.J.E. van Beuningen, A.M. Koldeweij, D. Kicken, Heilig en Profaan 2. 1200 laatmiddeleeuwse insignes uit openbare en particuliere collectie (Cothen: Stichting Middeleeuwse Religieuze en Profane Insignes, 2001), p. 276.
  • Ruben Suykerbuyk, The Matter of Piety (Leiden: Brill, 2020).
  • Kunera, database van middeleeuwse insignes en ampullen, Radboud Universiteit Nijmegen/CKD: www.kunera.nl.

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Back to Top