Portretten van de stad

In 1968 vindt er in expositiezaal M3 te Amersfoort een postume tentoonstelling plaats van schilderijen en tekeningen van Sara van Heukelom (1885-1963). De opbrengst van de verkochte werken is vervolgens bestemd voor de Vereniging tot behoud van Natuurmonumenten, volgens dagblad Trouw (5 juni 1968), als bijdrage in de aankoop van het Deelerwoud. Mogelijk is het een initiatief van Van Heukeloms echtgenoot na haar overlijden, maar het idee kan ook eerder zijn ontstaan in samenspraak tussen de echtelieden. Het initiatief is namelijk typerend voor de grote betrokkenheid van Van Heukelom bij monumenten in en rond Amersfoort zoals onder andere blijkt uit haar talrijke portretten van de stad.

Passie voor stadsgezichten

In een interview voor Nieuw Utrechtsch dagblad (22 januari 1955) vanwege haar zeventigste verjaardag, wordt teruggeblikt op haar beginjaren als kunstenaar. Dan schrijft de journalist dat in Van Heukeloms jeugd kunst niet gestimuleerd werd.

In het gezin waarin zij leefde had men geen oog voor artistieke gaven.

Het is vooral een vriendin van haar moeder die haar vervolgens aanspoort om de tekenpen op te pakken. Daarna stimuleert haar tekenleraar Gerrit van Dokkum haar passie voor stadsgezichten. Dat schreef ik in een eerdere post ‘Overgrote preciesheid. Van Dokkum schildert namelijk veelvuldig de stad Utrecht. Dat Van Heukelom op de eerste groepstentoonstelling een tekening van de Utrechtse Dom toont, zal dus geen toeval zijn.[1]

Vanaf 1913 gaat Van Heukelom veelvuldig tekenen in de straten van Amersfoort. Veel van haar tekeningen zien vervolgens als ansichtkaart het licht. Deze kaarten, uitgegeven door boekhandelaar Ittmann, zijn bovendien een groot succes. Wanneer een anonieme verslaggever Van Heukelom in 1955 vraagt naar de verkoopcijfers, kan ze die niet meer precies terughalen, maar volgens haar werden er “18 of 24000 van verkocht”.[2]

Kunstverzamelaar

Ondertussen is er echter weldegelijk een familielid dat een rol speelt in Van Heukeloms ontwikkeling als kunstenaar, vooral als stadstekenaar. Sara’s oom Willem Croockewit W. Azn. – een broer van haar moeder – is namelijk fervent kunstverzamelaar. Na zijn overlijden wordt zijn gigantische verzameling van tekeningen en gravures geveild volgens Algemeen handelsblad (16 januari 1941). Uit de aankondiging van die veiling blijkt vervolgens wat zijn verzameling zoals bevat:

Bij de teekeningen worden o.a. bladen vermeld van J. Asselyn, P. Barbiers, J. Both, Adr. Brouwer, H. Croockewit, A. v. d. Hoop, Hoppenbrouwer, Jelgersma, Ten Kate, Knip, H. Koekkoek, D. Langendijk, R. Ie Loup, Michaelis, Nakken, P. G. van Os, J. v. Ravensway, Rochussen, v. d. Sande Bakhuyzen, Humbert de Superville,. Petar van Elven, Uytyenbroek, Verkolje, C. J. Visscher, Waterloo, Hart Nibbrig.

De lijst is indrukwekkend. Daarnaast bevat de verzameling “Nederlandse topographica”, waarmee waarschijnlijk stadsgezichten worden bedoeld. Croockewits interesse in het stedelijk landschap hangt nauw met de activiteiten die hij tijdens zijn leven ontplooit. Hij houdt zich namelijk veelvuldig bezig met beheer en behoud van stedelijke monumenten en kunstwerken, vooral in Amersfoort. Behalve haar leermeester Van Dokkum is het mogelijk dus ook haar oom die Van Heukelom inspireert om stadgezichten te gaan tekenen.

Monumentenzorg

Van 1890 is Willem Croockewit actief als bestuurslid van Museum Flehite in Amersfoort. In 1902 moet hij aftreden als bestuurslid waarna hij meteen wordt herkozen als secretaris-conservator volgens Utrechtsch provinciaal en stedelijk dagblad (20 april 1902). Wanneer hij als getuige optreedt bij huwelijk van Sara’s zus Octavia in 1912 wordt Willem Croockewit bovendien “directeur van een museum” genoemd. Praktisch gezien klopt dat ook. Museum Flenite is namelijk eigendom van de oudheidkundige vereniging waarvan Croockewit voorzitter is.[3]

Als voorzitter van de oudheidkundige vereniging bekommert Croockewit zich om Amersfoorts kunst- en bouwwerken en zijn betrokkenheid blijkt uit krantenberichten . Zo wordt in 1901 bijvoorbeeld bij afbraak van een accijnsmeestershuisje aan de noordzijde van de Amersfoortse Joriskerk, een oude muurschildering aangetroffen die lange tijd bedekt is geweest met een witte kalklaag. Volgens bericht in dagblad De tijd (20 juni 1902) wordt de kalklaag “door toedoen van” Croockewit verwijderd waarbij de 16e-eeuwse muurschildering wordt blootgelegd.

Sint Joriskerk: detail schildering op buitenmuur van het koor, zijde Langstraat, foto, augustus 1942. Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, 20009128. Bron: Wikimedia

Croockewit doet uitvoerig verslag van de schildering in het bulletin van de Nederlandsche Oudheidkundige Bond. Daar beschrijft hij hoe de schildering beschadigd is geraakt en vervolgens gerestaureerd en gefixeerd is. Overigens is de schildering aan het einde van de 20e eeuw van de buitenmuur genomen en in de kerk geplaatst. Op de oorspronkelijke plaats aan de buitenzijde van de kerk bevindt zich nu een reconstructie achter glas.[4]

Anoniem, Willem Croockewit, detail van een groepsportret van een groot aantal Amersfoortse notabelen en militairen, 1910-1920, foto. Amersfoort, Archief Eemland, foto nr. AFT006000203. Bron: Archief Eemland

Betrokkenheid

Croockewits betrokkenheid beperkt zich niet tot Amersfoort. Integendeel, ook monumenten daarbuiten behoren tot zijn aandachtsveld. Zo is hij bijvoorbeeld secretaris van de Utrechtse Provinciale Commissie van Toezicht op de bewaring en instandhouding van voorwerpen van waarde. Daarnaast neemt Croockewit in 1928 deel aan een commissie die zich inzet om de molen van Wijk bij Duurstede te redden, volgens De Maasbode (4 april 1928). Immers, de molen heeft vanwege de komst van elektriciteit zijn functie verloren en dreigt daardoor ten onder te gaan. Croockewit en anderen gaan er zorg voor dragen dat dat niet gebeurt. Het krantenbericht eindigt dan ook met de belofte dat het comité zich binnen afzienbare tijd tot belangstellenden zal wenden voor steun en medewerking.

Als kort daarna in Utrecht een monumentencommissie wordt opgericht, neemt ook Croockewit daarin zitting volgens De Maasbode (14 mei 1928). De commissie is het vervolg op een eerdere verordening die moet voorkomen dat bijzondere bouw- en kunstwerken gesloopt, verplaatst of veranderd worden, zonder schriftelijke toestemming van het college. Om te beginnen moet deze commissie een lijst opstellen en bijhouden van gebouwen en kunstwerken die een esthetische verrijking van de stad zijn of van historische betekenis zijn. De raad moet het gemeentebestuur bovendien van advies voorzien wanneer iemand met een werk op deze lijst aan de slag wil.

Ansichtkaarten

In allerlei hoedanigheden is Croockewit dus betrokken bij monumentenzorg in Amersfoort en daarbuiten. Wanneer Van Heukelom de monumenten van Amersfoort gaat tekenen, komt ze daarmee dus dicht in de buurt van de bekommernissen van haar oom. Dat blijkt allereerst uit de onderwerpen die ze kiest. Dat zijn namelijk vooral de historische gebouwen en oude straatjes van Amersfoort.

Bovendien ligt er waarschijnlijk een zelfde behoefte aan monumentenbehoud aan ten grondslag. Met de verspreiding van de kaarten draagt Van Heukelom namelijk bij aan de groeiende waardering voor de oude monumenten van de stad. Met haar tekeningen onderstreept ze namelijk de schoonheid, en dus de waarde van de afgebeelde gebouwen. Dit wordt onder andere onderkend door kunstcriticus Albert Plasschaert, wanneer deze Van Heukeloms tekeningen gebruikt als aanleiding om in Het vaderland (14 mei 1914) te verzuchten:

Zij lijkt in Amersfoort te zoeken wat ik wilde dat zij ervan behield.

Plaaschaert ziet in van Heukeloms tekeningen dus de waarde van de afgebeelde bouwwerken. Het pleidooi voor het behoud van het oude stadsgezicht wordt bovendien woord voor woord overgenomen in Amersfoortsch Dagblad / De Eemlander (15 mei 1914).

Schilderijen

Overigens maakt Van Heukelom niet alleen tekeningen. Ze maakt ook schilderijen waarin de stad Amersfoort een hoofdrol speelt. Dit geldt bijvoorbeeld voor de Hellestraat met zicht op de Onze-Lieve-Vrouwetoren. Daarvan maakt Sara van Heukelom in 1916 een schilderij. Een tekening met hetzelfde onderwerp is gedateerd 1920. Aangezien er aan het schilderij waarschijnlijk tekeningen voorafgaan, blijkt dat Van Heukelom dezelfde voorstelling waarschijnlijk meermaals vastlegt op papier.

Op de voorgrond van het oudere schilderij staan enkele kinderen, prominent in beeld. In het getekende straatgezicht waarvan de compositie vrijwel exact overeenkomt met het eerdere schilderij, laat Van Heukelom deze kinderen weg. De kleine figuren die ze toevoegt, vallen nauwelijks op. In de tekening gaat meer aandacht uit naar de detaillering van de gebouwen. Deze heeft daardoor een grotere documenterende waarde. In de tekening is de hoofdrol weggelegd voor het historische stadsbeeld.

Monumentencommissie

Dat de interesses van van Heukelom overlappen met die van haar oom Willem Croockewit, blijkt verder in 1922. Als de eerste Amersfoortse monumentencommissie met haar werk aanvangt, benoemt de gemeente de kunstenares als één van de leden volgens De avondpost (26 november 1922).[5] Als directeur/conservator van Museum Flehite neemt ook Willem Croockewit zitting in de monumentencommissie die door de gemeente wordt ingesteld.

Daarnaast treedt de Amsterdamse architect A.A. Kok toe namens de Bond Heemschut. Ook Croockewit en Kok zijn al bekenden van elkaar. Beiden zijn immers sinds 1920 lid van het algemeen bestuur van de Vereeniging Hendrik de Keyser die zich inzet voor het behoud van architectonisch en historisch belangwekkende gebouwen.[6] Croockewit lijkt dus een spilfiguur die in belangrijke mate meedenkt over de samenstelling van de Amersfoortse monumentencommissie. Daarvoor brengt hij mensen uit zijn netwerk samen.

Via de Amersfoortse monumentencommissie komt vervolgens ook Van Heukelom met architect Kok in contact en in 1923 maakt ze voor hem een tekening van een rijtje Amsterdamse grachtenpanden. Deze voorziet ze vervolgens van de opdracht “aan den heer A.A. Kok van S. van Heukelom”. Wanneer Kok in 1942 een boek over Amsterdamsche woonhuizen schrijft dat vervolgens bij de Amsterdamse uitgever De Lange wordt gepubliceerd, neemt hij daarin ook de tekening van Van Heukelom op. Volgens hem is namelijk een voorbeeld van iets dat hij 18e-eeuwse “eigenbouwerij” noemt dat desalniettemin “een aantrekkelijk stadsgezicht” oplevert.

Sara van Heukelom, Grachtenpanden aan de Achtergracht bij de Amstel, gesigneerd, gedateerd en geannoteerd ‘aan den heer A.A. Kok van S. van Heukelom 1923’ (linksonder), tekening, afgebeeld in Kok 1942, p. 135. Bron: Delpher

Dat Sara van Heukelom haar naam als stadstekenaar inmiddels gevestigd heeft, blijkt bijvoorbeeld bij het afscheid van de directeur van Bouw- en Woningtoezicht J. Schulte Nordholt. De scheidend directeur krijgt dan namens het college van bestuur van Amersfoort een crayontekening van de Paternostersteeg aangeboden. Deze is gemaakt door Van Heukelom volgens De Eembode (16 december 1924).

Mooi Amersfoort

In 1925 neemt Van Heukelom alweer afscheid als secretaris van de gemeentelijke monumentencommissie vanwege “vertrek naar elders” volgens De Eembode (2 januari 1925). Dan gaat ze namelijk met kunstenares Jo Koster op een lange buitenlandse reis waarover ik uitgebreid te spreken kwam in de blogpost ‘Kunstvrienden’.

Als Van Heukelom in 1926 terugkeert in Amersfoort, wordt ze verkozen tot bestuurslid van Amersfoortse Kunstkring volgens Amersfoortsch Dagblad / De Eemlander (16 april 1926).[7] In die hoedanigheid houdt ze zich ook bezig met de gebouwde omgeving. Zo schrijft ze bijvoorbeeld een stuk over de straat die Achter het oude weeshuis genoemd wordt, voor Amersfoortsch dagblad.[8] Daarvoor maakt ze bovendien een illustratie waarbij ze de lezer vraagt: “Is ook dit geen stukje mooi-Amersfoort?”

Sara van Heukelom, Achter het Oude Weeshuis te Amersfoort, tussen 1920 en 1926, tekening, krijt en potlood, 34 x 24 cm. Amersfoort, Museum Flehite, 1000-392. Bron: Museum Flehite

De tekening Achter het oude weeshuis wordt bewaard in Museum Flehite waar hij gedateerd wordt in of vóór 1927. Het belangrijkste argument voor deze datering is de plaatsing van Oudkatholieke kerk op deze plek in 1927.[9] Met het artikel van Van Heukelom in Amersfoortsch dagblad kan deze datering dus iets worden aangescherpt. Immers Van Heukelom beeldt hem af in haar artikel dat op 2 november 1926 in Amersfoortsch Dagblad wordt geplaatst. Dat wil dus zeggen dat ze hem in of vlak vóór 1926 getekend zal hebben.

Het zou zonde zijn als dit moest verdwijnen, schrijft Van Heukelom vervolgens. “En toch, helaas! zal dit gebeuren en wel spoedig.” Met de tekening zet Van Heukelom haar argumentatie kracht bij om zo de lezer volkomen te overtuigen van de waarde van dit stukje Amersfoort. De kunstenares gebruikt haar tekening dus als extra argument in het debat over wat de moeite waard is om te bewaren.

Stadstekenaar

Stadsgezichten horen dus vanaf het vroegste begin tot Van Heukeloms specialiteiten. Tijdens haar eerste tentoonstellingen in 1910 en 1911 laat ze al werk zien waarin het stedelijk landschap centraal staat.[10] Vanaf het begin zijn dit uiteenlopende steden, zoals Utrecht, Harderwijk, Edam en Soest.

Sara van Heukelom, Hofje De Poth Amersfoort, ansichtkaart van ets naar ontwerp van Sara van Heukelom, uitgegeven door J.H. Ittmann, circa 1923, Amersfoort, verzonder door R,J. Valkhoff. Nijmegen, collectie Van Asperen. Bron: auteur

Vanaf 1913 gaat Sara van Heukelom Amersfoort tekenen voor ansichtkaarten, uitgegeven door Ittmann. In 1923 zijn haar tekeningen van Amersfoort en omgeving bovendien te zien op een tentoonstelling in de R.K. openbare leeszaal te Amersfoort.[11] Daarna kan snel niemand in Amersfoort meer om haar heen. Wanneer kunsthandelaar G.J. Veenendaal in 1940 bijvoorbeeld een tentoonstelling organiseert van etsen, schilderijen, gravures en tekeningen die betrekking hebben op de stad Amersfoort, hangt daar natuurlijk het werk van Sara van Heukelom.[12]

Over de precieze rol die haar oom Willem Croockewit speelt in het carrièreverloop van Van Heukelom, moet nog veel worden uitgezocht, maar zijn aanwezigheid lijkt een belangrijke factor. Allereerst verzamelt Croockewit tekeningen en grafiek, waaronder Nederlandse topographica. Daarmee geeft hij Van Heukelom wellicht een doorslaggevend duwtje om zich op stadgezichten te gaan toeleggen. Zeker is dat Van Heukelom vergelijkbare interesses ontwikkelt en zich tevens inzet voor behoud van Amersfoorts monumenten waarop ze een eigen stempel drukt. Via haar oom wordt ze tevens lid van de monumentencommissie. Met behulp van haar tekeningen zorgt ze namelijk voor een hernieuwde waardering van de gebouwde omgeving van Amersfoort.


Literatuur

  • Adriaans, G., ‘De St. Gregoriuskerk te Amersfoort’, Heemschut 4, nr. 7 (1927), p. 4. [Delpher]
  • Amsterdam, Sint-Lucas, 1910. Jaarlijksche tentoonstelling van kunstwerken der vereeniging St. Lucas ([Amsterdam]). [DoME]
  • Anoniem, ‘Sara van Heukelom, al haar vrije ogenblikken achter de schildersezel. Bloemen-, landschap-, stillevenschilderes deze maand 70 jaar’, Nieuw Utrechtsch dagblad (22 januari 1955), p. 7. [Delpher]
  • Groot, Anton, ‘Gerrit Adriaans (1898–1971) Een vergeten architect, ontwerper en religieus socialist’, Flehite Historisch jaarboek voor Amersfoort en omstreken 2009, Stichting Flehite Publicaties, 10 (2009), p. 102-123. [Historisch Amersfoort]
  • van Heukelom, Sara, ‘Mooi Amersfoort’, Amersfoortsch Dagblad / De Eemlander (2 november 1926), p. 5. [Historische kranten – Archief Eemland]
  • Kok, A.A., Amsterdamsche woonhuizen (Amsterdam: De Lange, 1942). [Delpher]

Noten

[1] Amsterdam, Sint Lucas, 1910, nr. 347.

[2] Anoniem 1955.

[3] ‘W. Croockewit W. Azn. overleden. Oud-conservator van het Museum Flehite’, Algemeen handelsblad (21 mei 1940), p. 5 [Delpher].

[4] ‘Accijns- of Kleppermanshuisje in de Langestraat’, (c) Oudheidkundige Vereniging Flehite Amersfoort.

[5] Zie ook Groot 2009, p. 107.

[6] ‘Kunst: Vereeniging Hendrik de Keyser’, Algemeen handelsblad (1 juli 1920), p. 9 [Delpher].

[7] In 1927 neemt Van Heukelom ook van de Amersfoortsche Kunstkring waarvan ze inmiddels penningmeester is, tijdelijk afscheid “weegens vertrek naar elders”. Zie Amersfoortsch Dagblad / De Eemlander (14 juni 1927), p. 3 [Delpher]. Na terugkeer neemt ze haar taken weer op, want in 1929 is ze lid van de commissie Tentoonstelling. Zie Adresboeken Amersfoort (1 januari 1929), p. 70 [Historische kranten – Archief Eemland].

[8] van Heukelom 1926, p. 5. Ook afgebeeld in Adriaans 1927, p. 4.

[9] Zie collectie online van Museum Flehite, inv.nr. 1000-392: Axiell Collections.

[10] Voor een overzicht van Van Heukeloms exposities, zie mijn vorige blogpost ‘Kracht en klaarheid’ waar ik aan het einde een opsomming van haar tentoonstellingen geef.

[11] Daarvan verschijnen recensies in De Eembode (16 februari 1923), p. 2 [Delpher] en in Amersfoortsch Dagblad / De Eemlander (21 februari 1923), p. 3 [Delpher].

[12] Recensies in Algemeen handelsblad (6 maart 1940), p. 9 [Delpher] en in Utrechts volksblad (19 april 1940), p. 7 [Delpher].

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Back to Top