Stinkende wormen en gloeiende serpenten

Als kunsthistorica houd ik me het grootste deel van de tijd bezig met visuele voorstellingen. Graag bestudeer ik miniaturen in middeleeuwse handschriften, zoals in eerdere posts getiteld ‘Gebed in beeld‘ of ‘Gebed als draad door de wonden‘. Soms kom ik in een boek langs een gebed waarvan niet de miniatuur, maar juist de tekst mijn aandacht trekt. Dit kan zijn omdat de schrijver een aangrijpend beeld weet op te roepen. Zo schetst een gebed in een 15de-eeuws getijdenboek een ontbindend en getormenteerd lichaam na de dood. De levendige tekst vertelt hoe de zondaar, wachtend op het oordeel van God, ten prooi valt aan stinkende wormen en gloeiende serpenten.

Onbekende eigenaar

Over de eerste eigenaars van het boek is niet veel bekend. Waarschijnlijk werd het boek gemaakt in Zuid-Holland, rond 1470-1480. Kort na de productie liet de eigenaar het boek verder aanvullen. De decoratie en de miniaturen van de nieuwe onderdelen zijn van verluchters die werkzaam waren in Leiden. Andere delen stammen mogelijk uit Delft. Het boek illustreert zo dat 15de-eeuwse eigenaars hun boeken vaak over een periode van enkele decennia samenstelden, al naar gelang hun veranderende wensen en behoeften.

Annunciatie, miniatuur in een getijdenboek, Leiden, ca. 1470-80. Den Haag, KB nationale bibliotheek, Ms 132 G 38, f. 13v. Bron: Medieval Illuminated Manuscripts

Latere eigenaars maakten bezittersnotities. Iemand schreef:

Dit boek behoort toe aan Diener Goes. Wie het vindt die brengt het naar de juiste eigenaar terug.

Dit bock hoert toe dienner goes diet uint dien brenttet weder ter recter hent.

– Den Haag, KB nationale bibliotheek, Ms 132 G 38, f. 140v.

Wie het boek in gebruik had voordat het in handen kwam van Diener Goes, is niet duidelijk. Het boek geeft daarvoor weinig aanwijzingen. De tekst gebruikt bijvoorbeeld gender-neutrale termen, met frasen als “onwaardige verdwaalde arme creatuur”, “arme overtreder van de dodelijke geboden” en “arme zondaar”. De gebedsteksten hebben dus geen duidelijk mannelijk of vrouwelijk perspectief.

Maria en alle heiligen

Een gebed in het bijzonder viel me op vanwege het levendige taalgebruik. De tekst van de bede schetst een fascinerend beeld van een lichaam na de dood. Het begint met het aanroepen van Maria als de bron van barmhartigheid, steun en toeverlaat.

Daarna gaat het gebed verder met een opsomming van alle heiligen die de gelovige ook moeten bijstaan. Het zijn achtereenvolgens de aartsengelen en negen koren, aartsvaders, profeten, koningen, apostelen en discipelen, martelaren en belijders. De lijst eindigt met ‘de heilige maagden, weduwen en vrouwen.’

Alle genoemde groepen moeten een goed woordje voor de gelovige zondaar doen bij God:

… opdat hij mij, arme zondaar, afstand zal laten nemen en zal zuiveren van al mijn zonden, voordat ik afscheid zal nemen van dit jammerdal en ik het aller gevaarlijkste zal binnentreden. Als mijn ogen blind worden en mijn oren doof. Als mijn mond verstomt en mijn zintuigen, mijn rede en mijn verstand zullen ophouden te bestaan en misvormd zullen zijn. En als mijn aangezicht en al mijn leden zwart worden en bleek

dat hi mi arme sondaer wil leiden sceiden ende purgieren van alle sonden voir den dage mijns sceidens wten Jammerdael deser bedricliker werelt ende inder alre veruee(r)licster verueren als mijn ogen verblinden ende mijn oren verdoeuen ende mijn mont verstopt ende als mijn sin ende redenen ende verstandenisse verlaten ende ontstelt sullen sijn ende als mijn aensicht ende alle mine leden swaert worden ende bleec

– Den Haag, KB nationale bibliotheek, Ms 132 G 38, f. 126r-v

Stinkende wormen

Maar met het verstommen van de zintuigen houdt de ellende niet op. De tekst beschrijft hoe “stinkende wormen” zich te goed zullen doen aan het lichaam. Het beschrijft hoe de dood het hart van de overledene zal pijnigen, als het lichaam is ontdaan van zijn krachten. En het beschrijft hoe de zondaar ten prooi zal vallen aan grimmige helse honden.

Ook in afwachting van het oordeel nog zal de ziel, inmiddels gescheiden van het zondige lichaam, nog angstige uren moeten doorstaan. Het oordeel kan immers “eeuwige verdoemenis” zijn.

Het gebed eindigt met een herhaalde vraag om steun van Maria en de heiligen om de arme zondaar tijdens al deze ellende bij te staan:

O moeder van God, allerheiligste van de heiligen, denk dan welwillend aan dit gebed en deze vermaning en kom mij dan barmhartig te hulp met alle heilige om mij te bevrijden uit de koude van de gruwelijke zwarte verslindende wormen en uit de banden der verdoemde onzalige en aller lelijkste gloeiende serpenten.

Eya o moeder gods alre heylicste der sancten ende sanctinnen wilt dan dese bedinge ende vermaninge ghedencken goedertierlic ende coemt dan mit alle heyligen barmhertelic in mijnre hulpen om my te vrien wten cauden der gruweliker swarter verslindender wormen ende wt den banden der verdoemder onsaliger ende alre lelichste gloyende serpenten wilt my dan truwelicken en bi staen om my te presentieren

– Den Haag, KB nationale bibliotheek, Ms 132 G 38, f. 128r-v

Gloeiende serpenten

De levendige tekst roept een levendig beeld op. Het doet onmiddellijk denken aan middeleeuwse voorstellingen van een transi, zoals die op sommige grafmonumenten. Een transi is een voorstelling van een lichaam in verregaande staat van ontbinding.

Colijn de Nole, grafmonument van Reinoud III van Brederode en Philippote van der Marck, detail: transi, ca. 1550. Vianen, Grote Kerk. Bron: Adriaan van Rossum

16de-eeuwse voorbeelden hiervan zijn te vinden in Vianen en Boussu. In beide gevallen zien we het kadaver van een overledene liggen op een matras. Het skelet van de dode is zichtbaar door de verschrompelende huid heen. De ribben en ruggengraat liggen zelfs al bloot. Overal kruipen wormen het lichaam in en uit.

Jacques du Brœucq, grafmonument met een kadaver, of transi, genoemd ‘l’homme à moulons’, 16de eeuw. Boussu, Chapelle des Seigneurs. Foto: Jean-Pol Grandmont. Bron: Wikipedia

De transi-tombe van kanunnik Etienne Yver in de Notre-Dame in Parijs is gelijktijdig als het gebed in het getijdenboek van Diener Goes. Op een paneel in Straatsburg, ook uit dezelfde periode, schilderde een Zuidduitse meester de lichamen van een gestorven echtpaar. Ook het lichaam van de overleden geliefden is ingevallen en hun huid gerimpeld. De man en vrouw missen een paar tanden en hun ogen zijn hol.

Zuidduits meester (Rijnland of Schwaben), Twee overledenen, ca. 1470, olie op paneel. Straatsburg, Musée de l’Oeuvre Notre-Dame, MBA 1442. Foto: Musées Strasbourg / M. Bertola. Bron: Musée de l’Oeuvre Notre-Dame

Meest gruwelijk zijn nog wel de reptielen, amfibieën en insecten die de lichamen in en uit kruipen. Vliegen en libellen doen zich tegoed aan het resterende vlees op de botten. De twee echtelieden zijn bovendien gevangen in de wurggreep van slingerende slangen. Hier zien we hoe de “banden van de verdoemde onzalige en aller lelijkste gloeiende serpenten” zich om het lichaam slingeren, zoals het gebed in het getijdenboek van Diener Goes beschrijft.

Dit paneel heeft een – minder afschrikwekkende – pendant met de voorstelling van dezelfde geliefden in hun jeugd. Samen stellen de panelen de vergankelijkheid voor. Ook in de bloei van je leven is het nodig om het einde steeds in gedachten te hebben, zo luidt de boodschap.

Aflaat en insignes

Aan het gebed in Diener Goes’ getijdenboek is een aflaat verbonden. De hoogte van de aflaat is niet bekend omdat de kopiist een foutje maakte bij het kopiëren van de inleidende tekst. Daar staat nu:

Dit is een zuiver gebed van onze lieve vrouw. Wie het 40 dagen aaneen gesloten leest die verkrijgt een gebed van onze lieve vrouw

Dit is een suuerlic ghebet van onser lieuer vrouwen soe wie dattet xl dagen aen een leset die vercriget een ghebet aen onser lieuer vrouwen

– Den Haag, KB nationale bibliotheek, Ms 132 G 38, f. 125r

Aan het einde van de inleiding begon de schrijver een eerdere regel te kopiëren. Waar de rode tekst eindigt met “een ghebet aen onder lieuer vrouwen” had de hoogte van de aflaat moeten staan. Het foutje in de inleiding weerhield de eigenaar van het boek er niet van om het gebed vaak te lezen.

Lege pagina met sporen van insignes en daarnaast de beginpagina van het gebed. Den Haag, KB nationale bibliotheek, Ms 132 G 38, ff. 124v-125r. Bron: KB nationale bibliotheek

Door enkele insignes aan te brengen op de pagina bij dit gebed zorgde de boekbezitter ervoor dat de tekst gemakkelijk terug te vinden was. De insignes zijn er niet meer. Ze werden later weer verwijderd. Toen ze er nog wel waren, zorgde het reliëf er waarschijnlijk voor dat het gebed gemakkelijk te vinden was.

Pagina met het einde van het gebed, naaisporen van insignes in de marge. Den Haag, KB nationale bibliotheek, Ms 132 G 38, ff. 129v-130r. Bron: KB nationale bibliotheek

Insignes zaten er ook op de laatste pagina van hetzelfde gebed. Daar bevestigde de toenmalige eigenaar vier insignes boven elkaar. Ze lieten ook afdrukken achter in rand van de tegenoverliggende pagina.

De metalen plaatjes waren mogelijk afkomstig uit bedevaartplaatsen. In ieder geval toonden ze religieuze voorstellingen, zoals bekend uit andere boeken. Waarschijnlijk waren het afbeeldingen van Maria en/of heiligen. De kleine plaatjes sloten daarmee aan bij de gebedstekst die meteen in de eerste regels, en opnieuw aan het einde, hun hulp inroept. Zo vormden de insignes een mooie visuele aanvulling op het miniatuur-loze gebed.

Gebed als transi

Het gebed hielp de boekeigenaar, net als een transi, om de dood al tijdens het leven voor ogen te houden. Mogelijk hoopte de boekeigenaar dat Maria en de heiligen, afgebeeld op de insignes, hem of haar ook na de dood zouden bijstaan. Vurig vereerd zouden de afgebeelde heiligen eerder geneigd zijn de gelovige ook na de dood te hulp te komen, dacht men. De gebedstekst brengt in ieder geval levendig in beeld waarom de steun van Maria en de heiligen na de dood zo essentieel was.


Transcriptie van de gebedstekst

Getijdenboek van Diener Goes, KB nationale bibliotheek, Ms 132 G 38, ff. 125r-128v:

Dit is een suuerlic ghebet van / onser lieuer vrouwen soe wie / dattet xl dagen aen een leset / die vercriget een ghebet aen / onser lieuer vrouwen

Eya troestelicster / toeuerlaet ende / alre sekerste / hoep O oirspronc / alre barmher/ticheit O fonteyn alre gena/den maria reine suuer maget / ende heylige moeder ons he/ren ihesu xpisti O heylige enghel / gabriel michael ende rapha/el mit allen neghen choren / der engelen die alle dage mit / suet melodie In hoger iubi/lacien den ouerste coninc te louen

[125v:]

singen Sanctus Sanctus Sanctus do/minus deus sabaoth O hey/lige abraham ysaac ende / iacob uut allen heyligen patri/archen O heylighe ysaias iheremias iohannes baptista / mit allen heyligen propheten O / heylige dauid ezechias ludoui/ce mit allen heyligen coninghen / O petre O paule mit allen hey/ligen apostelen ende discipulen / O stephane laurenti vincenti / mit allen heyligen martelaren / O siluester martine iheronime / ende dominice mit allen hey/ligen confessoren O anna magda/lena vrsula mit allen heyligen / magheden weduen ende vrou/wen

O heylige huysgesin san

[126r:]

cten ende sanctinnen Ic onwaer/dighe verdwaelde arme crea/tuer aen roep ende vermaen v alle der hoger uulder ouer / wonderliker schoenre gauen / die v bewijst ende ghegheuen / heeft die ongescepen ongeme/tete enige goetheit ende bidde / v dat gy mi arme ouertreder / dootliker geboden niet en wi/lt versmaden mar barmherte/licker mijnre wilt gedencken / ende voir my spreken wilt den / barmhertige god minen scepper / ende verlosser dat hi mi arme / sondaer wil leiden sceiden ende / purgieren van alle sonden / voir den dage mijns sceidens / wten Jammerdael deser be-

[126v:]

dricliker werelt ende inder alre / veruee(r)licster verueren als mijn / ogen verblinden ende mijn oren ver/doeuen ende mijn mont verstopt ende / als mijn sin ende redenen ende / verstandenisse verlaten ende / ontstelt sullen sijn ende als mijn / aensicht ende alle mine leden / swaert worden ende bleec uut / der volre doot werue unsma/ectelic ende ongedaen sullen sijn / als die onsterffelike stincken/de wormen mijnre bedroefder con/sciencien mi alleen mijn swaer / dootlike sonden vermanen sal ende / als die wrede bitter doot mijn / veruaerde droue hert mit on/genadighen pinen soe wredelic / doerschieten sal dat alle mijn

[127r:]

aderen ende senen ende mijns / leuens crachten schoren ende / mijn ellendige siel wemodelic / naect wter clusen mijns arme / sondige lichaems als wt eenre / fulre krengen sal moeten schey/den ende mi dan die grimmende / helsche honden mit horen gruwe/liken gebaer niet en verueren / noch uut horen verradelike / scalke becoringe mi in mistro/est niet en brengen of en verwi/nnen ende als mijn bloete siel / dan ter antwoerden sal moeten / staen voir den gherechte des / alre rechtuaerdigen rechters / voir wes aenschijn alle geesten / beuen sellen voir wes toern / allen creaturen die inder boosheit

[127v:]

geuonden worden anxtelicken / sellen vallen ende alle crea/turen / Droeflic sellen kruupen / ende leuende noch dooten sal / niemant sijnre alweeldiger / mogen ontflien noch ontwi/ken O wach ende hoe wee

O hertelicke wee bouen allen / sinnen wie sel dan sijn den ver/doemden verworpenen sielen / die dan inder beueliker vren / voir die alre scarpste dinc/stoel ende vierschaer becom/mert mit anxtelicker vre/sen sellen staen verwachten/de die tormenten der ewiger / duusternisse eisce moeten / horen die doersnidende senten/cie ende vonnisse des rechters

[128r:]

alre rechteren gaet ende coe/mt

Eya o alre troestelicste / toeuerlaet alre sekerste ende alre heylicste moeder ende / maget vrouwe der werelt / coninghinne des ouersten / conincs O medicijn der sonda/ren maria fonteyn alre ghe/naden

Eya o moeder gods / alre heylicste der sancten ende / sanctinnen wilt dan dese bedinge ende vermaninge ghedencken goedertierlic ende coemt dan mit alle heyligen barmhertelic in mijnre hul/pen om my te vrien wten / cauden der gruweliker swar/ter verslindender wormen / ende wt den banden der ver-

[128v:]

doemder onsaliger ende alre le/lichste gloyende serpenten wilt / my dan truwelicken en bi staen / om my te presentieren

In / graciosen weerdighen aenschijn / gods inder glorioser bliscapen / mijns heren mijns sceppers ende / salichmakers dair ic mit v / waerdige moeder ende maget / ende mit allen heylighen on/uerscheyden inden hemel der / hemelen syn ouerwonder sco/ne ende onbegripelicke claer/heit eweliken mach bescouwen / ende sonder einde in glorien / ghebruken Amen


Literatuur

  • Marisa Ann Bass, ‘The transi tomb and the genius of sixteenth- century Netherlandish funerary sculpture’, Netherlands Yearbook for History of Art / Nederlands Kunsthistorisch Jaarboek 67 (2017): 160-87, DOI: https://doi.org/10.1163/22145966-90000795.
  • Sophie Oosterwijk, ‘Food for worms – food for thought: The appearance and interpretation of the “verminous” cadaver in Britain and Europe’, Church Monuments 20 (2005): 40-80, 133-40.
  • Hanneke van Asperen, Pelgrimstekens op perkament: Originele en nageschilderde bedevaartssouvenirs in religieuze boeken (ca. 1450-ca. 1530), Nijmeegse Kunsthistorische Studies, 16 (Ede 2009), pp. 327-28 (Getijdenboek van Diener Goes). [pdf]

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Back to Top