Meer dan Mafuka

Beeldhouwster Cornelia Smit (1878-1928) is vooral bekend vanwege een klein en bijzonder beeld dat zij maakt van een aapje genaamd Mafuka. In 1988 wordt een bronzen afgietsel van het gipsen origineel geschonken aan de dierentuin Artis waar Mafuka van 1912 tot 1916 woont. Meer werk van Smit is echter niet te vinden in de openbare ruimte of in openbare collecties. Het is dus tijd voor een poging om meer licht te schijnen op deze kunstenares wier werk meer omvat dan alleen het beeld van Mafuka. Hoewel haar oeuvre enigmatisch blijft, valt er weldegelijk een en ander te achterhalen over haar achtergrond en de artistieke wereld waarin ze verkeert.

Mafuka

Vanaf 1912 trekt een bonobo-aap in Artis bijzondere belangstelling. Het dier is afkomstig uit Belgisch Congo (nu Congo Kinshasa). Dat blijkt uit bericht in Delftsche courant (20 januari 1912). Het wordt aan de Amsterdamse dierentuin geschonken door Hendrik Pieter Wertheim, geboren in Amsterdam en woonachtig in New York waar hij als beursmakelaar werkt bij Probst, Wetzlar & Co.[1] Het aapje doet denken aan een ander dat eerder in de dierentuin van Dresden heeft geleefd. Het aapjein Artis krijgt daarom dezelfde naam: Mafuka.

Over de aap in Dresden bericht Algemeen handelsblad in 2 januari 1876 dat het “de eenige gorilla” is “die ooit levend in Europa is aangevoerd”. Toch hebben zoölogen inmiddels geopperd dat het hier om een soort chimpansee gaat en dus krijgt Mafuka in Artis een plek tussen de chimpansees. Dierkundige A.F.J. Portielje, die vanaf 1906 als biologisch assistent in Artis is aangesteld, ziet echter al snel dat het aapje tot een onbekende primatensoort behoort die hij dwergchimpansees noemt.[2] Als afzonderlijke soort zal de bonobo echter pas in 1929 worden erkend.

Gevoelig verlies

Mafuka is meteen bijzonder populair. Dat blijkt onder andere als de aap al na 5 jaar overlijdt aan een leveraandoening:

Een gevoelig verlies leed Artis echter dit jaar door ’tengevolge eener lever-aandoening sterven van de zoo populaire Chimpansé ‘Mafuka’.

Het bericht verschijnt in talrijke nationale kranten, zoals De tijd (15 juli 1916), Algemeen handelsblad (15 juli 1916), De nieuwe courant (15 juli 1916), Het nieuws van den dag (15 juli 1916) en De standaard (17 juli 1916). Als er in 1919 enkele nieuwe apen uit Belgisch Congo arriveren, wordt opnieuw aan het verlies gerefereerd in Algemeen handelsblad (16 augustus 1919). Goemba en Bango moeten “het gevoelig verlies van ‘Mafuka’ en ‘Kees’, de zoo bijzonder populaire Chimpansé-jongens van vóór den oorlog” goedmaken.

Drommen toeschouwers zullen er geschaard staan om Bango en Goemba’s jolige Chimpansé-streken – gepaard aan allerlei merkwaardig gebeuren in hun menschapen-psyche – te zien, zooals er vroeger honderden naar Mafuka’s en Keesjes spelen hebben staan kijken.

Kort daarop wordt er bovendien een derde chimpansee aangeschaft die opnieuw de naam Mafuka krijgt. Dat bericht Algemeen handelsblad op 6 september 1919). Zelfs in 1930 wordt nog naar Mafuka verwezen met de woorden “zooals eertijd de populaire chimpansé” in De tijd (19 september 1930) en als in 1933 een nieuw aap arriveert wordt de populariteit van het dier vergeleken “met de vroeger vermaarde Chimpansé ‘Mafuka'” in De telegraaf (3 juni 1933). Het laat zien dat de herinnering aan Mafuka levend blijft.

Indruk

A.J.W. de Veer, Mafuka en een jonge Atjeh tijger, foto, illustratie in Portielje en Abramsz 1922, p. 127. Bron: Delpher

Ondanks de korte tijd dat hij in Artis verblijft, laat Mafuka dus een diepe indruk achter. De dierkundige Portielje schrijft vaak over het aapje dat hij ook wel liefkozend Foek noemt, bijvoorbeeld in het weekblad Buiten.[3] In 1922 herinnert hij bovendien aan Mafuka in Het Artisboek waar hij schrijft dat mensen speciaal voor Mafuka naar Artis komen, zelfs van ver buiten Amsterdam “en dikwijls zelfs niet vergeten, om speelgoed voor hem mee te brengen!”[4] Portielje vertelt bovendien hoe oppasser D.J. Houtman Mafuka toestaat om kinderen de hand te schudden.

Wat een wonder, dat onze knappe Mafuka onder de leden van ons Genootschap, volwassenen zoowel als kinderen, tal van vriendinnen en vrienden heeft, en met recht mogen we hem het meest populaire dier van Artis noemen.

Afgietsel van Cornelia Smits Mafuka, gesigneerd ‘C. Smit fecit’ (op het voetstuk), bronzen afgietsel, schenking Prof. A. Kortlandt, 1988, 37 x 21 x 21 cm. Amsterdam, Natura Artis Magistra. Bron: RKD

Door de teksten heen schemert de genegenheid die Portielje voor het aapje koestert. Wanneer Cornelia Smit een gipsen beeld van Mafuka maakt, is onbekend. Volgens het kunstarchief Artis is dat rond 1925, als Mafuka al enkele jaren is overleden.[5] Het ligt echter voor de hand dat Smit zich voor haar beeld baseert op oudere studies van het dier die ze waarschijnlijk zelf in Artis heeft gemaakt waar ze immers veelvuldig heeft gewerkt.

Zeker is dat ze het beeld vervolgens aan Portielje schenkt. Na Portieljes overlijden in 1965 erft dierpsycholoog Adriaan Kortlandt het gipsen origineel.[6] Bij gelegenheid van het 150-jarig bestaan van Artis laat hij het in brons gieten waarna het afgietsel een plaats krijgt in de dierentuin. De verblijfplaats van het gipsen origineel is onbekend.

Zwakke gezondheid

In 1928 overlijdt Smit. Ze is dan 50 jaar oud. Bij haar overlijden plaatst haar neef Adriaan Pot Azn uit Slikkerveer de rouwadvertentie waarin haar overlijden wereldkundig wordt gemaakt.[7] Hoewel de rouwadvertentie spreekt van een plotseling overlijden, kampt ze al enige jaren met een verslechterende gezondheid. Een journalist van Het vaderland schrijft op 28 oktober 1928 in een herdenkingsartikel dat beeldhouwen en boetseren in latere jaren daarom te zwaar voor haar werd. Deze schrijft bovendien:

in het beeldhouwen van portretten, in het boetseeren van dieren, waarom zij veel in Artis gewerkt heeft, wist zij een typeerende gelijkenis te bereiken, en een levendige actie speciaal van de kleine aapjes en beren, waarvan de modellen op haar atelier getuigen.

De schrijver benadrukt dus dat Smit veel in Artis werkt waar ze dieren boetseert. Daar bestudeert ze hoogstwaarschijnlijk ook de populaire Mafuka die van 1912 tot 1916 in Artis verblijft, als ook Smit daar werkzaam is. De journalist noemt bovendien Smits voorkeur voor beren en kleine apen wanneer hij de modellen op haar atelier beschrijft. Deze wekt daarmee bovendien de indruk dat Smit veel werk produceert, maar daarvan is maar weinig terug te vinden, althans niet in openbare collecties.

Scheepsbouwers

Cornelia Smit is de dochter van scheepsbouwmeester Jan Smit VI en Cornelia Pot, beide afkomstig uit nauw verwante families van industriëlen. Zowel de familie Smit als Pot zijn namelijk scheepsbouwers in Alblasserdam. Jan Smit VI is een zoon van de Nijmeegse Johanna Maria de Jager en Jan Smit III, ook scheepsbouwmeester en tevens wethouder in Nieuw-Lekkerland. Cornelia Pot is een dochter van Adriaan Pot en Cornelia Smit. Die laatste is overigens ook een zus van Jan Smit III. Jan Smit VI trouwt dus met zijn nicht en Cornelia Pot met haar neef.

Het huwelijk van Jan Smit VI en Cornelia Pot vindt plaats op 17 oktober 1877.[8] Wanneer zij trouwen, wordt vermeld dat de ouders van Cornelia Pot beiden zijn overleden, dat zij een kleindochter is van Bastiaan Pot en Antje Boer (ook: Aaltje/Alida/Annegjen) aan vaderszijde en van Jan Smit en Teuntje van Rijs aan moederszijde, ook allen overleden. Daarom verschijnen als voogden van Cornelia Pot op scheepsbouwmeester Adrianus Pot – waarschijnlijk de broer van Cornelia – en Jan Smit III, tevens vader van de bruidegom. Een der getuigen is bovendien Leendert Smit, scheepsbouwmeester, oom van zowel bruid als bruidegom. Hieruit mag wel blijken hoezeer de families Smit en Pot met elkaar verweven zijn.

Andere getuigen zijn twee broers van de bruidegom, Hendrik en Arie, beiden scheepsbouwmeester en broer van de bruid, Bastiaan Pot, fabrikant.

Geboorte

Tien maanden na het huwelijk van Jan Smit VI en Cornelia Pot wordt hun dochter Cornelia geboren, op 18 augustus 1878.[9] Kort na haar geboorte, op 7 februari 1880, overlijdt haar vader Jan Smit VI tijdens een verblijf in Montreux, Zwitserland, zo blijkt uit een familiebericht in Dagblad van Zuidholland en ’s Gravenhage (12 februari 1880). Hij is dan pas 29 jaar oud.[10]

Van 4 mei 1883 tot 16 juni 1884 verblijven moeder en dochter enige tijd in Vlissingen, met hun dienstbode Gerrigje de Beeld.[11] Ze wonen dan aan de Dokkade (L117K). In de buurt, aan Dokkenkade (L110K), woont van 1879 tot 1888 ook Arie Smit met zijn echtgenote Antje Pot en dat is geen toeval.[12] Antje Smit-Pot is namelijk een zus van Cornelia Smit-Pot. Arie Smit is bovendien familie van haar overleden echtgenoot, zij het enkele generaties verwijderd.

Anton Louwrens Preuniger, De Dokhaven en de Dokkade ter hoogte van het Admiraalshuis, ca 1880-1890, foto. Zeeuws Archief, 7413 – Fotocollectie Vlissingen, 14027. Bron: Zeeuws Archief

En er is nog meer familieverwantschap tussen Cornelia Smit-Pot en Arie Smit in Vlissingen. Cornelia’s broer Adriaan Pot Azn, die bij haar huwelijk in 1877 als haar voogd optreedt, is inmiddels getrouwd met Wendelina/Wijndelina Johanna Smit, een nichtje van Arie Smit.[13] Wendelina’s vader Johannes is namelijk zijn broer. Het is het zoveelste voorbeeld van de verwevenheid van de families Smit en Pot.

Het zal dan ook de aanwezigheid van haar nabije verwanten zijn die Cornelia Smit-Pot na het tragische overlijden van haar echtgenoot doet besluiten om een jaar in Vlissingen te gaan wonen, met haar dochter. In juni 1884 keren Cornelia Smit-Pot en haar dochter Cornelia vervolgens terug naar Nieuw-Lekkerland. Daar sterft Cornelia Smit-Pot in 1894 volgens Haagsche courant (21 maart 1894). Ook zij is nog jong. Ze is dan 38 jaar oud en haar dochter is pas 15. Waarschijnlijk komt de jonge Cornelia Smit dan onder voogdij van haar oom Adriaan Pot Azn die eerder ook als voogd optrad van haar moeder.[14]

Familie

Verschillende leden van de familie, zoals Cornelia’s vader, zijn in de rederij van de familie Smit in Kinderdijk werkzaam. Via de rederij komt zij mogelijk al op jeugdige leeftijd in aanraking met kunstenaars. Het bedrijf huurt namelijk geregeld toonaangevende artiesten om de luxe passagiersschepen aan te kleden waarmee pleziertochten over de grote rivieren wordt gemaakt. Kunstenaar Theo Hoytema schildert bijvoorbeeld decoratieve panelen van vogels, bloemen en voorstellingen van de seizoenen voor de salon van het eerste passagiersschip uit 1879, de Merwede I.[15] Op het schip W.F. Leemans worden vanaf 1897 bovendien kunstexposities gehouden.[16]

Bovendien is de welgestelde familie Smit van oudsher nauw betrokken bij het culturele leven van Alblasserdam. Een voorouder van Cornelia Smit, is Fop Smit, een broer van Jans overgrootvader om precies te zijn en tevens een van de stamvaders van de Smitten in Alblasserdam. Deze rijke industrieel schenkt een orgel aan de kerk van Alblasserdam.[17] Zijn zoon met dezelfde naam legt een grote kunstverzameling aan die hoog staat aangeschreven.[18] Deze Fop Smit Fopsz is bovendien lid van de commissie van Museum Boijmans van Beuningen, zo blijkt uit bericht in Dagblad van Zuidholland en ’s Gravenhage (5 februari 1892). Als Smit Fopsz op 6 februari in zijn buitenplaats Insulinde te Rotterdam overlijdt, schrijft een journalist van Rotterdamsch nieuwsblad (6 februari 1892):

Als kunstverzamelaar stond hij algemeen bekend en zijn kostbaar schilderijenkabinet, dat eene Europeesche vermaardheid heeft, werd door vele voorname vreemdelingen, die in onze stad vertoefden, bezocht.

Na zijn dood wordt de collectie, met een geschatte waarde van 1.500.000 gulden, in Parijs geveild. Dat bericht een verslaggever van Utrechtsch provinciaal en stedelijk dagblad op 7 februari 1892.

Stoer en raak

Wanneer Cornelia Smit precies begint met haar kunstzinnige opleiding, is niet bekend. In het eerder genoemde rouwartikel in Het vaderland (28 oktober 1928) wordt vermeld dat ze haar opleiding volgt aan de Academie van Beeldende Kunsten en Technische Wetenschappen te Rotterdam. In 1902 neemt ze vervolgens deel aan de vierjaarlijkse tentoonstelling van de Rotterdamse academie.[19] Daar exposeert ze een mannenkop in gebronsd gips die meteen goede kritieken krijgt. Zo karakteriseert een recensent van De nieuwe courant (27 mei 1902) haar inzending als:

Stoer en raak ineengeduimd en toch met al het teere van een ouden, afgeleefden man.

Bij die eerste tentoonstellingen valt al op dat Smit zich vooral toelegt op portretten en figuren, niet op dieren. Volgens de Rotterdamse tentoonstellingscatalogus woont ze dan in Den Haag, waar ze inmiddels lessen volgt bij Toon Dupuis die van 1898 tot 1906 in Den Haag woont en werkt.[20] Hij specialiseert zich in portretten en figuren en geeft onder andere les aan de Haagse academie. Ook geeft hij cursussen. Zo staat in Het vaderland (7 december 1901) dat Dupuis in de zomer van 1901 boetseerlessen geeft aan elf vrouwelijke leerlingen.

Smit is inmiddels lid van de Haagsche Kunstkring en exposeert veelvuldig tijdens groepstentoonstelling van dit genootschap. In 1902 merkt een recensent van Arnhemsche courant (1 februari 1902) een buste van een Scheveningse vrouw op een expositie van de Haagsche Kunstkring. Het beeldje wordt zelfs verkocht, dat schrijft een journalist van De nieuwe courant (30 januari 1902).

Allerlei dieren

Vervolgens reist Smit naar Brussel waar ze lessen gaat volgen bij beeldhouwer Charles Van der Stappen, sinds 1883 leraar aan de Académie des Beaux-Arts.[21] Ook bij deze meester van het symbolisme maakt ze waarschijnlijk vooral figuurstudies. Naast figuren en portretten, waarvoor Dupuis en Van der Stappen de aangewezen docenten zijn, gaat Smit zich intussen echter ook toeleggen op dieren. In 1906 schrijft een recensent van dagblas Land en volk (12 oktober 1906) namelijk:

Cornelia Smidt geeft studiewerk te zien. Deze beeldhouwster moet een woord van aanmoediging hebben; haar paardjes zijn nog wat glad; maar ze is op den goeden weg in het aankijken der modellen.

Hoewel deze verslaggever nog voorzichtig kritisch is met woorden als “nog wat glad”, maakt Smit naam voor zichzelf als beeldhouwer van allerhande dieren. Dat blijkt bijvoorbeeld als een verslaggever in een artikel over de toneelspeler Jules Verstraete in Nieuwe Rotterdamsche courant (10 maart 1923) ook Cornelia Smit noemt. Hoewel Verstraete het eigenlijke onderwerp is, schrijft de journalist daar:

Je herinnert je dan opeens wat de beeldhouwster Cor Smit VI, aan den Kinderdijk, die allelei [sic] dieren: apen vooral, en uilen en katten pleegt te kerven uit hout, je eens verteld heeft van haar werkvrouw, het trouwe factotum op ’t atelier. Zij had gevraagd of daar nu in dat blok palissander toch warempel een poes zat.

Zoals de toneelspeler overtuigende gedaantes kan aannemen, zo haalt Smit met schijnbaar gemak allerlei dieren uit hout.

Omsloten beeldvorm

Ondanks alle successen exposeert Smit relatief weinig. Ik vond verwijzingen naar 14 tentoonstellingen in de periode 1902-1924. Dat is dus minder dan een tentoonstelling per jaar.

Zie ook tentoonstellingsoverzicht hieronder.

De waarschijnlijke reden voor dit lage aantal is het ontbreken van financiële noodzaak. Hoewel ze jong wees wordt, kan ze terugvallen op een welgestelde familie en hoeft ze waarschijnlijk niet te werken om geld te verdienen. Voor een vrouw in haar positie zal het zelfs worden afgekeurd om te werken voor geld. Daardoor ontbreekt voor haar de urgentie om te exposeren, hoewel ze dat af en toe toch doet.

In 1920 toont ze voor het eerst een houten beeld van apen op een groepsexpositie, hoewel het zeker niet de eerste keer zal zijn dat ze deze dieren verbeeldt. Dan schrijft een recensent van Nieuwe Rotterdamsche courant (27 februari 1920) dat Smit genoemd moet worden “met haar, goed als omsloten beeldvorm gesneden, ‘Lampong-apen'”. In 1924 zijn deze Lampongapen, of laponderapen, nogmaals te zien in Zutphen. Ook een verslaggever van Zutphensche courant (25 september 1924) schrijft dan:

Hoe aardig zijn verder de lampong-apen (eikenhout) van Cornelia Smit, kinderlijk.

Het is tevens de laatste keer, voor zover ik kan achterhalen, dat ze haar beelden exposeert, wat overeenkomt met de opmerking van de journalist in Het vaderland die bij Smits overlijden in 1928 schrijft dat beeldhouwen en boetseren haar in de laatste jaren moeite kostte.

Goedhartig

Tot slot valt iets anders op bij het lezen van het rouwartikel in Het vaderland (28 oktober 1928). De journalist roemt niet alleen Smits kunstzinnigheid, maar ook haar ‘goedhartige mildheid’:

Mejuffrouw Cor Smit had een menigte goede vrienden, ook onder de armen.

Het past bij haar achtergrond waar filantropie als een plicht wordt beschouwd. Ook hiermee treedt ze in de voetsporen van illustere voorouders zoals Fop Smit die bij zijn overlijden wordt geprezen om zijn strijd “in het belang van vooruitgang, van volksonderwijs en beschaving”.[22] Sociaal engagement blijkt ook uit de nalatenschap van Cornelia Smit. Ze laat maar liefst 1000 gulden, vrij van successierechten, na aan de Zuid-Hollandse Vereniging Het Groene Kruis. Dat blijkt uit een bericht in Rotterdamsch nieuwsblad (23 november 1928). Het illustreert haar generositeit en betrokkenheid. Tegelijkertijd is het een indicatie van haar financiële armslag.

Geworteld

Kortom, Smits herkomst is diepgeworteld in de families Pot en Smit – twee families die maar moeilijk te ontwarren zijn. Ze wordt jong wees, pas 15 jaar oud. De voogd van haar moeder wordt vervolgens haar voogd, dus de banden met de families Smit en Pot blijven nauw. Bovendien betekent de verwantschap dat ze in financiële rijkdom opgroeit. Ook zorgt haar familie waarschijnlijk voor een grote culturele bagage en een omgeving waarin Smits kunstenaarschap uitdrukkelijk wordt gestimuleerd. Ten slotte zorgt haar afkomst uit deze rijke dynastie van scheepsbouwers ervoor dat Smit niet hoeft te werken voor een inkomen.

Al met al blijft het lastig om veel over Smits werk boven water te krijgen. De redenen daarvoor zijn meervoudig. Deels heeft het te maken met haar naam. Om te beginnen komen de namen Smit en Pot veelvuldig voor. Bovendien wordt de achternaam – hoe kort en eenvoudig ook – vaak verbasterd tot Smid of Smidt. Bovendien delen familieleden voornamen waardoor het soms moeilijk is om ze uit elkaar te houden.

Indertijd is de naam Smit al geregeld aanleiding voor verwarring. Dat blijkt wel uit het feit dat de familie soms een suffix aan de achternaam toevoegt. Dat doet ook Cornelia Smit die daarom Smit VI wordt genoemd. In 1909 schrijft een recensent van De tijd (17 mei 1909) naar aanleiding van een tentoonstelling van de Haagse Kunstkring waar drie gipsen studies van Smit te zien zijn:

Mej. C. Smit VI (wier getalsaanduiding aantoont uit welke landstreek zij afkomstig is, Kinderdijk immers, waar ’t wemelt van de Smitten)

Ten slotte exposeert Smit haar werk maar in beperkte mate waardoor journalisten van dagbladen en tijdschriften haar naam maar af en toe noemen. Veel blijft slechts suggestief zoals de mogelijke invloed van haar familie. Ook blijft onduidelijk waarom ze zich gaat toeleggen op dieren, na lessen van Dupuis en Van der Stappen, en wie haar daarin instrueert. Des te bijzonderder is het wanneer er werk boven water komt. Met Mafuka in het achterhoofd werd een beeldje van een aapje dat in 2014 in Amsterdam werd geveild, aan Smit toegeschreven, hoewel het brons niet is gesigneerd.[23] Met niet meer dan Mafuka als referentiekader, blijft de toeschrijving echter lastig te staven.


Tentoonstellingen

Cornelia Smit stelt haar werk vooral tentoon tussen 1902 en 1924, vooral met de leden van de Haagsche Kunstkring. In 1919 stelt ze bovendien tentoon met de Nederlandse Kring van Beeldhouwers, eveneens in Den Haag. De tentoonstelling in Zutphen lijkt haar laatste expositie. Daar stelt ze een paar eikenhouten beelden van apen tentoon, die ze ook al in 1920 exposeerde. Dan lijkt ze dus al veel minder productief, wat waarschijnlijk samenhangt met een verslechterende gezondheid.

Den Haag, Haagsche Kunstkring, 1902: Tentoonstelling [recensie in Arnhemsche courant (1 februari 1902), p. 5 via Delpher]

  • “buste eener Scheveningsche vrouw” (nr. 104) [verkocht volgens De nieuwe courant (30 januari 1902), p. 2 via Delpher]

Rotterdam 1902: Vierjaarlijksche tentoonstelling van schilderijen en andere kunstwerken in het gebouw der academie [recensie in De nieuwe courant (27 mei 1902), p. 2 via Delpher]

  • “Mannenkop. (Gebronsd gips)” (nr. 277)

Leiden, Leidsche Kunstvereniging, 1904: Tentoonstelling van beeldhouwwerk van Cornelia Smit, J.B. Verstijnen, Ch. van Wijk, Toon Dupuis en anderen in het gebouw der vereeniging aan de Langebrug, hoek Steenschuur [aankondigingen in Het nieuws van den dag (30 maart 1904), p. 12 via Delpher en De kroniek 10, nr. 484 (2 april 1904), p. 111 via Delpher]

  • “manskop”
  • “portret, buste in gips”

Den Haag, Haagsche Kunstkring, 1904: Tentoonstelling van werken der Kunstkringleden [recensie in Algemeen Handelsblad (8 april 1904), p. 10 via Delpher]

  • “een meisjeskopje in gips”
  • “een Zittend Vrouwtje in klei”

Den Haag, Haagsche Kunstkring, 1906: Tentoonstelling [recensie van T. in Land en volk (12 oktober 1906), p. 6 via [Delpher]

  • “paardjes”

Den Haag, Haagsche Kunstkring, 1907: Tentoonstelling van schilderijen vervaardigd door de werkende leden [recensie van R. in Het vaderland (11 december 1907), p. 9 via Delpher en in De nieuwe courant (12 december 1907), p. 2. Geraadpleegd op Delpher op 18-10-2025, https://resolver.kb.nl/resolve?urn=MMKB15:000769176:mpeg21:p00002]

  • “Bokje… brons” (nr. 69) [aangekocht voor de verloting volgens De nieuwe courant (11 december 1907), p. 3 via Delpher]

Den Haag, Haagsche Kunstkring, 1909: Tentoonstelling van schilderijen, beeldhouwwerken, teekeningen en graphische kunst door werkende leden [recensie van F.L. in De nieuwe courant (15 mei 1909), p. 1 via Delpher], in De Tijd (17 mei 1909), p. 6 via Delpher en van R. in Het vaderland (18 mei 1909), p. 3 via Delpher]

  • “drietal pleisterafgietsels”, ook “gipsen studies”

Den Haag, Haagsche Kunstkring, 1909: Tentoonstelling door werk van de leden [recensie in De avondpost (6 december 1909), p. 6 via Delpher, van R. in Het vaderland (7 december 1909), p. 2 via Delpher en van G.D.G. in Land en volk (9 december 1909), p. 2 via Delpher]

  • “pleisterbusten” o.a. “mannenkop”

Apeldoorn, Kunsthandel Minderman, 1913: Werken van mej. Smit en een aquarel (portret) van H.J. Haverman [aankondiging in Nieuwe Apeldoornsche courant (30 december 1913) via Delpher]

  • “werken”

Den Haag, Haagsche Kunstkring, 1917: Openingstentoonstelling [recensie in De nieuwe courant“. ‘s-Gravenhage, 06-11-1917, p. 1 via Delpher]

  • “twee bronzen”
  • “paard in gips”

Den Haag, Haagsche Kunstkring, 1918: Tentoonstelling van beeldhouwwerk, 15 mei – juni 1918 [recensie in Het vaderland (18 mei 1918), p. 8 via Delpher]

  • “onbekend”

Utrecht 1919: Tentoonstelling van hedendaagse beeldende kunst tijdens de Nederlandse Jaarbeurzen [recensie in De Tijd (26 februari 1919), p. 2 via Delpher]

  • “Breiend vrouwtje”

Den Haag, Nederlandse Kring van Beeldhouwers, 1919: Tentoonstelling in de zalen van Pulchri, april [bericht in De avondpost (8 april 1919), p. 6 via Delpher]

  • onbekend

Utrecht 1920: Tentoonstelling van grafische kunst en tekeningen en beeldhouwwerk [recensie in Nieuwe Rotterdamsche courant (27 februari 1920), p. 9 via Delpher en in Twentsch dagblad Tubantia en Enschedesche courant (23 maart 1920), p. via Delpher]

  • “gesneden ‘Lampong-apen'”

Zutphen 1924: Tentoonstelling boven de Groote Sociëteit [recensie in Zutphensche courant (25 september 1924) via Delpher]

  • “lampongapen (eikenhout)”

Haarlem, Teylers Museum, 2001: Kunstenaars in Artis, 7 april – 8 juli

  • Mafuka

Literatuur

  • Boot, W.J.J. en A. Sandberg, Maas en Merwe: geschiedenis van de Stoomboot Reederij Fop Smit & Co. 1847-1878-1950 (Opperdoes, 2007)
  • Dirkzwager, J.M., ‘Smit, Arie (1845-1935).’ In Biografisch Woordenboek van Nederland, laatst gewijzigd op 12 november 2013. [resources Huygens]
  • Heij, Jan Jaap, Vernieuwing & bezinning: Nederlandse beeldende kunst en kunstnijverheid ca. 1885-1935 uit de collectie van het Drents Museum (Zwolle: Waanders, 2004).
  • Koopmans, Ype, Muurvast & gebeiteld.Beeldhouwkunst in de bouw 1840-1940 (Rotterdam: NAi, 1997).
  • Portielje, A.F.J. ‘Mensch-apen in Artis’, Buiten: geïllustreerd weekblad aan het buitenleven gewijd 10, nr. 15 (8 april 1916), p. 176-177. [Delpher]
  • _ , 10, nr. 16 (15 april 1916), p. 188-189. [Delpher]
  • _ en S. Abramsz, Het Artisboek, 2 vols (Zutphen: van Belkum, 1922). [Delpher]
  • RotterdamCatalogus der Vierjaarlijksche Tentoonstelling van schilderijen en andere kunstwerken, in het gebouw der Academie van Beeldende Kunsten en Technische Wetenschappen te Rotterdam, in 1902 (Rotterdam: Stefanus Mostert & Zonen, 1902), p. 34. [RKD Library]
  • Scheen, Pieter A., Lexicon Nederlandse beeldende kunstenaars 1750-1950, herziene ed. (Den Haag: Scheen, 1981).
  • Smit, P., ‘Portielje, Anton Frederik Johan (1886-1965)’, in Biografisch Woordenboek van Nederland, 12 november 2023. [resources Huygens]
  • Visser, Evelien de, ‘Collecting Contemporary Art in Rotterdam between 1870 and 1892: The International Taste of Fop Smit Jr. (1815-1892)’, Oud Holland 136, nr. 1 (2023): 49-68.

Noten

[1] Voor de geboorteakte van Hendrik (Henri) Pieter Wertheim, zie Stadsarchief Amsterdam, archief 5000, inv.nr. 1746, 2 oktober 1872, Bevolkingsregister 1874-1893 [SA]. Voor meer achtergrond bij de familie Wertheim, zie de beschrijving van het archief Wertheim, Stadsarchief Amsterdam, archief 729 [SA].

[2] ‘Mafuka de Bonobo: Pan paniscus’, Naturalis Topstukken, ZMA.MAM.5958. Over Portielje, zie Smit 2023.

[3] Portielje 1922.

[4] Portielje 8 april 1916 en dezelfde 15 april 1916.

[5] ‘Cornelia Smit, Mafuka’, RKD – Nederlands Instituut voor Kunstgeschiedenis [RKDimages, laatst gewijzigd 30 mei 2024].

[6] Ibidem. Met betrekking tot Kortlandt, zie ‘Kortlandt, A. (Adriaan), 1918-2009’, Allard Pierson – The Collections of the University of Amsterdam [Allard Pierson].

[7] Voor het overlijdensbericht, zie Nieuwe Rotterdamsche courant (27 oktober 1928), p. 4 [Delpher]. Zie ook Stadsarchief Dordrecht, aktenr. 46.

[8] Regionaal Archief Dordrecht, archief 697, inv.nr. 15, 17-10-1877, Huwelijksakten 697-15, 1873-1882, 1873-1882, aktenr. 19 [Regionaal Archief Dordrecht]. Voor de geslachtslijst van de familie Smit (en dus ook Pot), zie Algemeen Nederlandsch familieblad 2 (1885), p. 177-184 [Delpher].

[9] Zie Algemeen Nederlandsch familieblad 2 (1885), p. 182 [Delpher]. Ook berichtgeving in Rotterdamsch nieuwsblad (21 augustus 1878), p. 5 [Delpher] en Het nieuws van den dag (21 augustus 1878), p. 2 [Delpher].

[10] Volgens berichtgeving in andere kranten, zoals Het vaderland, is hij 30 jaar oud. Zie familiebericht in Het vaderland (11 februari 1880), p. 2 [Delpher]. Hij is echter geboren op 28 mei 1850, waaruit afgeleid moet worden dat hij pas 29 is.

[11] Zeeuws Archief te Middelburg, archieftoegang 7434, inv.nr. 512, 1860-1890, Vlissingen, bevolkingsregister 1860-1890 deel S3, folio 564 [Zeeuws Archief].

[12] Zeeuws Archief te Middelburg, archieftoegang 7434, inv.nr. 512, 1860-1890, Vlissingen, bevolkingsregister 1860-1890 deel S3, folio 475 [Zeeuws Archief]. In 1875 heeft Smit, geboren in Ridderkerk, in Vlissingen de scheepswerf en machinefabriek Koninklijke Maatschappij De Schelde (KMS) opgericht. Hij wordt daar bovendien burgemeester en lid van de Provinciale Staten van Zeeland. Voor Arie Smit, zie ook Dirkzwager 2013 en Algemeen Nederlandsch familieblad 2 (1885), p. 181 [Delpher].

[13] Zie Algemeen Nederlandsch familieblad 2 (1885), p. 180 [Delpher]. Wendelina Johanna Smit is een dochter van Johannes Smit en Wendelina de Jager. Voor de trouwakte, zie Nationaal Archief / Rijksarchief Zuid-Holland te Den Haag, BS Huwelijk Ridderkerk, 30-11-1882, aktenr. 48.

[14] Voor Adriaan Pot, zie onder andere een in memoriam in Rotterdamsch nieuwsblad (12 februari 1932), p. 13 [Delpher].

[15] Heij 2004.

[16] Boot en Sandberg 2007.

[17] Zie Algemeen Nederlandsch familieblad 2 (1885), p. 178 [Delpher]. Uitvoerig levensbericht van deze telg is te vinden in Nieuwe Rotterdamsche courant (26 augustus 1866), p. 9 [Delpher].

[18] Algemeen Nederlandsch familieblad 2 (1885), p. 179 [Delpher]: “Zijne verzameling van schilder- en beeldhouwkunst staat zeer hoog aangeschreven.” Voor de kunstcollectie van Fop Smit, zie De Visser 2023.

[19] Rotterdam 1902, p. 34.

[20] Scheen 1981, p. 483, Heij 2004 p. 100-101 en Koopmans 1993, o.a. p. 113.

[21] Scheen 1981, p. 483.

[22] ‘Fop Smit’, in Nieuwe Rotterdamsche courant (26 augustus 1866), p. 3 [Delpher].

[23] Amsterdam, Botterweg Auctions, veiling 20 oktober 2014, lot 561: “Earthenware sculpture of a monkey, design attributed to Cornelia Smit (1878- 1928), ca. 1925” [Boterweg Auctions].

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Back to Top