Verlies van het culturele hart na rampen

De recente coronacrisis raakt de culturele sector hard. Inkomsten vallen weg, nu het publiek wegblijft. Toch is dit niets nieuws: tijdens rampen komt de culturele sector vaker onder druk te staan. De schouwburgbrand van 1772 betekende bijvoorbeeld het verlies van het culturele hart van Amsterdam. De Amsterdamse uitgever Theodoor Crajenschot liet dit drama treffend in beeld brengen in een allegorische voorstelling. Later zou de Amsterdamse tekenaar en prentmaker C. van Waard op Crajenschots beeld teruggrijpen, toen hij de Leidse buskruitramp in 1807 tekende. Van Waard gebruikte Crajenschots voorbeeld om te laten zien dat de buskruitramp een vergelijkbare impact had gehad op het culturele hart van Leiden.

Brand in de schouwburg

In 1772 brandde de schouwburg van Amsterdam af. Theaters waren bekende brandhaarden en in de stad hadden vaker grote branden gewoed. Toch waren schrijvers het met elkaar eens dat dit een van de heftigste branden allertijden was:

Volgens alle overeenstemmende Berigten van ooggetuigen, moeten alle die Branden, hoe ongemeen fel die ook geweest zyn, niet in een vergelyking komen by deeze van onze Schouwburg, in ongemeene spoed, verschriklyke opflikkering; woedende vlamme, verbaazend schielyke Verwoesting, en minder mooglykheid van Redding voor die geenen die genoodzaakt geweest zyn, ‘er het laatst in te blyven.

– “Hoe kon het zo schielyk afbranden?“, De naamlooziana, of vertoog zonder naam 12-16 (1772), p. 117.

Het nieuws over de brand verspreidde zich snel, via geschreven media en gedrukte afbeeldingen. Schrijvers en tekenaars schilderden de brand af als een uitbarstende vulkaan om het geweld van de vuurzee te benadrukken.

Op het moment van de brand had Theodorus Crajenschot zijn uitgeversbedrijf in Amsterdam, niet ver van de schouwburg. Hij liet zich dan ook niet onbetuigd. Met een opdracht aan tekenaar en prentmaker Cornelis Bogerts vatte Crajenschot het plan op een afbeelding van het geruïneerde theater op de markt te brengen, aangekondigd in de regionale kranten. Later zou hij deze prent aanvullen met drie voorstellingen van de brand (deze, deze en deze).

‘Een zinrijk titelplaatje’

In december 1772 kondigde Crajenschot ten slotte ‘een zinrijk titelplaatje’ aan in de krant. Hierop is nogmaals de brand te zien. Via het podium van de schouwburg kijken we naar de vlammenzee. Maar het beeld van het brandende theater is voorzien van een extra, allegorische laag.

De allegorische titelplaat geeft een zicht op de brand met op de voorgrond de treurende personificatie van Amsterdam die tegelijkertijd ook de schouwburg belichaamt. Ze zit op de brokstukken van het theater.
Cornelis Bogerts naar J. Crajenschot, Wz, Allegorie van de schouwburgbrand, titelplaat, ets en gravure, uitgegeven door Theodoor Crajenschot in Amsterdam, 1772, 287 x 365 mm. Rijksmuseum Amsterdam, RP-P-1998-624. Bron: Rijksstudio

De symbolische toevoegingen maken de voorstelling complex, zeker voor de moderne toeschouwer die minder gewend is aan zinnebeelden. Enige uitleg is daarom op zijn plaats. Op de overblijfselen van het ingestorte theater zit een treurende figuur. Deze vrouw is de Amsterdamse maagd, te herkennen aan het schild met het stadswapen. In de andere hand draagt zij een uitgebrande bijenkorf. De bijen vluchten. De korf was sinds lange tijd een embleem van de schouwburg. En de bijen, bekend als noeste arbeiders, stonden symbool voor het harde werk dat aan theatervoorstellingen vooraf ging. De vrouw belichaamt zowel Amsterdam als de schouwburg. Immers, stad en theater waren hecht met elkaar verbonden.

De culturele impact

De allegorische toevoeging brengt gevoelens en ideeën in beeld die op de meer journalistieke prenten onuitgesproken blijven. Via het podium kijken we naar de vlammen. Tegelijkertijd brengt de scène op de voorgrond de situatie ná de brand in beeld. De bijenkorf, symbool van het theater, is volledig uitgebrand. De vrouwelijke belichaming van stad en schouwburg zit op de brokstukken.

Belangrijk zijn de objecten aan haar voeten. De vrouw zit niet alleen op de bakstenen en balken waaruit het gebouw was opgetrokken. Aan haar voeten liggen ook diverse culturele attributen: muziekinstrumenten, kostuums, maskers, bladmuziek, boeken en portretten van toneelschrijvers.

De allegorische titelplaat toont het verlies van het culturele hart omdat  op de voorgrond allerlei voorwerpen liggen die het belang van de schouwburg voor cultureel Amsterdam onderstrepen, zoals boeken, bladmuziek en portretten van toneelschrijvers.
Allegorie van de schouwburgbrand, titelplaat, detail: voorwerpen op het podium.
Bron: Rijksstudio

De voorwerpen horen niet bij een journalistieke weergave van de situatie tijdens of na de brand. De uitgestalde attributen zijn van belang voor het dagelijkse reilen en zeilen van de schouwburg. Hoewel gemaakt van brandbare materialen, zoals hout, katoen en papier, hebben de vlammen de objecten niet aangetast. Bovenal symboliseren ze het culturele leven dat zich rond de schouwburg geconcentreerd had. De tekenaar wilde met de voorwerpen de impact van de brand op het cultuurwezen voor het voetlicht brengen. Met andere woorden, ze visualiseren een verlies dat anders onzichtbaar was gebleven, het verlies van het culturele hart van de stad.

De buskruitramp van Leiden

We slaan enkele decennia over. In 1807 ontplofte op het Rapenburg in Leiden een schip dat buskruit vervoerde. De explosie was zo hevig dat de binnenstad van Leiden in enkele minuten in een krater veranderde. Het aantal doden liep in de honderd. Erger nog, sommige lichamen zouden nooit meer worden teruggevonden.

De Leidse buskruitramp vond plaats in het hart van de stad waar ook de universiteit zetelde. Het was de plaats van de botanische tuinen, bibliotheken en kabinetten. Hier woonden studenten, professoren en andere geleerden. Bovendien had de universiteit allerlei andere mensen, instellingen en activiteiten aangetrokken. Diverse uitgevers, boekhandelaren en literaire genootschappen hadden zich op het Rapenburg gevestigd.

De allegorische voorstelling van de buskruitramp toont een zicht op de ruïnes van de stad. De tekenaar gunt een blik op de stad via een podium waarop allerlei figuren, brokstukken en voorwerpen zijn gearrangeerd.
C. van Waard, Allegorie van de buskruitramp in Leiden, 1807, tekening, penseel in grijs, pen in grijs en bruin, 363 x 487 mm. Rijksmuseum Amsterdam, RP-T-2009-47. Bron: Rijksstudio

De tekenaar C. van Waard, van wie de voornaam niet bekend is, maakte een voorstelling van de geruïneerde stad. Net als Crajenschot voorzag de tekenaar de afbeelding van een allegorische omlijsting. Ook Van Waard voegde een schouwburgpodium toe, met een treurende stedemaagd (rechts) en een wirwar aan brokstukken en lichamen op de voorgrond. Aan de voeten van de Leidse maagd ligt een omgevallen lade waaruit boeken en papieren zijn gevallen. Sommigen zijn officiële stukken met het wapen van de universiteit. Zoals op de titelplaat van Crajenschot visualiseren de voorwerpen de impact van de ramp op het intellectuele en culturele leven.

De brand in herinnering

De overeenkomsten tussen de beide prenten lijken geen toeval. De herinnering aan de schouwburgbrand was nog springlevend aan het begin van de 19de eeuw. Petrus Adriaansz. Loosjes had bijvoorbeeld nog over de brand geschreven in het vervolg op Wagenaars Vaderlandsche Historie (1789). Ook lieten uitgevers nog steeds voorstellingen van de brand drukken, bijvoorbeeld voor geschiedwerken zoals het Vaderlandsch Woordenboek (1786).

Uitgevers kopieerden en herdrukten de voorstellingen van Crajenschot nog in de 19de eeuw. De erven van weduwe Jacobus van Egmont bijvoorbeeld gaven vóór 1804 een houtsnede uit waarop de brandende schouwburg te zien is. De maker Hermanus Numan kopieerde hiervoor de voorstelling met de brand, gezien vanaf de Keizersgracht uit de reeks van Crajenschot.

Zicht op de Keizersgracht tijdens de brand van de schouwburg. De voorstelling gaat terug op een uit de reeks van Crajenschot waarbij de brand ook op deze manier is afgebeeld.
Hermanus Numan naar Bogerts, Brand van de oude schouwburg te Amsterdam, uitgegeven door de erven van weduwe Jacobus van Egmont, Amsterdam, vóór 1804, houtsnede, 326 x 417 mm. Rijksmuseum Amsterdam, RP-P-OB-202.564. Bron: Rijksstudio

Crajenschots gravures zouden bovendien andere voorstellingen inspireren, zoals die van de brand in de Lutherse kerk in 1822. Voor de ene koos tekenaar Hendrik Greeven een gezichtspunt vanaf de andere zijde van de Singel. De scène met de vlammenzee vanaf een grote afstand is vergelijkbaar met de schouwburgbrand gezien vanaf de Keizergracht die Numan nog gekopieerd had. De andere laat het interieur van de kerk zien na de brand, zoals Crajenschots prent met de verwoeste schouwburg. Niet alleen de themakeuze kwam overeen, ook de keuze van de standpunten en de identieke momenten gedurende de ramp. Het moge duidelijk zijn dat Crajenschots prentenreeks, waarvan de titelprent deel uitmaakte, nog steeds circuleerde en inspireerde, toen Van Waard aan zijn tekening van de geruïneerde Rapenburg begon.

A. Lutz naar Hendrik Greeven, Zicht op de brand van de Lutherse kerk vanaf de Singel, ets en aquatint, handgekleurd, uitgegeven door Evert Maaskamp te Amsterdam, 1822, 287 x 356 mm. Rijksmuseum Amsterdam, RP-P-OB-87.421. Bron: Rijksstudio

Afbeeldingen van verlies

De rampen in Amsterdam en Leiden lijken op het eerste gezicht nogal te verschillen. De brand in Amsterdam trof vooral de schouwburg en enkele omringende gebouwen, de ramp in Leiden de gehele binnenstad. In Amsterdam stierven 16 mensen. In Leiden vonden er meer dan 100 de dood. Duizenden personen raakten gewond

Toch zijn er ook belangrijke overeenkomsten die de keuze van Van Waard voor Crajenschots voorstelling verklaren. De twee rampen behelsden meer dan de doden en ingestorte gebouwen. Beide drama’s betekenden een verlies van het culturele hart van een stad. Met de zinnebeeldige titelplaat had Crajenschot deze gevoelens van verlies effectief in beeld gebracht. Vervolgens besloot Van Waard het voorbeeld van Crajenschot te gebruiken om op vergelijkbare manier gradaties van verlies te visualiseren.

Beide voorstellingen, die van Crajenschot en van Van Waard, laten zien hoe uiteenlopende rampen het culturele leven hard konden treffen, zoals ook de recente coronacrisis de culturele sector weer hard raakt. Bovenal gaan de prenten over de emotionele impact daarvan. De slag die de coronacrisis de cultuur toebrengt, treft niet alleen de cultuurmakers, maar zeker ook haar publiek. Zoals minister van Cultuur Ingrid van Engelshoven het zelf in de NRC formuleerde: “… dat de culturele instellingen dicht zijn, voelt meteen als een gemis.” Op momenten dat de culturele sector ons tijdelijk niet van zijn prachtige films, voorstellingen, lezingen, tentoonstellingen en concerten voorziet, merken we hoe groot het verlies van het culturele hart na rampen is.


Meer lezen?

Over de prenten van Crajenschot en Van Waard schreef ik eerder een uitvoerig Engelstalig artikel Catastrophes on Stage. Ook schreef ik al eerder een stuk over de uiteenlopende toepassingen van Crajenschots prenten. Op deze website komen prenten van rampen vaker aan bod, bijvoorbeeld die van de watersnood van 1861 en die van 1809. De allegorie is een vaker gebruikte vorm in voorstellingen van rampen. Zie ook mijn stuk over de titelplaat van Nederlands Water-nood van den Jaaren 1740 en 1741.

Meer informatie over de buskruitramp is te vinden in:

  • Arti Ponsen en Ed van der Vlist, Een fataal evenement: de buskruitramp van Leiden in 1807 (Leiden 2007).

Meer over de schouwburgbrand:

  • Erik Geleijns, “Brand in de Amsterdamse schouwburg, 1772.” [Koninklijke Bibliotheek]
  • J.A. Worp, Geschiedenis van den Amsterdamschen schouwburg 1496-1772 (Amsterdam 1920) [dbnl]
  • Jan Fokke en Myndert de Boer, Historie van den Amsterdamschen schouwburg (Amsterdam 1772) [Getty Research Institute]

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Back to Top